|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:1998 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 25/3079 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | WHT, beroep ongegrond, aanvraag van eiseres te laat | | Trefwoorden | : | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3079
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. van Gemeren),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Eiseres heeft zich op 12 augustus 2024 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen deze aanvraag heeft mogen afwijzen omdat hij te laat was ingediend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres te laat heeft mogen vinden. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres daarom mogen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van eiseres met het besluit van 25 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 via beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat deze is ingediend ná 31 december 2023. Dat was de uiterste datum waarop aanvragen om compensatie in de zin van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) konden worden ingediend. Indien er sprake is van een bijzondere situatie die niet is te voorzien en waarin toepassing van artikel 6.1 van de Wht leidt tot een zeer onbillijke uitkomst, kan van deze termijn worden afgeweken op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. In gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zal door Dienst Toeslagen worden gekeken of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
4. Eiseres heeft haar aanvraag ingediend op 12 augustus 2024. Dat is te laat. Volgens Dienst Toeslagen is ook geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding die maakt dat de aanvraag van eiseres toch in behandeling moet worden genomen.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft meerdere uitspraken gedaan over de toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule sprake moet zijn van schrijnende omstandigheden waarbij kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren.
6. De rechtbank ziet geen reden om in zaken zoals deze, waarin het gaat om een te late aanmelding, anders aan te kijken tegen de toepassing van de hardheidsclausule. Dat betekent dat de aanvrager voldoende aannemelijk moet maken dat zij zich tijdens de aanvraagperiode in een dermate schrijnende situatie bevond dat zij daardoor geen aanvraag kon indienen.
7. Eiseres voert aan dat zij tijdig een aanvraag om herbeoordeling heeft gedaan bij Dienst Toeslagen. In januari 2023 heeft ze telefonisch contact gehad met Dienst Toeslagen. Toentertijd had ze haar burgerservicenummer (BSN) echter niet bij de hand, waarna is afgesproken dat zij zou worden teruggebeld door Dienst Toeslagen. Dit is echter niet gebeurd. Bellen naar Nederland is duur voor eiseres en Dienst Toeslagen was telefonisch slecht bereikbaar. Ook haar zus en een vriendin van eiseres hebben gebeld met Dienst Toeslagen. Eiseres had andere opties geboden moeten worden om haar aanvraag in te dienen, bijvoorbeeld door een gratis telefoonnummer beschikbaar te stellen of door aanmelding per e-mail mogelijk te maken. Dat het telefonisch contact uit januari 2023 niet meer in de systemen van Dienst Toeslagen is terug te vinden, ligt binnen de risicosfeer van Dienst Toeslagen en komt omdat Dienst Toeslagen onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiseres doet in dit kader een beroep op de hardheidsclausule, omdat volgens haar sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het is onevenredig om de aanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen, terwijl zij heeft geprobeerd om haar aanvraag tijdig te doen. De belangenafweging had in het voordeel van eiseres moeten uitvallen. Eiseres wijst ter zitting in dit kader op de uitspraak van deze rechtbank van 29 januari 2026.
8. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat de aanvraag te laat is ingediend en dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt.
9. De rechtbank stelt hierbij voorop dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat ze op tijd een aanvraag heeft ingediend. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij in januari 2023 telefonisch een aanvraag heeft gedaan. Zij heeft geen stukken overgelegd die dit onderbouwen, bijvoorbeeld beloverzichten of een bericht waarin haar aanvraag wordt bevestigd. Ook is er geen registratie in de systemen van Dienst Toeslagen. Anders dan eiseres betoogt, komt dit niet voor rekening en risico van Dienst Toeslagen. Het is immers aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij op tijd een aanvraag heeft ingediend. Een verklaring van eiseres (en haar zus) dat er is gebeld met Dienst Toeslagen, is onvoldoende om die bewijslast bij Dienst Toeslagen te leggen. De uitspraak waar eiseres ter zitting naar verwijst, gaat over een andere situatie. In tegenstelling tot die zaak, was eiseres al op de hoogte van de mogelijkheid om zich aan te melden voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Het beroep op die uitspraak kan alleen al daarom niet slagen.
10. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres vervelend is dat Dienst Toeslagen haar aanvraag te laat heeft mogen vinden. In het geval van eiseres zijn er echter geen bijzondere omstandigheden die maken dat met de hardheidsclausule kan worden afgeweken van de aanmeldtermijn van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres niet in behandeling hoeft te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 6.1, eerste lid van de Wht.
Zie de brief van de staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023.
Zie de uitspraken van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1004 en 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1435.
ECLI:NL:RBMNE:2026:299. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|