Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:500 
 
Datum uitspraak:29-04-2026
Datum gepubliceerd:04-05-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:24/1764 WIA
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Herziening en terugvordering bruto onverschuldigd betaalde WIA-uitkering. Boete. Aannemelijk dat op geld waardeerbare werkzaamheden zijn verricht zonder dit te melden bij het UWV. Schending inlichtingenplicht. Alle relevante feiten, zowel de oorzaak als de gevolgen van de herziening en terugvordering als het handelen UWV, zijn bij beoordeling van de de dringende reden afdoende meegewogen.
Trefwoorden:dagloon
minimumloon
uitkering
 
Uitspraak
24/1764 WIA


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2024, 23/5441 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)






Datum uitspraak: 29 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant over de periode van 1 maart 2015 tot en met 30 september 2022 heeft herzien en over deze periode een bedrag van € 19.445,57 bruto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant heeft teruggevorderd. Ook gaat het over de vraag of het Uwv appellant terecht een boete van € 1.040,- heeft opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend.




PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Okan.




OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als technical plant supervisor voor gemiddeld 59,83 uur per week. Op 1 september 2007 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Bij besluit van 23 november 2009 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 12 september 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft het Uwv deze uitkering per 19 februari 2011 omgezet naar een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven.



1.2.
Naar aanleiding van het feit dat appellant op 19 mei 2022 was aangetroffen bij een ‘integrale controle’ in één van de panden van [naam bedrijf] te [vestigingsplaats] , het bedrijf van de neef van appellant, heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte WIA-uitkering. In dat kader heeft het Uwv onder meer dossieronderzoek verricht, bankafschriften opgevraagd en informatie opgevraagd bij de afdeling Sociaal Medische Zaken van het Uwv en bij de Belastingdienst. Verder heeft op 15 augustus 2022 een gesprek plaatsgevonden met appellant. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 26 september 2022 (Onderzoeksrapport). Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het Uwv de volgende besluiten genomen.



1.3.
Bij besluit van 16 maart 2023 (primair besluit 1) heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant over de periode van 1 november 2013 tot en met 30 september 2022 herzien en een bedrag van € 22.570,43 bruto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 16 maart 2023 (primair besluit 2) heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 1.040,- wegens schending van zijn inlichtingenverplichting.



1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 19 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen primair besluit 1 gegrond verklaard en het bezwaar tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het gewijzigde standpunt gesteld dat onvoldoende is komen vast te staan dat appellant over de periode van 1 november 2013 tot en met 28 februari 2015 werkzaamheden heeft verricht. Het Uwv heeft daarom de begindatum van de herziening gewijzigd in 1 maart 2015, waarbij het Uwv heeft aangesloten bij het laatste wijzigingsformulier (van 9 november 2022) waarop appellant heeft vermeld dat hij vanaf 1 maart 2015 tien uur per week vrijwilligerswerk is gaan doen bij [naam bedrijf] . Het Uwv heeft het bedrag aan onverschuldigd betaalde WIAuitkering nader vastgesteld op € 19.445,57 bruto.



Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, op basis van wat appellant heeft verklaard bij het Uwv en ter zitting van de rechtbank, geoordeeld dat appellant werkzaamheden heeft verricht die in het economisch verkeer een op geld waardeerbare loonwaarde vertegenwoordigen. De omstandigheid dat appellant hier nooit voor betaald heeft gekregen maakt dit niet anders. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat hij niet in staat was tot het verrichten van werkzaamheden die in het economisch verkeer een op geld waardeerbare loonwaarde vertegenwoordigen en dat hij niet in staat is om deel te nemen aan het arbeidsproces. Volgens de rechtbank had appellant het Uwv moeten inlichten over zijn werkzaamheden bij het bedrijf van zijn neef. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat appellant bij het Uwv navraag heeft gedaan of de werkzaamheden die hij zou gaan verrichten, op grond van de bij het Uwv geldende regels, als vrijwilligerswerk zijn aan te merken. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat het door appellant genoemde wijzigingsformulier, dat hij op enig moment zou hebben ingevuld en opgestuurd, niet bekend is bij het Uwv. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Het Uwv heeft daarom terecht een boete opgelegd.


Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank zijn psychische klachten onvoldoende heeft betrokken in de beoordeling. In dat kader heeft hij erop gewezen dat hij vanwege zijn psychische klachten van zijn huisarts en psycholoog naar buiten moest.


Het standpunt van het Uwv


4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



5.2.
Het besluit tot herziening en terugvordering van de WIA-uitkering van appellant is een belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.



