Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3344 
 
Datum uitspraak:28-04-2026
Datum gepubliceerd:04-05-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 24/2957
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Ziekengeld, Ziektewet, ZW, laatste werkdag, arbeidsovereenkomst, opzegging, einde arbeidsovereenkomst, nawerking, artikel 46 ZW.
Trefwoorden:aow
arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/2957
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats 1], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),

en


de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2] (ex-werknemer)
(gemachtigde: mr. D. Marcus).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het recht van de ex-werknemer op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) per 9 september 2022, omdat hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Eiseres is het niet eens met de toekenning van ziekengeld aan de ex-werknemer. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht aan de ex-werknemer per 9 september 2022 ziekengeld heeft toegekend.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de laatste werkdag van de ex-werknemer 21 juli 2022 is geweest, dat de (laatste) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is geëindigd op 8 augustus 2022 en dat er geen sprake is van nawerking. Eiseres krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 15 augustus 2023 heeft het UWV de ex-werknemer meegedeeld dat hij vanaf 9 september 2022 geen recht heeft op ziekengeld, omdat eiseres niet heeft kunnen vaststellen dat hij vanaf deze datum ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.


2.1.
Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 heeft het UWV het bezwaar van ex-werknemer gegrond verklaard en hem vanaf 9 september 2022 ziekengeld toegekend.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ex-werknemer heeft ook schriftelijk gereageerd.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres (via een beeldbelverbinding), de gemachtigde van het UWV en de ex-werknemer met een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, [persoon A].



2.4.
Bij beslissing van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en een aantal vragen gesteld aan partijen. Nadien zijn de volgende stukken ontvangen:
- twee brieven van eiseres, namelijk een brief van 21 oktober 2025, met bijlage, en een brief van 25 november 2025;
- een brief van 24 november 2025 van de ex-werknemer en
- een brief van 8 januari 2025 van het UWV.



2.5.
De rechtbank heeft partijen nadien laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen hiermee hebben ingestemd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.




Beoordeling door de rechtbank


Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is eigenrisicodrager voor de uitvoering van de ZW.


3.1.
Ex-werknemer is via eiseres werkzaam geweest bij [naam bedrijf] B.V. als terminal truck operator voor gemiddeld 40 uur per week.



3.2.
Op 12 april 2023 heeft ex-werknemer zich met terugwerkende kracht ziekgemeld per 9 september 2022.



3.3.
Met het besluit van 19 juli 2023 heeft het UWV de afhandeling van de ziekmelding opgeschort. Op 14 juli 2023 is de ex-werknemer op consult geweest, waarbij is afgesproken dat hij medische informatie gaat aanleveren. Daaruit moet blijken wat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag is.



3.4.
Het UWV is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop”

4. Eiseres betwist dat 9 september 2022 de eerste dag was waarop ex-werknemer ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Bovendien, ook al zou dit de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zijn, dan is deze datum meer dan vier weken na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gelegen. Er is daarom geen sprake van nawerking in de zin van artikel 46 van de ZW en dus heeft de ex-werknemer geen recht op ziekengeld.



4.1.
De ex-werknemer en het UWV stellen zich op het standpunt dat 9 september 2022 (wel) de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is en dat er sprake is van nawerking.

5. De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of er sprake is van nawerking indien 9 september 2022 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is. Als dat niet zo is, dan slaagt het primaire standpunt van eiseres en komt de rechtbank niet toe aan het subsidiaire standpunt. Wanneer er geen sprake is van nawerking maakt het namelijk niet meer uit of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen op 9 september 2022 of op een latere datum.

6. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van nawerking, moet allereerst vastgesteld worden wat de laatste werkdag was van de ex-werknemer en wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd.


Wat was de laatste werkdag?

7. Voorafgaand aan de zitting leek er overeenstemming te bestaan over de laatste werkdag van ex-werknemer. Ex-werknemer heeft tijdens de zitting (voor het eerst) betwist dat hij voor het laatst heeft gewerkt op 21 juli 2022. Volgens hem heeft hij ook na die datum gewerkt. Na de heropening heeft hij dit standpunt in zijn brief van 24 november 2025 herhaald.



