Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:5133 
 
Datum uitspraak:13-03-2026
Datum gepubliceerd:04-05-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 24/2639
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Bestaat er recht op een dwangsom? Is de termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar verdaagd? Zijn er afspraken gemaakt over de ingebrekestelling en op welke datum is in gebreke gesteld?
Trefwoorden:woz waarde
woz-beschikking
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2639


uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen




[eiser], uit Rotterdam, eiser
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),

en



de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam
(gemachtigde: mr. E. van Wessel).



Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 23 april 2024.


1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres 1] op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 248.000,-.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tevens is een beslissing genomen over een dwangsom.



1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Partijen hebben nadere stukken overgelegd.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig (niet gevoegd) met 128 andere zaken waarin mr. J.W. Vugts als gemachtigde optreedt. Hieraan hebben deelgenomen: mr. J.W. Vugts en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld van [naam 1] en taxateur [naam 2].




Feiten

2. Het bezwaarschrift is in 2023 ontvangen.

3. De heffingsambtenaar heeft een verdagingsbrief gedateerd 31 december 2023 (hierna: de verdagingsbrief), voorzien van een bijlage, verstuurd naar de gemachtigde van eiser. Deze brief is vóór eind 2023 op het kantoor van de gemachtigde ontvangen.

4. De gemachtigde van eiser heeft een ingebrekestelling gedateerd 23 januari 2024 aangetekend verzonden naar het adres [adres 2], die daar op
26 januari 2024 in ontvangst is genomen.



Beoordeling door de rechtbank


Het geding



Artikel 40 WOZ

5. Eiser stelt voor het eerst in de reactie op het verweerschrift van 20 november 2025 (die is ingediend in 129 zaken die tegelijk zijn behandeld) in algemene bewoordingen dat de KOUDVL-factoren niet zijn verstrekt door de heffingsambtenaar. Eiser heeft dit niet nader geconcretiseerd, ook niet op de zitting. De heffingsambtenaar stelt zich primair op het standpunt dat het pas in zo’n laat stadium naar voren brengen van deze beroepsgrond in strijd met de goede procesorde is. Subsidiair stelt de heffingsambtenaar dat de stukken conform de werkafspraken aan de gemachtigde van eiser zijn verstrekt. Als onderbouwing daarvan is een e-mailwisseling overgelegd waaruit blijkt dat de onderbouwende stukken, waaronder de KOUDVL-factoren, voorafgaand aan de hoorzitting van 12 juli 2023 zijn verstrekt.

6. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van strijd met de goede procesorde omdat het een beroepsgrond betreft waarop de heffingsambtenaar, ondanks het late tijdstip van het aanvoeren daarvan, geacht mag worden te kunnen reageren. Dat is in dit geval ook gebleken. De gemotiveerde stelling van de heffingsambtenaar dat de gevraagde informatie is verstrekt, is door eiser op geen enkele wijze weersproken. De rechtbank ziet ook op grond van het dossier geen aanleiding om aan de stelling van de heffingsambtenaar te twijfelen.

7. Deze beroepsgrond slaagt niet.


De waarde

8. In het beroepschrift zijn uitsluitend gronden opgenomen die zien op het wel of niet toekennen van een dwangsom, dan wel over de hoogte daarvan. Pas in de reactie op het verweerschrift van 20 november 2025 (die is ingediend in 129 zaken die tegelijk zijn behandeld) wordt (ook) in algemene bewoordingen betoogd dat de WOZ-waarde moet worden verlaagd, waarbij voor de argumentatie wordt volstaan met een verwijzing naar het bezwaarschrift.

