|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:4926 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 24/11623 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Socialezekerheidsrechten. Beroep ongegrond. WW- en ZW-uitkeringen ingetrokken met terugwerkende kracht vanwege ontbreken dienstverband. UWV heeft onder meer gewezen op wisselende verklaringen vervoer en gebruik pinpas tijdens werkuren. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat wel sprake is van een dienstverband. Beroep op "zozeer-indruist-criterium" slaagt niet. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | uitkering | | | woon-werkverkeer | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Dordrecht, eiseres
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder
(gemachtigde: [naam 1]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eerder toegekende uitkeringen onder de sociale zekerheidswetten. Het UWV stelt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband en eiseres op die grond geen aanspraak maakt op uitkeringen onder de Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW). Eiseres is het niet eens met de intrekking en de terugvordering van de uitkeringen. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat eiseres niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Eiseres is dus geen werknemer in de zin van de WW en de ZW. Het UWV heeft de uitkeringen terecht ingetrokken en kan de teveel ontvangen uitkeringen terugvorderen. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 5 juli 2023 een WW-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 29 september 2023 is aan eiseres een WW-uitkering toegekend per 3 juli 2023 met als einddatum 2 oktober 2023.
2.1.
Eiseres heeft zich op 3 oktober 2023 ziek gemeld bij het UWV. De eerste ziektedag was 2 oktober 2023. Met het besluit van 13 november 2023 is aan eiseres een ZW-uitkering toegekend per 3 oktober 2023.
2.2.
Met twee afzonderlijke besluiten van 15 augustus 2024 is aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij ten onrechte WW- en ZW-uitkering heeft ontvangen en dat het teveel betaalde zal worden teruggevorderd. Met twee afzonderlijke besluiten van 16 augustus 2024 heeft het UWV de WW-uitkering en de ZW-uitkering met terugwerkende kracht ingetrokken. Met twee afzonderlijke besluiten van 16 augustus 2024 is de teveel ontvangen uitkering daadwerkelijk ingevorderd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de zes hiervoor genoemde besluiten.
2.3.
Met het bestreden besluit van 3 december 2024 is het UWV bij de besluiten als genoemd in 2.2. gebleven.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 2] (partner van eiseres en tevens ex-werkgever), [naam 3] als tolk en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming bestreden besluit
3. Eiseres stelt van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023 40 uur per week als schoonmaker te hebben gewerkt in een café in Rotterdam. Dit café was van haar partner, [naam 2]. Op 30 juni 2023 is het dienstverband van eiseres geëindigd. Eiseres heeft daarna eerst een WW-uitkering ontvangen en aansluitend een ZW-uitkering.
3.1.
Op 29 september 2023 is bij het UWV intern melding gemaakt van een vermoedelijke overtreding. De melding gaat over “Werken/inkomsten klant en/of partner. Fingeren verzekerde status”. In die melding is verder aangegeven dat er diverse verzoeken om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid zijn ingediend. Uit de melding volgt dat sprake is van één dienstverband van een half jaar en dat eiseres werkzaam is geweest op hetzelfde adres als haar woonadres en bij degene die ook op dat woonadres is ingeschreven. Door de melding is het UWV een rechtmatigheidsonderzoek gestart.
3.2.
In het onderzoeksrapport van 3 mei 2024 concludeert de themaonderzoeker van het UWV dat sprake is van een gefingeerd dienstverband, omdat niet wordt voldaan aan de eisen van een arbeidsovereenkomst: arbeid, loon en gezagsverhouding. De onderzoeker legt daar onder meer de volgende bevindingen aan ten grondslag:
Voor eiseres is één inkomstenverhouding zichtbaar in de polisadministratie;
De inkomstenverhouding ziet op een dienstverband bij een café waarvan de eigenaar staat ingeschreven op hetzelfde woonadres als eiseres en tevens partner is van eiseres;
Eiseres heeft voor het dienstverband 23 jaar niet gewerkt vanwege het verslechteren van haar medische situatie. Eiseres heeft ook huishoudelijke hulp ontvangen;
Eiseres heeft aangegeven te hebben gereisd met het OV van haar woning in Dordrecht naar Rotterdam. Zij heeft wisselend verklaard over de route. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van een anonieme OV-kaart die zij heeft opgeladen met cash of pin. Er zijn hiervan geen transacties zichtbaar op de bankafschriften;
Eiseres heeft verklaard ongeveer € 1.000,- te verdienen. Uit de bankafschriften volgt dat eiseres € 1.785,- uitbetaald heeft gekregen;
Maandelijks zijn in de dagen na de loonstorting bedragen tussen € 600,- en € 1.000,- opgenomen. Eiseres heeft verklaard daarmee leningen aan familie af te betalen;
Eiseres stelt dat er geen toezicht of controle was op haar werkzaamheden was; en
Eiseres stelt 40 uur per week te hebben gewerkt van maandag tot en met vrijdag van ongeveer 8.30/9.00 uur tot 16.00/16.30 uur in Rotterdam. Op 30 werkdagen zijn er op deze momenten op bankafschriften pintransacties zichtbaar in Dordrecht.