7.1.
Eiseres stelt dat ex-werknemer op 21 juli 2022 voor het laatst heeft gewerkt. Eiseres heeft dit standpunt onderbouwd met stukken. Bij brief van 16 augustus 2024 is de laatste declaratie van de ex-werknemer met betrekking tot week 29 in 2022 en een nabetaling die betrekking heeft op dezelfde week overgelegd. Bij brief van 21 oktober 2025 is daarnaast een overzicht overgelegd van alle uren die ex-werknemer – volgens eiseres – heeft gewerkt en ook volgens dit overzicht zou hij na genoemde datum niet meer hebben gewerkt.



7.2.
Ex-werknemer heeft tijdens de zitting en in zijn brief van 24 november 2025 volstaan met betwisting van de stelling van eiseres.



7.3.
Het UWV heeft in het verweerschrift aangegeven dat ex-werknemer tot en met 11 september 2022 loon heeft ontvangen van eiseres. Ter onderbouwing hiervan is een uitdraai uit ‘Suwinet’ bijgevoegd. In de brief van 8 januari 2026 stelt het UWV dat ‘de laatste inkomstenopgave’ van eiseres de maand 15 augustus 2022 tot en met 11 september 2022 betreft en dat over die maand nog sprake is van verloonde uren. De rechtbank begrijpt dat het UWV daarmee ook betwist dat 21 juli 2022 de laatste werkdag was.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de overgelegde stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat 21 juli 2022 de laatste werkdag was. Dat volgt namelijk uit de overgelegde laatste declaratie van ex-werknemer. De nabetaling van € 1.198,70 gaat
– voor zover van belang – over de uitbetaling van vakantiedagen (€ 896,39) en vakantietoeslag (€ 302,31) en niet over de uitbetaling van (na die datum) gewerkte uren. Bij brief van 21 oktober 2025 is daarnaast een overzicht overgelegd van alle uren die ex-werknemer – volgens eiseres – heeft gewerkt en ook volgens dit overzicht zou hij na genoemde datum niet meer hebben gewerkt. Ex-werknemer heeft volstaan met de mededeling dat hij ook na genoemde datum heeft gewerkt. Hij heeft dit niet onderbouwd met stukken. Hij heeft niet (gemotiveerd) betwist dat eiseres de laatste declaratie en salarisspecificatie heeft overgelegd. De door het UWV overgelegde uitdraai uit Suwinet leidt niet tot een ander oordeel. De uitdraai betreft de periode 14 februari 2022 tot en met 11 september 2022. Daarvan is de informatie uit regel 2 en 3 relevant.
Regel 3 heeft betrekking op de periode 18 juli 2022 tot en met 14 augustus 2022. Voor deze periode staat een SV-loon vermeld van € 246,55 en 18 verloonde uren. Uit deze regel kan niet worden afgeleid op welke dagen ex-werknemer gewerkt heeft in genoemde periode. Uit die regel blijkt dan ook niet dat ex-werknemer na 21 juli 2022 heeft gewerkt. Het aantal in die periode verloonde uren (achttien) komt evenwel precies overeen met het door eiseres overgelegde overzicht van alle uren die ex-werknemer heeft gewerkt. Uit dat overzicht blijkt dat ex-werknemer in de periode van 18 juli 2022 tot en met 14 augustus 2022 alleen heeft gewerkt op woensdag 20 juli 2022 en op donderdag 21 juli 2022. Het gaat dan om respectievelijk 8,75 en negen gewerkte uren, dus in totaal om 17,75 (afgerond achttien) uren.
Regel 2 heeft betrekking op de periode 15 augustus 2022 tot en met 11 september 2022. Voor deze periode staat een SV-loon vermeld van € 1.198,70, vakantietoeslag (“VT”) van
€ 302,31 en 65 verloonde uren. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat ex-werknemer in die periode nog heeft gewerkt. Het is aannemelijk dat dit SV-loon ziet op de nabetaling die heeft plaatsgevonden conform de door eiseres overgelegde laatste salarisspecificatie van 7 september 2022. Het totaal bedrag van € 1.198,70 aan SV-loon en de vakantietoeslag van regel 2 komen overeen met de bedragen die staan genoemd in die salarisspecificatie.