5.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellant heeft over deze werkzaamheden op 15 augustus 2022 een verklaring afgelegd, die hij op die dag voor ontvangst heeft getekend. Vervolgens heeft appellant deze verklaring, met daarop een enkele opmerking, op 17 augustus 2022 voor akkoord ondertekend en geretourneerd aan het Uwv. Uit deze verklaring blijkt dat appellant op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Zo ruimde appellant de rommel op die monteurs achterlieten, probeerde hij de olie op te ruimen, veegde hij de vloer aan en ordende hij spullen. Ook reorganiseerde hij wel eens de inhoud van de kasten of lades, maakte wel eens een praatje met klanten en bood ze koffie of thee aan, keek – omdat hij technisch is aangelegd – wel eens mee met monteurs die aan het werk waren en gaf advies of tips. Verder hielp hij met het leegmaken van een ruimte waarin af en toe feestjes werden georganiseerd. Daarmee was hij soms drie uur bezig. Ook maakte appellant apparaten die verhuurd werden schoon. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij in verband met zijn psychische klachten niet in staat was om werkzaamheden te verrichten en dat hij met wat hij deed bij zijn neef slechts het advies van zijn huisarts en psycholoog opvolgde om naar buiten te gaan, maar appellant heeft deze stelling ook in hoger beroep niet onderbouwd met medische informatie. Appellant had deze werkzaamheden bij het Uwv moeten melden. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden kan immers onder omstandigheden gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering omdat de (geschatte) inkomsten uit die werkzaamheden gelden als inkomen als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA. Daarnaast kan het verrichten van dergelijke werkzaamheden gevolgen hebben voor het recht op uitkering omdat dergelijke werkzaamheden relevant kunnen zijn voor (de beoordeling van) de medische situatie en belastbaarheid van appellant. Appellant heeft de werkzaamheden niet bij het Uwv gemeld, en daardoor de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA geschonden.



5.4.
Door die schending van de inlichtingenverplichting is de uitkering van appellant te hoog vastgesteld. De door appellant verrichte werkzaamheden zijn, mede gelet op de aard ervan, op geld waardeerbaar. Uit de op 15 augustus 2022 afgelegde verklaring blijkt dat appellant weliswaar geen geld verdiende met deze werkzaamheden, maar wel bijvoorbeeld eten of een overhemd kreeg, en dat zijn neef hem ook op een andere manier hielp. Ter zitting van de Raad heeft appellant nog aanvullend verklaard dat hij tijdens zijn werkzaamheden mee kon eten, omdat zijn neef daar kookte. Daarmee heeft appellant direct voordeel gehad dat als inkomen zoals bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA kan worden aangemerkt.



5.5.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het Uwv in een geval als het onderhavige, waarin appellant geen concrete, verifieerbare gegevens over zijn werkzaamheden en inkomen heeft verschaft, bevoegd om dat inkomen schattenderwijs vast te stellen. Appellant heeft ook in hoger beroep geen stukken overgelegd waaruit op verifieerbare wijze de omvang van de werkzaamheden of het inkomen blijkt. Daarom mocht het Uwv het inkomen van appellant schatten. Geoordeeld wordt dat de schatting van het Uwv, waarbij is uitgegaan van tien uur per week en het wettelijk minimumloon, voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat het aantal gewerkte uren per week van appellant wordt geschat op tien uur per week.



5.6.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in dit geval zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de herziening en terugvordering alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. De oorzaak van de herziening en terugvordering valt aan appellant te wijten en het Uwv heeft voldoende adequaat en voortvarend gehandeld. Gesteld noch gebleken is dat een dringende reden gelegen is in de medische klachten van appellant en de financiële gevolgen die de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering voor hem hebben gehad. In dit kader is ook van belang dat, zoals het Uwv ter zitting van de Raad heeft toegelicht, in januari 2025 een betalingsregeling met appellant is overeengekomen en dat appellant, één maand uitgezonderd, maandelijks betaalt.



5.7.
Volgens vaste rechtspraak is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Met het Onderzoeksrapport van 26 september 2022 en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksbevindingen heeft het Uwv aangetoond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad is van oordeel dat de opgelegde boete van € 1.040,- evenredig is.





Conclusie en gevolgen


5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.


(getekend) H.G. Rottier



(getekend) N. Gios




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA

De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.


Artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA

De loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand:
a. 0,75 x (A-B x C/D) over de eerste twee maanden waarin het recht op uitkering bestaat; en
b. 0,7 x (A-B x C/D) vanaf de derde maand waarin het recht op uitkering bestaat. Hierbij staat:
- A voor het maandloon;
- B voor het inkomen per kalendermaand;
- C voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is berekend;
- D voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.


Artikel 76, eerste en derde lid, van de Wet WIA

1. Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, of 35 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
3. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

Artikel 77, eerste en zesde lid, van de Wet WIA

1. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.

6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.


Artikel 91, eerste en achtste lid, van de Wet WIA

1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

8. Het UWV kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2708.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:184.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 28 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1824 en 23 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2025.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:470.
Link naar deze uitspraak