Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:1501 
 
Datum uitspraak:28-04-2026
Datum gepubliceerd:15-05-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 24/3572
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Omzetbelasting. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de overdracht van voertuigen onderdeel is van een overgang van een algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 37d van de Wet OB. De rechtbank concludeert dat op grond van de vaststellingsovereenkomst geen (gedeelte van een) onderneming is verkregen. Alle feitelijke omstandigheden van de transactie moeten echter ook worden meegewogen, waarbij een denkbaar scenario is dat de (eerste) overdracht van de voertuigen op grond van de vaststellingsovereenkomst deel uitmaakt van een nauw samenhangend geheel van handelingen dat gericht is geweest op de overdracht van het bedrijf van eiseres, inclusief voertuigen, aan uiteindelijk een andere partij. Als dat scenario klopt, sluit de rechtbank niet uit dat daarmee voldaan zou kunnen zijn aan de voorwaarden van artikel 37d Wet OB. Tegelijkertijd ziet de rechtbank in het dossier onvoldoende gegevens om te kunnen oordelen dat dat scenario ook is bewezen. Meer specifiek heeft de rechtbank onvoldoende zicht gekregen op wat er met de voertuigen is gebeurd na de (eerste) overdracht van de voertuigen op grond van de vastellingsovereenkomst. Het beroep is ongegrond.
Trefwoorden:bpm
naheffingsaanslag
omzetbelasting
vaststellingsovereenkomst
wet op de omzetbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3572

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 28 april 2026 in de zaak tussen



[eiser] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. W. Mollema),

en



de inspecteur van de Belastingdienst / Kantoor Leeuwarden, de inspecteur.




Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 augustus 2024.



1.2.
De inspecteur heeft aan eiseres over de periode 1 april 2018 tot en met 30 juni 2020 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting (OB) opgelegd (de naheffingsaanslag).



1.3.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan eiseres belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.4.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.



1.5.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.6.
De inspecteur heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend.



1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft [naam 2] ( [naam 2] ) deelgenomen namens eiseres. Namens de inspecteur hebben mr. [naam 3] en mr. [naam 4] deelgenomen. De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.



1.8.
De rechtbank heeft het onderzoek op 18 februari 2026 heropend en de inspecteur verzocht om nadere inlichtingen en stukken. De inspecteur heeft bij bericht van 9 maart 2026 aan dit verzoek voldaan en eiseres heeft daarop bij bericht van 11 maart 2026 gereageerd. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat zij aan een nadere zitting geen behoefte heeft. Omdat vervolgens ook de inspecteur heeft afgezien van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek op 17 maart 2026 opnieuw gesloten.





Feiten
2.

2.1.
Eiseres oefent in de periode van april 2018 tot april 2020 een bedrijf in de in- en verkoop van personenvoertuigen uit. De meeste voertuigen waarin zij handelt, staan bij dealers, al dan niet in consignatie. In het bedrijf van eiseres zijn in deze periode onder meer de heren [naam 5] ( [naam 5] ) en [naam 6] ( [naam 6] ) werkzaam.



2.2.
Ten behoeve van haar ondernemingsactiviteiten heeft eiseres diverse voertuigen ingekocht bij vennootschappen waarvan [naam 5] (indirect) aandeelhouder en/of bestuurder is, namelijk [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ), [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ) en [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ). In dat verband zijn, volgens deze vennootschappen, in de periode van oktober 2018 tot en met november 2019 schulden ontstaan van eiseres aan deze vennootschappen tot een totaalbedrag van € 1.061.231,50. Daarnaast heeft eiseres op 2 november 2018 een financieringsovereenkomst gesloten met [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ). Op basis van die overeenkomst was eiseres begin 2020 een bedrag van € 1.000.000 verschuldigd aan [bedrijf 3] .