Moet de arbeidsovereenkomst opgezegd worden?

9. Eiseres en ex-werknemer hebben op 14 februari 2022 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten. Daarin staat onder meer het volgende:




“(…) 3. Kenmerken van de overeenkomst

3.1

Aanvang en duur van de overeenkomst

Deze overeenkomst gaat in op 14-02-2022 of vanaf de door de werkgever akkoord bevonden datum dat de werkzaamheden daadwerkelijk worden aangevangen en duurt tot en met de eerste zondag na aanvang van deze overeenkomst.


3.2

Verlenging van de overeenkomst

Deze overeenkomst eindigt van rechtswege op de vermelde einddatum zoals hierboven aangegeven. Een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd komt tot stand als er binnen één maand na afloop van de vorige overeenkomst werkzaamheden worden verricht door werknemer. In dat geval wordt de nieuwe overeenkomst aangegaan voor een
periode van vier weken. Die overeenkomst gaat in op de maandag van die week en eindigt van rechtswege op de vierde zondag daarna. Deze bepaling geldt totdat maximaal 78 weken arbeid is verricht.


3.3

Einde van de overeenkomst

De overeenkomst eindigt in de volgende gevallen van rechtswege en zonder dat opzegging vereist is:
a) De dag voordat werknemer zou instromen in fase B van de CAO;
b) De laatste dag van de maand waarin de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt (…)”.

10. Tijdens de zitting heeft de ex-werknemer gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd. Volgens hem had eiseres namelijk moeten aangeven dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden en dat is niet gebeurd. Hij stelt dat hij in augustus 2022 daarom nog in dienst was. Na de heropening heeft hij dit standpunt herhaald. Volgens hem volgt uit de artikelen 3.2 en 3.3. van de arbeidsovereenkomst dat de arbeidsovereenkomst opgezegd had moeten worden op het moment dat de werkgever de automatische en stilzwijgende verlenging wilde beëindigen. Uit artikel 3.3. volgt immers dat de arbeidsovereenkomst alleen in twee specifieke gevallen (die zich hier niet voordoen) van rechtswege, én zonder dat opzegging is vereist, eindigt. In alle andere gevallen is opzegging dus wel vereist. Uit een redelijke uitleg van de arbeidsovereenkomst volgt dat deze - behoudens opzegging door de werkgever - in ieder geval zou doorlopen tot fase B. De arbeidsovereenkomst is op enig moment opgezegd, althans eiseres heeft laten weten dat de ex-werknemer niet meer ingeroosterd zou worden maar de ex-werknemer weet niet meer wanneer dit exact was. Eiseres heeft deze stukken ook niet overgelegd. De omstandigheid dat er onduidelijkheid bestaat over de einddatum van de arbeidsovereenkomst komt voor risico van de werkgever. Om die reden dient, gelet op de door het UWV overgelegde uitdraai uit Suwinet, er vanuit te worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 11 september 2022.

11. Naar het oordeel van de rechtbank kan ex-werknemer niet gevolgd worden in zijn stelling dat de arbeidsovereenkomst niet (van rechtswege) is geëindigd, omdat deze niet is opgezegd. Daarvoor is het volgende van belang.



11.1.
Allereerst is het standpunt van de ex-werknemer tegenstrijdig. Enerzijds stelt hij dat de arbeidsovereenkomst opgezegd had moeten worden en dat dit ten onrechte niet is gebeurd. Anderzijds stelt hij dat de arbeidsovereenkomst op enig moment is opgezegd, althans eiseres heeft laten weten dat de ex-werknemer niet meer ingeroosterd zou worden, maar de ex-werknemer weet niet meer wanneer dit exact was. Mogelijk doelt ex-werknemer met het laatste niet zozeer op een opzegging maar op een aanzegging. De aanzegverplichting komt hierna aan de orde in de volgende rechtsoverweging.