3.3.
In het document ‘Motivering objectief verwijtbaar’ van 1 juli 2024 stelt de handhavingsdeskundige van het UWV vast dat eiseres objectief verwijtbaar is. Het UWV heeft aan de hand van deze onderzoeksbevindingen vastgesteld dat eiseres geen werknemer is en niet in aanmerking komt voor een WW- en een ZW-uitkering. Dit heeft geleid tot de besluiten als opgenomen onder 2.2. Eiseres moet € 4.653,14 aan teveel ontvangen WW-uitkering en € 14.953,98 aan te veel ontvangen ZW-uitkering aan het UWV terugbetalen.
3.4.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres blijven de eerdere beslissingen in stand. Het UWV stelt zich daarbij onder meer op het standpunt dat het UWV gebruik heeft gemaakt van de wettelijke onderzoeksbevoegdheid die het UWV toekomt. Het UWV stelt zich vervolgens op het standpunt dat uit de gegevens, die het UWV heeft vergaard, volgt dat sprake is van een gefingeerd dienstverband. Het UWV stelt dat eiseres daar onvoldoende tegenover heeft gezet op grond waarvan aan de onderzoeksbevindingen moet worden getwijfeld. Het UWV ziet ook geen dringende redenen om af te zien van terugvordering van de te veel ontvangen uitkeringen.
Toetsingskader
4. Om in aanmerking te komen voor een WW- of ZW-uitkering moet de sprake zijn van een werknemer die werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. Er is een arbeidsovereenkomst als sprake is van arbeid, loon en een gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever.Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien.Het UWV trekt een WW-uitkering of een ZW-uitkering in als de uitkering ten onrechte is verleend bijvoorbeeld omdat sprake is van een gefingeerd dienstverband. In geval van dringende redenen kan van intrekking worden afgezien. Onverschuldigd betaalde uitkeringen worden teruggevorderd. In geval van dringende redenen kan van terugvordering worden afgezien.
Was er aanleiding om onderzoek te verrichten?
5. Eiseres heeft ter zitting als onderdeel van het onrechtmatig verkregen bewijs gesteld dat het UWV ten onrechte een rechtmatigheidsonderzoek is gestart, omdat de interne melding zo weinigzeggend is dat die geen onderzoek kan rechtvaardigen. Eiseres heeft aangegeven dat uit de melding niet volgt dat sprake is van een bijzonder signaal, terwijl het UWV bij het rechtmatigheidsonderzoek al direct is uitgegaan van fraude.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV in de melding zoals hiervoor onder 3.1. weergegeven voldoende aanleiding heeft kunnen zien om een rechtmatigheidsonderzoek te starten. Daarbij is van belang dat de melding niet alleen ziet op hetzelfde woonadres van de werknemer en werkgever, maar tevens op de korte duur van de verzekerde arbeid en voorafgaande arbeidsongeschiktheid en herbeoordelingsverzoeken daarvan. Het opstarten van het onderzoek kan daarom niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Het klopt dat de themaonderzoeker de interne melding van 29 september 2023 in het rapport van 3 mei 2024 en het bestreden besluit heeft aangeduid als (interne) fraudemelding. De interne melding zelf spreekt van een ‘vermoedelijke overtreding’. Wat er ook van zij, het verschil in terminologie kan aan de rechtmatigheid van de start van het onderzoek niet afdoen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de term ‘fraudemelding’ niet wezenlijk verschilt van een ‘melding van een vermoedelijke overtreding’. Ook betekent de term ‘fraudemelding’ niet dat sprake is van fraude. De melding is uitsluitend aanleiding geweest om een rechtmatigheidsonderzoek te starten en daarvoor bestond – zo blijkt uit voorgaande – voldoende aanleiding.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het onderzoek onrechtmatig uitgevoerd?
6. Eiseres stelt dat het onderzoek dat volgde op de interne melding onrechtmatig is verlopen. Zij geeft aan dat met het onderzoek een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op het recht op privéleven zoals neergelegd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Door deze schending kan het onrechtmatig verkregen bewijs niet aan de intrekking en terugvordering ten grondslag worden gelegd omdat het zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Ter zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat geen sprake is geweest van een glijdende schaal waarbij het UWV eerst informatie heeft opgevraagd bij eiseres en pas daarna onderzoek is gaan doen op grond van andere bronnen.