2.3.
In het voorjaar van 2020 eist (de advocaat van) [naam 5] de in 2.2. genoemde schulden van in totaal € 1.061.231,50 bij eiseres op. Ook [bedrijf 3] begint dan haar vordering van € 1.000.000 op te eisen. Op dat moment is onder meer [naam 2] – toen (indirect) aandeelhouder en bestuurder van eiseres – in onderhandeling getreden met [naam 5] over de afwikkeling van de schulden. Over de afspraken die daarbij zijn gemaakt, schrijft [naam 5] in een e-mail van 24 maart 2020 aan (onder meer) [naam 2] , het volgende:
“[Ik zal] de uiteindelijke afspraken die we gisteren hebben gemaakt opsommen. (…)
Voor 01-06-2020 zal [eiseres] het gehele saldo aan openstaande posten en schulden aan mij, mijn bedrijven en [bedrijf 3] in zijn geheel moeten aflossen. (…)
Met zijn allen gaan we proberen de overgang naar een nieuw op te richten bedrijf zo soepel mogelijk te laten verlopen. Abonnementen die [eiseres] niet meer nodig heeft en de nieuw op te richten B.V. ook aan zou schaffen kunnen hiermee overgaan. Dan hebben we het b.v. over: X-Ray, Autotelex-Pro, Garage polis, Internet site, Mailserver en mailadressen, en misschien nog enkele andere. [bedrijf 5] kunnen we niet overnemen omdat [eiseres] dit moet houden om de boekhouding te kunnen vullen en afwerken, daarnaast heb ik het pakket zelf in eigendom. De nieuw op te richten B.V. zal zo snel mogelijk een RDW erkenning en BPM vergunning aanvragen. Tot deze zijn verstrekt zouden we onder de erkenning en vergunning van [eiseres] kunnen werken. Alle kosten in deze zullen dan voor rekening van de nieuwe B.V. zijn. De verschuldigde BPM kan dan maandelijks bij de aangifte gefactureerd worden door [eiseres] en zal voor einde van de maand betaald worden.”



2.4.
Eiseres heeft op 14 april 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten met [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 4] , [naam 5] en [bedrijf 3] (de VSO). De VSO luidt voor zover van belang als volgt:
“De gemaakte afspraken behelzen dat [bedrijf 4] de voertuigen welke staan vermeld op bijlage 1 bij deze vaststellingsovereenkomst overgedragen krijgt van [eiseres] en de daarbij behorende rechten en verplichtingen jegens derden (potentiële kopers en dealers) van [eiseres] overneemt, dat [bedrijf 1] de verplichtingen van [eiseres] jegens [bedrijf 3] overneemt en dat partijen, [eiseres] enerzijds en [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 4] , [naam 5] en [bedrijf 3] anderzijds elkaar over en weer finale kwijting verenen voor alle mogelijke vorderingen die er over en weer zouden (kunnen) bestaan, hoegenaamd ook en ook welken hoofde dan ook. (…)


Verklaren overeen te zijn gekomen als volgt:


Artikel 1: overdracht voertuigen



1.1 [
Eiseres] verkoopt alle voertuigen welke staan vermeld op de lijst van bijlage 1 bij deze overeenkomst aan [bedrijf 4] in de staat waarin deze voertuigen zich thans bevinden. (…)




Artikel 3: overgang rechten en verplichtingen derden.

3.1
Het is [bedrijf 4] bekend dat de respectieve derden onder welke zich de voertuigen die staan vermeld op bijlage 1 bij deze vaststellingsovereenkomst bevinden rechten (kunnen) doen gelden ten aanzien van die voertuigen, zoals bijvoorbeeld recht op provisie. [bedrijf 4] neemt deze rechten en verplichtingen van [eiseres] over, zoveel mogelijk bij wege van contractsovername in welk verband de onderhavige vaststellingsovereenkomst als daartoe bestemde akte dient.”



2.5.
Op de lijst in bijlage 1 bij de VSO staan 59 voertuigen vermeld (de voertuigen).



2.6.
Op 21 april 2020 is vanuit het e-mailadres [mailadres 1] het volgende bericht gestuurd aan [naam 5] :
“Hallo [naam 5] ,
Zie hieronder je inloggevens, vers van de pers.