11.2.
Vaststaat dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In de artikelen 3.1. en 3.2. van deze overeenkomst is neergelegd wanneer deze eindigt en dat dit ook van rechtswege gebeurt. Niet valt in te zien waarom de arbeidsovereenkomst dan opgezegd zou moeten worden per overeengekomen datum. Ook in artikel 7:667, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege – en dus zonder dat opzegging nodig is – eindigt wanneer de overeengekomen periode is verstreken. Uit het derde lid van deze bepaling volgt dat partijen wel kunnen overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussentijds – dus eerder dan het moment waarop de overeenkomst van rechtswege eindigt – opgezegd kan worden, maar dan moeten partijen dat schriftelijk zijn overeengekomen. Een dergelijke bepaling ontbreekt in de onderhavige arbeidsovereenkomst. De enkele omstandigheid dat in artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat de overeenkomst in de daarin genoemde gevallen “zonder dat opzegging vereist is” eindigt, leidt, gezien het voorgaande, niet tot een ander oordeel.

Ook de “wettelijke bescherming voor de werknemer” tegen zeer korte opzeg- c.q. aanzegtermijnen leidt er niet toe dat artikelen 3.2 en 3.3. van de arbeidsovereenkomst zo gelezen moeten worden dat opzegging nodig is. Op grond van artikel 7:668, eerste lid, van het BW geldt er namelijk een zogenoemde aanzegverplichting. Het is deze verplichting die bedoeld is om de werknemer meer zekerheid te bieden en hem tijdig in de gelegenheid te stellen om uit te zien naar ander werk. Voor zover eiseres een aanzeggingsverplichting had en daar niet aan zou hebben voldaan, dan betekent dat niet dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd. Dit verzuim heeft hooguit tot gevolg dat de ex-werknemer mogelijk aanspraak heeft op een vergoeding. Dat volgt uit het derde lid van artikel 7:668 van het BW.


Wanneer is de arbeidsovereenkomst geëindigd?

12. Dan is de vraag aan de orde hoe de artikelen 3.2 en 3.3. van de arbeidsovereenkomst uitgelegd moeten worden en wanneer de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd. Dit is tijdens de zitting besproken en de rechtbank heeft het onderzoek naar aanleiding daarvan heropend. In de heropeningsbeslissing staat:
“(…) De arbeidsovereenkomst van werknemer is ingegaan op 14 februari 2022. De rechtbank leidt uit artikel 3.1. en de eerste zin van artikel 3.2. van deze overeenkomst af dat deze van rechtswege is geëindigd op zondag 20 februari 2022. In de tweede en derde zin van artikel 3.2 is neergelegd wanneer een nieuwe arbeidsovereenkomst (van vier weken) tot stand komt.
Ter zitting is met partijen gesproken over deze bepaling en hoe die uitgelegd kan worden. Besproken is dat het er op lijkt dat de arbeidsovereenkomst van de werknemer na 20 februari 2022 telkens (op de maandag direct aansluitend aan de beëindiging op de zonder ervóór) van rechtswege is verlengd met vier weken. Bij nadere bestudering van deze bepaling is deze uitleg mogelijk niet juist. In deze bepaling staat het volgende:
“Een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd komt tot stand als er binnen één maand na afloop van de vorige overeenkomst werkzaamheden worden verricht door werknemer. In dat geval wordt de nieuwe overeenkomst aangegaan voor een periode van vier weken. Die overeenkomst gaat in op de maandag van die week en eindigt van rechtswege op de vierde zondag daarna”.
Bij de rechtbank is de vraag gerezen wat er is bedoeld met “Die overeenkomst gaat in op de maandag van die week”. Het is onduidelijk om welke maandag van welke week het dan gaat. Niet uitgesloten kan worden dat geen sprake is geweest van telkens op elkaar aansluitende arbeidsovereenkomsten maar dat daar (af en toe) een ‘gat’ tussen heeft gezeten (…).”

