Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:5130 
 
Datum uitspraak:16-04-2026
Datum gepubliceerd:04-05-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:NL:TZ:2607581:R-RK – NL
Rechtsgebied:Insolventierecht
Indicatie:Moratorium toegewezen. Huurtermijnen van februari, maart en april 2026 zijn voldaan. Daarnaast staat verzoeker onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Moratorium toegewezen. Huurtermijnen van februari, maart en april 2026 zijn voldaan. Daarnaast staat verzoeker onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.
Trefwoorden:huurovereenkomst
uitkering
zorgtoeslag
Wetreferenties:Faillissementswet 284
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer]


Uitspraak van 16 april 2026


In de zaak van



[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], [geboorteland],
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
verzoeker.




1De procedure

Verzoeker heeft op 25 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 26 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 8 april 2026.

Ter zitting van 8 april 2026 zijn verschenen en gehoord:


verzoeker;


mevrouw S. Ramlal, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);


de heer A. Afkeran, werkzaam bij Erasmus Bewindvoering (hierna: beschermingsbewindvoerder);



[naam], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).



De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.




2Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Verzoeker is sinds november 2025 werkloos. De aanvraag voor een WW-uitkering van verzoeker is afgewezen. Sinds kort ontvangt verzoeker een Participatiewet-uitkering, die met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2025 is toegekend. Daarnaast ontvangt verzoeker huur- en zorgtoeslag van € 523,- respectievelijk € 129,- per maand. De huur bedraagt € 1.091,30 per maand. De huurtermijnen van februari, maart en april 2026 zijn betaald. Daarnaast staat verzoeker onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
3. Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard dat sprake is van een totale huurachterstand van € 15.862,45. De huurtermijnen van februari, maart en april 2026 zijn voldaan, maar verweerster vraagt zich af in hoeverre de betaling van de lopende huurtermijnen is gewaarborgd, gelet op de inkomsten van verzoeker in relatie tot de huur. Tijdens de zitting heeft verweerster verzoeker erop gewezen dat hij een urgentieverklaring kan aanvragen voor het vinden van andere woonruimte op basis van te hoge woonlasten en dat als die urgentieverklaring wordt afgegeven, verzoeker mogelijk ook in aanmerking kan komen voor periodieke woonkostentoeslag. Verweerster merkt op dat dit met een toewijzing van het moratorium voor verzoeker een laatste kans is om in zijn huurwoning te kunnen blijven wonen.




4De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 11 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 30 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 september 2025 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt inkomen uit een Participatiewet-uitkering. Ook ontvangt verzoeker huur- en zorgtoeslag. Het inkomen is volgens het ter zitting overgelegde budgetplan – net – voldoende om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Ook zijn de huurtermijnen van februari, maart en april 2026 voldaan.

Ter zitting is de verhouding tussen het inkomen van verzoeker en de hoogte van de huurtermijnen besproken. Naar het oordeel van de rechtbank is het budgetplan van verzoeker erg kwetsbaar. Nu het budgetplan (nog) positief is, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om te oordelen dat verzoeker de lopende huurtermijnen niet kan voldoen.
De rechtbank benadrukt dat essentieel voor verzoeker is dat hij een urgentieverklaring zal aanvragen op basis van zijn hoge woonlasten en op zoek gaat naar andere, goedkopere woonruimte. Ter zitting hebben verzoeker en zijn beschermingsbewindvoerder verklaard de urgentieaanvraag in gang te zullen zetten.

Daarnaast staat verzoeker onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.




5De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 26 maart 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
Link naar deze uitspraak