9. De rechtbank gaat aan deze grond voorbij. In de eerste plaats vindt de rechtbank het in strijd met de goede procesorde om in dit late stadium voor het eerst een inhoudelijke beroepsgrond over de waarde naar voren te brengen. Van de heffingsambtenaar kan dan niet meer worden verwacht om hier gemotiveerd op te reageren. Al zou de rechtbank de beroepsgrond wel bij de beoordeling betrekken, dan komt daar bovendien nog bij dat de gemachtigde heeft nagelaten om deze inhoudelijke grond op welke wijze dan ook te concretiseren. Het enkel verwijzen naar het ingediende bezwaarschrift acht de rechtbank niet toereikend. Op z’n minst mocht van eiser worden verwacht om aan te geven waarom in de onderhavige uitspraak op bezwaar niet dan wel onvoldoende aan zijn bezwaar tegemoet is gekomen.


Dwangsom

10. Eiser voert aan dat hij recht heeft op een dwangsom van € 1.442,-, omdat niet tijdig op zijn bezwaar is beslist.

11. Volgens de heffingsambtenaar heeft hij de beslistermijn die eindigde op 31 december 2023 met zes weken verdaagd, waardoor hij uiterlijk 12 februari 2024 een beslissing moest nemen. De ingebrekestelling van eiser van 23 januari 2024 was daarom prematuur.


Is de termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar verdaagd?

12. De heffingsambtenaar moet binnen het kalenderjaar waarin een bezwaar is ingediend beslissen op dat bezwaar. De heffingsambtenaar kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen. Daarvan moet de heffingsambtenaar schriftelijk mededeling doen aan belanghebbende.

13. Voor de geldigheid van een verdagingsbesluit is nodig dat het verdagingsbesluit in werking is getreden voor het einde van de beslistermijn. Een verdagingsbesluit treedt op grond van artikel 3:40 en 3:41, eerste lid, van de Awb, in werking nadat het aan een belanghebbende is toegezonden of uitgereikt.
Daarbij geldt ook dat een verdagingsbesluit voldoende duidelijk en concreet moet zijn.

14. Eiser voert aan dat hij de verdagingsbrief voor het einde van 2023 heeft ontvangen, maar daaruit is niet gebleken dat de verdaging betrekking had op zijn bezwaar. De bijlage bij de verdagingsbrief bevatte maar twee vorderingsnummers die hij niet thuis kon brengen. In ieder geval bevatte de bijlage geen vorderingsnummer dat op zijn bezwaar betrekking had.
14. De heffingsambtenaar stelt dat bij de verdagingsbrief een bijlage zat met daarop 157 vorderingsnummers, waaronder het vorderingsnummer van deze zaak. Verder stelt de heffingsambtenaar dat zelfs als de verkeerde bijlage bij de verdagingsbrief zat, de beslistermijn gelet op de tekst van de brief rechtsgeldig is verlengd. Bovendien had de gemachtigde van eiser gelet op deze tekst navraag moeten doen bij een kennelijk foutieve brief, aldus de heffingsambtenaar.


Is de (tekst van) de verdagingsbrief zelf voldoende duidelijk?

16. De rechtbank beoordeelt eerst de vraag of de tekst van de verdagingsbrief op zichzelf, dus zonder de bijlage, voldoende duidelijk is om te gelden als verdagingsbesluit in deze zaak.

17. Het onderwerp van de verdagingsbrief is:
“uitstel beslistermijn bezwaarschriften ontvangen in kalenderjaar 2023”

In de brief staat verder onder andere:

“Middels dit schrijven berichten wij u dat de beslistermijn is verdaagd met zes weken, voor de aanslagen genoemd in de bijlage.


Zonder uitdrukkelijk tegenbericht gaan wij ervan uit dat bijgevoegd overzicht van openstaande bezwaarschriften compleet is. Mochten er bezwaarschriften op deze lijst ontbreken verzoeken wij u dit per omgaande te melden, bij voorkeur door een kopie van het bezwaarschrift en de ontvangstbevestiging bij te voegen.“

18. In dit geval heeft de verdagingsbrief dus betrekking op een niet nader genoemd aantal bezwaarschriften, ontvangen in kalenderjaar 2023. Met de zinsnede “bezwaarschriften ontvangen in kalenderjaar 2023” is op zich onvoldoende duidelijk gemaakt op welke zaken de verdaging ziet. Temeer nu in de brief wordt verwezen naar de aanslagen die zijn opgenomen in de bijlage. Hieruit valt af te leiden dat de brief in samenhang met de bijlage moet worden gelezen en die bijlage dus relevant is voor de bezwaarschriften waarnaar wordt verwezen.