De rechtbank heeft partijen verzocht nader toe te lichten hoe zij artikel 3.2. uitleggen en hoe/per wanneer er volgens hen sprake is geweest van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van vier weken) en wanneer dat voor het laatst is geweest.



12.1.
Eiseres heeft vervolgens aangegeven dat ex-werknemer volgens de door haar bijgevoegde bijlage vanaf 14 februari 2022 tot en met 21 juli 2022 heeft gewerkt. “Conform de CAO” betekent dit dat in week 7 (op 14 februari 2022) een arbeidsovereenkomst tot stand kwam die liep tot en met de zondag van die week. Per week 8 vindt dan steeds een verlenging van de overeenkomst plaats met vier weken (tot en met de zondag). Eiseres stelt dat er geen sprake is van nawerking, omdat 21 juli 2022 (in week 29) in de vijfde verlenging van vier weken ligt en die periode van maandag 11 juli tot en met zondag 7 augustus 2022 loopt.

De rechtbank begrijpt dat eiseres, mede op basis van de CAO, dus stelt dat de arbeidsovereenkomst telkens (aansluitend) is verlengd met vier weken, voor het laatst van maandag 11 juli 2022 tot en met zondag 7 augustus 2022. Dit omdat 21 juli 2022 de laatste werkdag was, de arbeidsovereenkomst niet opnieuw is verlengd met vier weken en de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 7 augustus 2022. De rechtbank stelt vast dat eiseres daarmee een ander standpunt inneemt dan tijdens de zitting en dat zij zich nu aansluit bij de manier waarop de rechtbank tijdens de zitting uiteen heeft gezet hoe artikel 3.2. van de arbeidsovereenkomst uitgelegd zou kunnen worden.



12.2.
Ex-werknemer stelt dat artikel 3.2 van de arbeidsovereenkomst een uitwerking is van de wettelijke rechtsbescherming voor de werknemer, in die zin dat dergelijke clausules bescherming bieden tegen zeer korte opzeg- c.q. aanzegtermijnen met de gedachte dat een werknemer altijd een redelijke termijn geboden moet worden om een nieuwe dienstbetrekking te kunnen vinden. De enige redelijke uitleg van dit artikel is dan ook dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de vierde zondag volgend op de laatste dag dat arbeid is verricht. Indien uitgegaan wordt van 21 juli 2022 als laatste werkdag, zoals eiseres stelt, dan eindigt de arbeidsovereenkomst op zondag 14 augustus 2022. Er is derhalve sprake van nawerking tot 11 september 2022.
De rechtbank begrijpt dat de ex-werknemer stelt dat er voor het laatst een arbeidsovereenkomst van vier weken tot stand is gekomen op de laatste werkdag.



12.3.
Het UWV heeft zich na de heropening aangesloten bij de reactie van ex-werknemer. Daarbij is gewezen op de omstandigheid dat er volgens de laatste inkomstenopgave van eiseres sprake is van verloonde uren in de periode van 15 augustus 2022 tot en met 11 september 2022.

13. Partijen verschillen dus van mening over de vraag wanneer telkens een nieuwe arbeidsovereenkomst (van vier weken) tot stand is gekomen. Deze moet daarom door de rechtbank worden uitgelegd. De uitleg van een overeenkomst dient te geschieden aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Deze maatstaf houdt in dat de vraag hoe in een schriftelijk contract, zoals de uitzendovereenkomst, de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg heeft de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. Voorts geldt dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van de bewoordingen, gelezen in de context van het contract als geheel, bij de uitleg van groot belang zal zijn. Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de overeenkomst, de wijze van totstandkoming ervan, de vraag of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden, en de overige bepalingen ervan.