6.1.
Aan (de toezichthouders van) het UWV komt de bevoegdheid toe om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de uitkeringen die het UWV verstrekt. In de Awb zijn daarvoor meerdere instrumenten opgenomen waaronder het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. Daarmee is – anders dan eiseres stelt – de wettelijke grondslag voor het maken van inbreuk op het privéleven van eiseres als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM gegeven. Dat neemt niet weg dat steeds getoetst moet worden of de onderzoeksmethode niet onevenredig zwaar is ten opzichte van het hiermee nagestreefde doel (proportionaliteit) en of er geen ander, minder ingrijpend, onderzoeksmiddel voorhanden was (subsidiariteit).
6.2.
Bij het onderzoek heeft het UWV onder andere Suwinet en de UWV systemen heeft geraadpleegd, een internetonderzoek heeft verricht en informatie heeft opgevraagd bij andere partijen, zoals de gemeente Rotterdam, de Belastingdienst en de Rabobank. De rechtbank acht de gebruikte onderzoeksmethode proportioneel ten opzichte van de te dienen (economische) belangen bij het naleven van de sociale verzekeringswetten. Ook was er geen minder ingrijpend middel voorhanden. Daarbij geldt dat het UWV de bankafschriften eerst heeft opgevraagd bij eiseres zelf, zodat het UWV daar waar nodig de glijdende schaal heeft toegepast. Dat eiseres meent dat het UWV eerst haar en haar partner had moeten horen of het niet eens is met de conclusies die worden verbonden aan de bevindingen uit het onderzoek, maakt het onderzoek op zichzelf niet in strijd met het proportionaliteit- en subsidiariteitsvereiste en daarmee onrechtmatig.
6.3.
Uit rechtspraak volgt dat het uitsluiten van onrechtmatig verkregen (strafrechtelijk) bewijs op grond van het ‘zozeer-indruist-criterium’ restrictief wordt toegepast. Dat is uitsluitend aan de orde als de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van onrechtmatig onderzoek en daarmee onrechtmatig verkregen bewijs. In die situatie wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het ‘zozeer-indruist-criterium’.
6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het UWV aannemelijk gemaakt of sprake is van een gefingeerd dienstverband?
7. Het intrekken en terugvorderen van uitkeringen op grond van sociale verzekeringswetten zijn belastende besluiten. Het is aan het UWV om met feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar partner, tevens eigenaar van het café waar eiseres werkzaam was. Als het UWV daarin slaagt, is het aan eiseres om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
7.1.
De rechtbank overweegt dat het UWV met het onderzoeksrapport van 1 juli 2024 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een dienstverband. Het UWV heeft dat onder meer kunnen afleiden uit de volgende omstandigheden:
Het feit dat eiseres in de 23 jaar voorafgaand aan de start van het gestelde dienstverband niet heeft gewerkt vanwege haar verslechterende gezondheid;
De aard van de schoonmaakwerkzaamheden in relatie tot het feit dat eiseres eerder gebruik heeft gemaakt van huishoudelijke hulp;
De omvang van de geldbedragen die na de loonstorting zijn opgenomen;
Het ontbreken van bewijs dat daadwerkelijk gebruik is gemaakt van het OV om bij het café te komen alsmede de wisselende verklaringen over welke route werd gebruikt; en
De uitgaven in de woonplaats van eiseres met de pinpas van eiseres tijdens de gestelde werkuren.
7.2.
Het UWV is hiermee geslaagd in de bewijslast als bedoeld onder 7. In die situatie moet worden beoordeeld of eiseres de onjuistheid van het standpunt van het UWV met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt. Daarmee wordt – anders dan eiseres stelt – de bewijslast niet omgedraaid.
Heeft eiseres aangetoond dat wel sprake is van een arbeidsovereenkomst?