19. Het is aan de heffingsambtenaar om de zaken waarop de verdaging ziet, zo concreet te benoemen dat daarover geen misverstand kan bestaan. Hij kan niet de verantwoordelijkheid daarvoor bij (de gemachtigde van) een belanghebbende leggen, bijvoorbeeld door te vragen te reageren als er zaken op een lijst ontbreken, nog daargelaten dat de tijd daarvoor in dit geval ontbrak omdat de verdagingsbrief is gedateerd op 31 december 2023 en is verstuurd in de periode rond de feestdagen.

20. Dit betekent dat op de tekst van de brief zelf geen verdaging in deze concrete zaak kan worden gebaseerd. Voor een geldige verdaging dient een bijlage bij deze brief te zitten met de naam of het zaaknummer van deze zaak.


Is de juiste bijlage bij de verdagingsbrief gevoegd?

21. Eiser betwist dat bij de verdagingsbrief een bijlage zat waarop 157 zaaknummers stonden, waaronder het nummer in deze zaak. Volgens eiser bevatte de bijlage slechts twee vorderingsnummers. Ter onderbouwing van zijn stelling legt eiser een kopie over van de brief en een bijlage met twee vorderingsnummers en communicatie (vanaf 2 januari 2024) van medewerkers van het kantoor van zijn gemachtigde gericht aan de heffingsambtenaar waarin specifiek naar de verdaging van deze vorderingsnummers wordt gevraagd omdat deze niet horen bij zaken die bij deze gemachtigde bekend zijn.

22. Gezien deze gemotiveerde betwisting, die vanwege de onderbouwing daarvan op voorhand niet ongeloofwaardig is, is het aan de heffingsambtenaar aannemelijk te maken dat de juiste bijlage bij de verdagingsbrief zat. Hierin is hij niet geslaagd. De heffingsambtenaar heeft op geen enkele manier aannemelijk kunnen maken dat de juiste bijlage bij de verdagingsbrief was gevoegd. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard ook geen verzendadministratie te kunnen overleggen van de verdagingsbrief omdat deze door de administratie niet op de gebruikelijke manier is vastgelegd. Er is intern alleen een bevestiging gegeven dat deze is verstuurd. De heffingsambtenaar stelt voor wat betreft de bijlage dat in zijn systeem achter de verdagingsbrief wel de juiste bijlage zit. Dat blijkt ook uit het feit dat deze op 30 januari 2024 wederom is toegezonden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank, tegenover de gemotiveerde betwisting, echter onvoldoende.


23. De heffingsambtenaar heeft verder ter zitting verklaard dat wat hij heeft gesteld over de werkafspraken met de gemachtigde van eiser, niet ziet op het verdagingsbesluit, maar op de ingebrekestellingen. Wat de heffingsambtenaar daarover in zijn verweerschriften heeft betoogd hoeft hier dan ook geen bespreking.

24. Het voorgaande betekent dat het verdagingsbesluit niet in werking is getreden.


Is de termijn voor het doen van een uitspraak op het bezwaar op grond van artikel 7:10, vierde lid van de Awb met een maand verlengd?

25. De heffingsambtenaar stelt dat uit een e-mailbericht van 12 april 2023 van de gemachtigde van eiser volgt dat is ingestemd met de verlenging van de termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar met een maand, zodat de beslistermijn met toepassing van artikel 7:10, vierde lid en onder a van de Awb op 31 januari 2024 eindigde.