13.1.
Geen van partijen heeft duidelijk toegelicht hoe en waarom de door hen voorgestane uitleg van artikel 3.2. van de arbeidsovereenkomst zou moeten worden gevolgd.
De ex-werknemer en het UWV hebben in feite helemaal niet aan het verzoek van de rechtbank voldaan om uiteen te zetten hoe de genoemde artikelen uitgelegd moeten worden. Ex-werknemer heeft niet toegelicht of uiteengezet hoe hij uit deze bepalingen afleidt dat op de laatste werkdag (voor het laatst) een arbeidsovereenkomst van vier weken tot stand is gekomen. Voor de juistheid van deze uitleg kan ook geen enkel aanknopingspunt worden gevonden in de arbeidsovereenkomst of anderszins in het dossier. De enkele verwijzing naar de wettelijke bescherming van werknemers tegen zeer korte opzeg- c.q. aanzegtermijnen is onvoldoende. Er is namelijk niet uitgewerkt of toegelicht waarom dit dan leidt tot de uitleg die er volgens de ex-werknemer aan gegeven moet worden. Bovendien is het niet nodig om die bescherming op deze wijze te bieden, omdat juist de aanzegverplichting geacht moet worden daarin te voorzien. Niet valt in te zien hoe de omstandigheid dat er nog sprake is geweest van verloonde uren in de door het UWV genoemde periode antwoord geeft op de vraag hoe de arbeidsovereenkomst uitgelegd moet worden. Bovendien heeft de rechtbank in overweging 8 geoordeeld dat aangenomen moet worden dat de verloonde uren zien op nabetaling met betrekking tot de periode gelegen vóór de laatste werkdag en dat aannemelijk is dat er in de periode van 15 augustus 2022 tot en met 11 september 2022 geen arbeid is verricht.
Eiseres verwijst alleen naar “de CAO” zonder toe te lichten in hoeverre de door haar voorgestane uitleg volgt uit deze CAO.



13.2.
De rechtbank zal daarom zelf genoemde bepaling uitleggen en daarbij uitgaan van de taalkundige uitleg, omdat geen van partijen andere aanknopingspunten hebben geboden die van belang kunnen zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er uitsluitend twee manieren waarop de zinnen
“Een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd komt tot stand als er binnen één maand na afloop van de vorige overeenkomst werkzaamheden worden verricht door werknemer. In dat geval wordt de nieuwe overeenkomst aangegaan voor een periode van vier weken. Die overeenkomst gaat in op de maandag van die week en eindigt van rechtswege op de vierde zondag daarna”.
in artikel 3.2. uitgelegd kunnen worden. Namelijk zoals tijdens de zitting door haar is voorgehouden en de andere mogelijke uitleg die in de heropeningsbeslissing is neergelegd.
Dus het een en ander kan zo gelezen worden dat de arbeidsovereenkomst van de werknemer na 20 februari 2022 telkens op de maandag direct aansluitend aan de zondag waarop de vorige overeenkomst laatstelijk is geëindigd, wordt verlengd. Maar het zou ook zo uitgelegd kunnen worden dat de nieuwe arbeidsovereenkomsten niet altijd op elkaar zouden kunnen aansluiten en dat er ook een “gat” tussen zou kunnen zitten. Als bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst van vier weken eindigt op zondag 17 april 2022 (week 15) en er in de week erna (week 16) niet wordt gewerkt maar – bijvoorbeeld – vanaf de dinsdag in week 17 wel (dus binnen de maand na het einde van de arbeidsovereenkomst), loopt de nieuwe arbeidsovereenkomst van vier weken dan vanaf maandag 18 april 2022 (week 16), of vanaf maandag 25 april 2022 (week 17)?