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres niet heeft gewerkt. Daarbij geeft zij aan dat het UWV voorbij gaat aan het feit dat eiseres, ondanks haar medische beperkingen, moest werken om in haar onderhoud te kunnen blijven voorzien. Omdat zij in haar eigen tempo kon werken, was het fysiek mogelijk om dit werk te verrichten. Verder heeft het UWV ten onrechte nagelaten de eigenaar van het café als werkgever en de andere nachtmedewerker te ondervragen waardoor het UWV niet aan de onderzoeksplicht heeft voldaan. Eiseres stelt verder dat het UWV de controles van de wijk-BOA niet heeft kunnen meenemen, omdat niet duidelijk is op welke periode die controles zien. Verder heeft de dochter van eiseres verklaard dat zij de pinpas van haar moeder heeft gebruikt, zodat de pintransacties tijdens werkdagen in Dordrecht eiseres niet kunnen worden verweten. Dat geldt ook voor het feit dat eiseres een ander tramnummer noemde om bij het café te komen. Eiseres stelt dat vaststaat dat zij loon heeft ontvangen. Dat na de loonstorting grote bedragen zijn opgenomen, hangt samen met het afbetalen van leningen die zij had bij familieleden. Tot slot stelt eiseres over de gezagsverhouding dat het feit dat zij werkt voor haar partner niet maakt dat geen gezagsverhouding kan bestaan. Dat het om routinematig werk gaat dat geen verdere instructie of controle vraagt, doet geen afbreuk aan de gezagsverhouding. Het gegeven dat de eigenaar van het café het werk heeft opgedragen en eiseres hiervoor is betaald, impliceert volgens eiseres een gezagsverhouding.
8.1.
Hoewel de rechtbank het standpunt van eiseres volgt dat de controles van de wijk-BOA – vanwege het gebrek aan informatie over de datum waarop de controles zijn uitgevoerd – niet bruikbaar zijn voor de onderbouwing van de intrekking, volgt daaruit niet onmiddellijk dat eiseres wel heeft gewerkt. Daarbij overweegt de rechtbank dat het standpunt van het UWV dat sprake was van een gefingeerd dienstverband ook op andere feiten is gebaseerd en eiseres daar onvoldoende tegenover heeft gesteld. Zo heeft eiseres geen gegevens overlegd in welk opzicht haar financiële situatie begin januari 2023 dusdanig was veranderd dat zij – ondanks dat zij daar 23 jaar lang medisch niet toe in staat was en zij heeft verklaard dat haar gezondheid verslechterde – wel moest werken om in haar onderhoud te voorzien. Ook heeft eiseres geen verklaringen van derden ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat zij vijf dagen per week, acht uur per dag heeft gewerkt. Hoewel het klopt dat het UWV haar partner niet heeft gehoord als werkgever, heeft het UWV voldoende toegelicht dat hiervan is afgezien omdat eiseres een liefdesrelatie heeft met haar werkgever. Ook zijn op de zitting geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het niet horen van de partner als onzorgvuldig zou moeten worden aangemerkt. Met betrekking tot het woon-werkverkeer heeft eiseres niet door middel van pintransacties of reisoverzichten aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk met het openbaar vervoer naar het café is gereisd. Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiseres zich heeft vergist in haar verklaring over de gebruikte route, mede omdat ter zitting is gebleken dat het niet alleen ging om een ander tramnummer maar ook om een ander treinstation. Ook heeft het UWV de verklaring dat haar dochter haar pinpas heeft gebruikt, niet geloofwaardig kunnen achten. Daarbij heeft het UWV betrokken dat deze verklaring bevreemding wekt omdat eiseres aangaf schulden te hebben en vaak geld van anderen moest lenen. Daarmee heeft het UWV voldoende gemotiveerd waarom aan de verklaring van de dochter niet de waarde kan toekomen, die eiseres daaraan hecht. Bovendien is het opvallend dat deze verklaring pas na het primaire besluit komt en eiseres daarover niet eerder al iets heeft gezegd in het gesprek met handhaving. Op grond van voorgaande heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van arbeid. Omdat voor een dienstverband aan alle onderdelen (arbeid, loon en gezagsverhouding), behoeven de overige onderdelen geen bespreking meer.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres terecht niet is aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en de ZW. Dat betekent dat eiseres gehouden is de te veel te ontvangen uitkeringen terug te betalen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt voor de WW-uitkering uit artikel 15, eerste lid, en artikel 3, eerste lid van de WW en voor de ZW-uitkering uit artikel 19, eerste lid, en artikel 20 van de Zw.
Zie artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Zie de uitspraak van de Raad van 30 april 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:676), onder 4.3.
Dit volgt voor de WW-uitkering uit artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW en voor de ZW-uitkering uit artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW.
Zie artikel 22a, tweede lid, van de WW en artikel 30a, tweede lid, van de ZW.
Zie artikel 36, eerste lid, van de WW en artikel 33, eerste lid, van de ZW.
Zie artikel 36, zesde lid, van de WW en artikel 33, zesde lid, van de ZW.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Dit volgt uit artikel 5:17, eerste lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Raad van 26 juni 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:977), onder 4.5.1.
Zie de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2913), onder 4.3.1. en 4.3.2. Zie ook de uitspraak van 11 mei 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1362), onder 3.4.
Zie de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2913), onder 4.3.4 en 4.4.
Zie de uitspraak van de Raad van 9 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2793), onder 4.3. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|