26. De rechtbank stelt vast dat de e-mail van 12 april 2023 een e-mail is in een reeks van e-mails over werkafspraken en het inplannen van een hoorzitting. De e-mail van 12 april 2023 luidt als volgt:

“Geachte [naam 3],


Ik kan anders wel met u een afspraak maken en dit op papier vastleggen dat wij tijdens een beroepsprocedure geen aanspraak zullen maken op een immateriële schadevergoeding vanwege het lange proces. Wij hebben dit eigenlijk ook nog nooit gedaan. Zou dat voor u houvast bieden? Wij zijn ook niet uit op dergelijke vergoedingen en praktijken. Ik heb geen enkele moeite om dit in de werkafspraken te verwerken. Ik heb hiervoor reeds toestemming van de bedrijfsleider.



Is dan de zitting op mijn datum van 12 juli een mogelijkheid?



Ik hoor het graag van u.”

Duidelijk is dat deze e-mail ziet op het plannen van een hoorzitting, waarbij geldt dat als de hoorzitting later wordt gepland, geen beroep zal worden gedaan op schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Daarmee is niet ingestemd met een verlenging van de beslistermijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar.

27. De slotsom is dat de termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar eindigde op 31 december 2023.


Heeft eiser recht op een dwangsom?

28. Eiser voert aan dat hij recht heeft op een dwangsom van € 1.442,-. De heffingsambtenaar stelt dat hij in het geheel geen dwangsom is verschuldigd. Daartoe voert hij aan dat op basis van gemaakte werkafspraken, eiser eerst op een informele manier contact op had moeten nemen voordat hij een ingebrekestelling indiende en eerst een notificatie of vooraankondiging aan de heffingsambtenaar had moeten sturen. Daarnaast konden ingebrekestellingen op grond van de werkafspraken volgens de heffingsambtenaar enkel per e-mail worden verstuurd.



Zijn er afspraken gemaakt over de ingebrekestelling?


29. In het dossier bevindt zich een document van 8 december 2022 genaamd:
“Overeenkomst inzake de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar per mail onder strikte voorwaarden tussen de directeur Belastingen Rotterdam en Kosteloosbezwaar.nl”

Het document is door beide partijen ondertekend. In artikel 1 staat:
1. Gemachtigde kan zijn bezwaar indienen per mail uitsluitend op het door
Belastingen Rotterdam ter beschikking gestelde emailadres.
2. Partijen zijn overeengekomen gedurende de duur van deze overeenkomst geen
originele bezwaarschriften per post te verzenden.
3. Inboeken vindt plaats op basis van ontvangst van de mail en dan volgt afhandeling
het reguliere proces.

In artikel 3, vijfde lid staat:

Bij een ingebrekestelling vermeldt gemachtigde altijd in de onderwerp regel,


INGEBREKESTELLING en het aanslagnummer.


In artikel 4 staat:
1. Partijen komen bovengenoemde werkwijze overeen voor de periode 1 januari 2023
tot en met 31 december 2023.
2. Indien er in de tussentijd een andere wijze van digitaal bezwaar wordt
geïntroduceerd voor gemachtigden zal contact worden opgenomen.

In artikel 6, eerste lid, staat:

Deze overeenkomst eindigt van rechtswege op 31 december 2023.


In het dossier bevindt zich verder een document met dezelfde naam, door beide partijen ondertekend, maar dan met datum 15 december 2023. De bepalingen zijn hetzelfde, alleen staat in artikel 4, eerste lid:

Partijen komen bovengenoemde werkwijze overeen voor de periode 1 januari 2024


tot en met 31 december 2024.

En in artikel 6, eerste lid, staat:

Deze overeenkomst eindigt van rechtswege op 31 december 2024.


30. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt vloeit uit de hiervoor genoemde documenten niet voort dat de ingebrekestellingen enkel per e-mail ingediend kunnen worden. De overeenkomst ziet, zoals de titel van de overeenkomst vermeldt, op de mogelijkheid voor het indienen van bezwaarschriften per e-mail. Dat de ingebrekestelling wordt genoemd in artikel 3, vijfde lid is onvoldoende om de bepaling zo uit te leggen dat daarmee is beoogd om een gemachtigde te verplichten een ingebrekestelling per e-mail in te dienen. Een ingebrekestelling is het rechtsmiddel om een beslissing op bezwaar af te dwingen, wanneer een beslistermijn is overschreden. Om de wijze waarop hiervan gebruik kan worden gemaakt te beperken, moet duidelijk en zonder voorbehoud in een overeenkomst staan dat een belanghebbende dit slechts op één bepaalde wijze kan doen.

31. Verder bevindt zich in het dossier een document genaamd: Werkafspraken NCNP 2023 – Belastingen Rotterdam.

Hierin staat onder meer:

Hoorzittingen


▪ De hoorzittingen zullen schriftelijk plaatsvinden in de maand juni tegen een


proceskostenvergoeding van 1 punt voor de hoorzitting bij een gegrond bezwaar.


Gemeente Rotterdam ontvangt uiterlijk 30 juni de nadere motivatie van de


bezwaarschriften. Op deze wijze wordt voor belastingjaar 2023 invulling gegeven aan de


hoorzittingen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat hieraan geen rechten ontleent


kunnen worden voor toekomstige hoorzittingen.



Procedurele fouten

▪ In het geval van procedurele fouten of een afwijking in de kostenvergoeding in de

uitspraak op bezwaar, neemt gemachtigde eerst informeel contact op met gemeente


Rotterdam om dit op te lossen, met als doel een beroepszaak te voorkomen. Procedurele


fouten hebben nimmer betrekking op het verstrekken van de conform artikel 40 wet WOZ


en artikel 7:4 Awb. alle op de zaak betrekking hebbende stukken.



Herstelfase vóór ingebrekestelling


▪ Voordat de gemachtigde gebruik maakt van het in artikel 6:12 genoemde recht om de


gemeente in gebreke te stellen indien sprake is van het niet tijdig toezenden van de


uitspraak op bezwaar, stuurt de gemachtigde eerst een notificatie/vooraankondiging


aan de gemeente. Hierbij wordt de heffingsambtenaar in kennis gesteld dat 1 week de


heffingsambtenaar in gebreke zal worden gesteld gerekend vanaf de dagtekening van de


aankondiging.


▪ Indien nog proceshandelingen (zoals een hoorzitting of toezending van informatie door


de gemeente) verricht moeten worden, dragen de gemachtigde en de gemeente ervoor


zorg dat deze binnen 1 week na de in het eerste lid bedoelde notificatie voltooid zijn.


Gemachtigde levert reeds bij het indienen van het bezwaar alle voor de behandeling van


het bezwaar verdere relevante gegevens en informatie aan.


32. Dit document is op 7 februari 2023 naar de gemachtigde van eiser gemaild. Daarop is door de gemachtigde van eiser als volgt gereageerd:


Geachte [naam 3],



Bedankt voor de toezending. Ik heb kennisgenomen van de werkafspraken en heb nog de volgende vragen/opmerkingen:


(….)


Wij beperken niet onze rechten om beroep in te dienen of om een ingebrekestelling te sturen.



(…).


Over een ingebrekestelling is het in de e-mails daarna niet meer gegaan.

33. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt volgt uit de werkafspraken niet dat voordat een ingebrekestelling wordt verstuurd, eerst een notificatie door de gemachtigde van eiser verstuurd moet worden. Zoals overwogen is het recht om een ingebrekestelling te sturen nadat een bestuursorgaan zich niet aan een beslistermijn heeft gehouden een belangrijk rechtsmiddel. Hiervan kan enkel worden afgeweken als dit zonder voorbehoud wordt overeengekomen. In dit geval heeft de gemachtigde van eiser de heffingsambtenaar schriftelijk te kennen gegeven dat hij zijn rechten om een ingebrekestelling te sturen niet laat inperken. De heffingsambtenaar komt hier vervolgens niet meer op terug. Gelet op deze gang van zaken moet het ervoor worden gehouden dat de gemachtigde van eiser niet heeft ingestemd met dit onderdeel van de werkafspraken, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar niet volgt in zijn standpunt dat de gemachtigde van eiser is gehouden aan het gedeelte van de werkafspraken onder de kop Herstelfase vóór ingebrekestelling.