Na nadere bestudering komt de rechtbank tot de slotsom dat zij niet daadwerkelijk hoeft te beslissen welke uitleg de (meest) juiste is, omdat beide uitleggen in dit geval tot dezelfde uitkomst leiden.
Uit de door eiseres overgelegde uitdraai – waarvan de juistheid niet is betwist – volgt dat ex-werknemer na de eerste werkweek (week 7) alle weken heeft gewerkt tot en met zijn laatste werkdag op 21 juli 2022 (in week 29), met uitzondering van de weken 21 en 23. In week 21 heeft hij (kennelijk) niet gewerkt. Dat heeft echter geen invloed op de dag waarop een nieuwe arbeidsovereenkomst van vier weken is aangevangen, omdat die weken midden in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van vier weken is gelegen. Dat ligt zo. Omdat ex-werknemer in week 8 tot en met week 20 steeds heeft gewerkt, is er telkens aansluitend een nieuwe arbeidsovereenkomst van vier weken tot stand gekomen tot en met zondag 12 juni 2022 (week 23). Omdat ex-werknemer vervolgens in week 24 weer is gaan werken, is er weer een nieuwe arbeidsovereenkomst van vier weken tot stand gekomen met ingang van maandag 24 juni 2022. Dat is zo bij beide mogelijke lezingen van artikel 3.2., omdat week 24 direct aansluit op de laatste week van de vierde arbeidsovereenkomst. Omdat ex-werknemer ook daarna weer heeft gewerkt, is aansluitend een zesde arbeidsovereenkomst gesloten. Deze liep vanaf week 28 tot en met zondag 7 augustus 2022 in week 31. Omdat hij in de periode van vier weken daarna helemaal niet meer heeft gewerkt, is er op maandag 8 augustus 2022 (of in de periode erna) geen nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot stand gekomen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het standpunt van eiseres juist is. De laatste arbeidsovereenkomst was geldig tot en met 7 augustus 2022.


Is er sprake van nawerking?

14. Gezien het voorgaande kan de rechtbank tot slot de vraag beantwoorden of er sprake is van nawerking. Dat is niet het geval. De periode van nawerking eindigde vier weken na 8 augustus 2022, dus op zondag 4 september 2022. De eerste ziektedag is gelegen na die datum. Ex-werknemer heeft daarom geen recht op ziekengeld. Het UWV heeft het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ondeugdelijk voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
De beroepsgrond slaagt.



14.1.
Omdat het primaire standpunt slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de beantwoording van de vraag of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat 9 september 2022 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag was.




Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een gebrek kent. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Het UWV zal daarom een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.


15.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Ook veroordeelt de rechtbank het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934 per punt en wegingsfactor 1).





Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt het UWV op om binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;


draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden;


veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Er is sprake van nawerking als een ziekmelding per een datum is gelegen binnen vier weken na het einde van de ZW-verzekering. Dit betekent dat de werknemer recht kan hebben op ziekengeld ook al was hij niet meer in dienst van de werkgever (en dus verzekerd voor de ZW) op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.


Ex-werknemer verwijst naar een uitspraak van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, van 23 december 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:7049).


Het betreft een verschrijving. Hier moet gelezen worden “zondag”.


In de brief van 25 november 2025 geeft eiseres nog aan dat de CAO niet onduidelijk is en dat daarin, met instemming van de vakbonden namens de werknemers, is neergelegd wanneer een arbeidsovereenkomst eindigt.


Uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 1981, nr. 11647, NJ 1981, 635 (Haviltex).


ECLI:NL:HR:2004:AO1427.


ECLI:NL:HR:2007:AZ3178.


Namelijk van
- maandag 21 februari 2022 in week 8 tot en met zondag 20 maart 2022 in week 11 (2e arbeidsovereenkomst),
- de maandag in week 12 tot en met de zondag in week 15 (3e arbeidsovereenkomst),
- de maandag in week 16 tot en met de zondag in week 19 (4e arbeidsovereenkomst),
- de maandag in week 20 tot en met de zondag in week 23 (5e arbeidsovereenkomst),
- de maandag in week 24 tot en met de zondag in week 27 (6e arbeidsovereenkomst),
- en tot slot de maandag in week 28 tot en met de zondag in week 31 (7e arbeidsovereenkomst).
Link naar deze uitspraak