34. In het dossier bevindt zich ook nog een document genoemd:
Werkafspraken NCNP 2024 – Belastingen Rotterdam

Inhoudelijk is het document hetzelfde als voor 2023. Bij e-mailbericht van 22 mei 2024 reageert de gemachtigde van eiser hierop met de opmerking dat hij niet akkoord gaat met onder meer de bepalingen over ‘Procedurele fouten’ ‘Herstelfase vóór ingebrekestelling’ en ‘Herstelfase vóór beroepsprocedure’. Op 16 juli 2024 reageert de heffingsambtenaar dat de opmerking genoteerd is.

35. Ook ten aanzien van de werkafspraken voor 2024 heeft de gemachtigde van eiser duidelijk verklaard niet af te zien van zijn recht om een ingebrekestelling te sturen. Daargelaten of de werkafspraken voor 2023 enkel zien op het jaar 2023 of op alle handelingen die zijn gedaan in een dossier dat is begonnen met een bezwaarschrift in 2023, blijkt niet dat de gemachtigde van eiser heeft afgezien van zijn recht om een ingebrekestelling in te dienen.
De heffingsambtenaar wijst erop dat in de werkafspraken staat dat procedurele fouten informeel worden opgelost, maar het niet halen van een beslistermijn valt daar naar het oordeel van de rechtbank niet onder. Het recht op het sturen van een ingebrekestelling blijft ook met deze alinea uit de werkafspraken, bestaan.

36. Van een situatie als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, waar de heffingsambtenaar naar heeft verwezen, is geen sprake, omdat in die procedure sprake was van een toezegging die door een gemachtigde niet werd nagekomen, maar dat is hier niet het geval.

37. De slotsom is dat de gemachtigde van eiser niet gehouden was voorafgaand aan de ingebrekestelling een notificatie te sturen, noch was hij verplicht die ingebrekestelling per e-mail te verzenden.


Op welke datum is in gebreke gesteld?

38. Gelet op wat over het verdagingsbesluit is overwogen, staat vast dat de heffingsambtenaar uiterlijk 31 december 2023 op het bezwaar van eiser had moeten beslissen, zodat de ingebrekestelling van 23 januari 2024 niet prematuur is. Deze is op 26 januari 2024 op het adres [adres 2] ontvangen. Op de ingebrekestelling staat als datum van ontvangst een stempel van de heffingsambtenaar met daarop 30 januari 2024.

39. De heffingsambtenaar betoogt dat de ingebrekestelling niet naar het adres [adres 2] had moeten worden gestuurd, omdat dit niet het adres van de heffingsambtenaar is en de gemachtigde van eiser dat had moeten weten. Dit betekent dat uit moeten worden gegaan van 30 januari 2024 als ontvangstdatum van de ingebrekestelling, de datum dat deze bij de heffingsambtenaar is binnengekomen en niet 26 januari 2024, de datum dat de ingebrekestelling op [adres 2] is ontvangen. Daarnaast worden uitspraken op bezwaar steeds tien dagen of twee weken later gedagtekend dan dat ze daadwerkelijk worden verstuurd. Volgens de heffingsambtenaar leidt dat ertoe dat hij eiser geen dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd.

40. Indien de uitspraak op bezwaar niet tijdig wordt gedaan is de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd aan eiser voor elke dag dat hij in gebreke is. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het doen van de uitspraak op bezwaar is verstreken en de heffingsambtenaar van eiser een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

41. Het betoog van de heffingsambtenaar over de volgens hem foutieve verzending naar [adres 2] kan hem niet baten. Zelfs indien de rechtbank uitgaat van een ontvangstdatum van 30 januari 2024, had de heffingsambtenaar uiterlijk 13 februari 2024 moeten beslissen op het bezwaar. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 23 april 2024. Dat is meer dan 42 dagen na de beslistermijn, zodat de volledige dwangsom van € 1.442,- is verbeurd.
Voor zover de heffingsambtenaar stelt dat moet worden uitgegaan van een verzenddatum die tien of veertien dagen eerder ligt dat de datum van dagtekening, wijst de rechtbank erop dat de heffingsambtenaar deze stelling niet heeft onderbouwd met een verzendadministratie. Ook als de heffingsambtenaar wordt gevolgd in zijn stelling en de uitspraak op bezwaar van 23 april 2024 twee weken eerder is verzonden, dus op 9 april 2024, geldt nog steeds dat de volledige dwangsom verbeurd is.

42. De conclusie is dat eiser recht heeft op een dwangsom van € 1.442,-.


Eén dwangsom wegens samenhang?

43. De heffingsambtenaar stelt dat in de gelijktijdig behandelde zaken sprake is van dusdanige samenhang dat een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich mee brengt dat het bestuursorgaan slechts één dwangsom verschuldigd is.

44. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met één dwangsom wegens samenhang tussen de zaken. Anders dan in de door de heffingsambtenaar genoemde jurisprudentie is geen sprake van meerdere dwangsomverzoeken die zijn gedaan door één belanghebbende in (inhoudelijk) samenhangende zaken. De bezwaarschriften vertonen inhoudelijk geen enkele samenhang.


Immateriële schadevergoeding

45. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is ter zitting ingetrokken.



Conclusie en gevolgen

46. Het beroep is gegrond, omdat de dwangsom onjuist is vastgesteld. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat de heffingsambtenaar een dwangsom van
€ 1.442,- aan eiser moet betalen.

47. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar de proceskosten en het griffierecht vergoeden aan eiser. De rechtbank legt hieronder uit hoe dit is berekend.


Artikel 30a Wet WOZ

48. In deze zaak is artikel 30a Wet WOZ van toepassing. De beschikking op aanvraag zoals bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, is in dit geval een bezwaar over een WOZ-beschikking. Gelet daarop is sprake van een beroep betreffende een besluit genomen op grond van de Wet WOZ en valt dit onder de reikwijdte van artikel 30a, van de Wet WOZ.


Beroepsfase

49. Op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt het bedrag dat strekt tot vergoeding van de proceskosten vermenigvuldigd met 0,25 indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd, en 0,10 in alle overige gevallen, behoudens bijzondere omstandigheden. De wetgever heeft met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.

50. Eiser voert aan dat de rechtbank artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet laten bij de berekening van de hoogte van de proceskostenveroordeling in beroep.
Anders dan eiser betoogt, is geen sprake van strijd met het discriminatieverbod. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. De stelling van de gemachtigde van eiser dat hij meer tijd heeft besteed aan deze zaak dan gebruikelijk, is hierbij, wat daar verder ook van zij, niet relevant. Bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval gaat het namelijk niet over de werkbelasting in een individuele zaak, maar over het bedrijfsmodel van de gemachtigde.


Dat betekent dat de wegingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ door de rechtbank wordt toegepast ten aanzien van de proceskosten in beroep. Omdat de WOZ-beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd, vermenigvuldigt de rechtbank het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten in beroep met 0,10.


Samenhang

51. De rechtbank beschouwt 101 zaken waarin mr. J.W. Vugts als gemachtigde optreedt in de beroepsfase als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), omdat in iedere zaak een (nagenoeg) identiek beroepschrift is ingediend. De zaken zijn ook gelijktijdig op zitting behandeld.


Conclusie ten aanzien van de proceskostenvergoeding

52. De vergoeding voor al deze zaken samen wordt dan € 280,20 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 3 december 2025, met wegingsfactor 1 én wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van meer dan 3 samenhangende zaken en een waarde per punt van € 934,-). Omdat de WOZ-beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd, vermenigvuldigt de rechtbank het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten in beroep met 0,10.
De totale proceskostenvergoeding moet over deze zaken worden verdeeld. Dat betekent dat de rechtbank de heffingsambtenaar in deze zaak zal veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van afgerond € 2,77.

53. De rechtbank is niet bevoegd om een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar van 23 april 2024 voor zover deze gaat over de dwangsom;


stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;


bepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2,77 aan proceskosten aan eiser.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, voorzitter, en mrs. C. Vogtschmidt en
J. Fransen, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf en G.L. Bolkestein, griffiers.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.













griffier


voorzitter






Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Artikel 30 lid 9 van de Wet WOZ. De uitzondering voor een bezwaar dat is ingediend in de laatste zes weken van een jaar, is hier niet van toepassing.


Artikel 7:10 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Artikel 7:10 lid 5 van de Awb.


Hoge Raad, 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:709.


Bijvoorbeeld door de namen van belanghebbenden of de zaak/vorderingsnummers op te sommen.


ECLI:NL:HR:2024:1880.


Dit staat in artikel 4:17 lid 1 van de Awb.


Dit staat in artikel 4:17 lid 3 van de Awb.


De beslistermijn uitgaande van een ontvangst van de ingebrekestelling van 30 januari 2024.


ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1870 en Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352.


Bedoeld wordt dat de WOZ-beschikking wordt vernietigd of gewijzigd, Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 12.


HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1 en 3.5.2.


HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.6.6.


ROT 24/2639, ROT 24/2645, ROT 24/2646, ROT 24/2647, ROT 24/2649, ROT 24/2650, ROT 24/2653,
ROT 24/2665, ROT 24/4932, ROT 24/4933, ROT 24/4936, ROT 24/4939, ROT 24/4940, ROT 24/4941,
ROT 24/4943, ROT 24/4945, ROT 24/4947, ROT 24/4949, ROT 24/4951, ROT 24/4955, ROT 24/4956,
ROT 24/4958, ROT 24/4961, ROT 24/4968, ROT 24/4979, ROT 24/4980, ROT 24/4981, ROT 24/4983,
ROT 24/4984, ROT 24/4985, ROT 24/4987, ROT 24/4989, ROT 24/4990, ROT 24/4992, ROT 24/4993,
ROT 24/4998, ROT 24/4999, ROT 24/5027, ROT 24/5029, ROT 24/5034, ROT 24/5036, ROT 24/5037,
ROT 24/5038, ROT 24/5039, ROT 24/5041, ROT 24/5042, ROT 24/5043, ROT 24/5045, ROT 24/5046,
ROT 24/5048, ROT 24/5052, ROT 24/5053, ROT 24/5056, ROT 24/5058, ROT 24/5059, ROT 24/5060,
ROT 24/5061, ROT 24/5064, ROT 24/5065, ROT 24/5066, ROT 24/5067, ROT 24/5068, ROT 24/5072,
ROT 24/5073, ROT 24/5074, ROT 24/5075, ROT 24/5076, ROT 24/5078, ROT 24/5079, ROT 24/5080,
ROT 24/5081, ROT 24/5082, ROT 24/5084, ROT 24/5085, ROT 24/5086, ROT 24/5087, ROT 24/5088,
ROT 24/5095, ROT 24/5096, ROT 24/5099, ROT 24/5101, ROT 24/5105, ROT 24/5107, ROT 24/5111,
ROT 24/5113, ROT 24/5114, ROT 24/5115, ROT 24/5116, ROT 24/5117, ROT 24/5118, ROT 24/5119,
ROT 24/5124, ROT 24/5125, ROT 24/5126, ROT 24/5128, ROT 24/5131, ROT 24/5132, ROT 24/5133,
ROT 24/5137, ROT 24/5138, ROT 24/5139.


HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.
Link naar deze uitspraak