Van: [mailadres 2]

Verzonden: dinsdag 21 april 2020 16:16

Aan: Verkoop | [eiser] >

Onderwerp: Extra online account [bedrijf 5]

(…)
Je extra account voor [bedrijf 5] is aangemaakt. Open een Internet Explorer browser en ga naar de volgende website [website 1] (…)
Log daarna in met de onderstaande gegevens;
Gebruikersnaam: (…)
Wachtwoord: (…)”


2.7.

[naam 5] heeft op 24 april 2020 aan onder meer [naam 2] het volgende bericht gestuurd:
“Hallo (…)
Op deze wijze heb ik de creditfacturen gestuurd aan de 3 betrokken debiteuren ( [naam 7] , [naam 9] , en [naam 10] ) [naam 11] gaat ze ook bellen om uitleg te geven. Dan zijn ze in ieder geval ook juist geinformeerd vanuit [eiseres].

OK zo?
----------------
Geachte heer [naam 7] ,
Hierbij uw creditfactuur met factuurnummer (…). De reden dat wij u deze factuur sturen is gelegen in het feit dat [eiseres] haar automotive activiteiten heeft gestaakt. Onze verkoper [naam 11] [naam 6] zal in samenwerking met enkele andere betrokkenen het automotive deel gaan voortzetten. Van het nieuwe bedrijf [bedrijf 6] handelend onder de naam [bedrijf 6] zal u begin volgende week een nieuwe factuur sturen voor deze auto. (…)
Met vriendelijke groet,
[eiseres]”



2.8.
Op 18 mei 2020 is tussen twee betrokkenen bij eiseres het volgende e-mailbericht gewisseld:
“Hoi (…) zie bijgaand, zou jij deze vandaag met prioriteit over willen/kunnen zetten?. Zijn we van de brandstofkosten af. (…)

Op 24 apr. 2020 13:17 schreef [naam 5] <(…)>:
Hallo (…),
Met betrekking tot de DKV kaart het volgende. De kaart kan overgeschreven worden op: (…)

[bedrijf 6] B.V.
Handelend onder de naam: [bedrijf 6] ”



2.9.
Tot de stukken van het geding behoort een ongedateerde e-mail van [naam 8] ( [naam 8] ), die de administratie van eiseres bijhield. In deze e-mail verzoekt [naam 8] de website [website 2] offline te halen. Deze website werd beheerd door een bedrijf genaamd [bedrijf 7] . Een medewerker van [bedrijf 7] heeft op 13 mei 2020 het volgende bericht gestuurd aan [naam 8] :
“Wij hebben (…) contact gehad met de nieuwe eigenaar (…). De facturatie hebben wij ook al aangepast aan het nieuwe bedrijf (…)
Om de verwarring compleet te maken hebben we gisteren een mailing ontvangen van [eiseres] met de melding dat alle activiteiten zijn overgenomen door [bedrijf 6] .”



2.10.
Een medewerker van [bedrijf 7] heeft bij e-mail van 7 mei 2024 desgevraagd door [naam 2] bevestigd dat het bestaande account van eiseres is overgegaan/overgezet naar [bedrijf 6] B.V. ( [bedrijf 6] ) of [bedrijf 6] B.V. ( [bedrijf 6] ) en dat het account/de website gelijk is gebleven, ook na 13 mei 2020, met dien verstande dat de klantnaam is gewijzigd van eiseres naar [bedrijf 6] of [bedrijf 6] .



2.11.
De voor 2020 gepubliceerde jaarrekening van [bedrijf 6] vermeldt een toename van de voorraden tussen 31 december 2019 en 31 december 2020 van € 88.382 naar € 1.573.152. Volgens deze jaarrekening bestaan de activiteiten voornamelijk uit de import van nieuwe personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s, alsmede de handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s.



2.12.
De inspecteur heeft op 6 maart 2020 een boekenonderzoek bij eiseres gestart. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 19 september 2023 (het rapport boekenonderzoek). Dat rapport luidt voor zover van belang als volgt:
“3.1 Vaststellingsovereenkomst 14 april 2020 (…)
De Belastingdienst is van mening dat door middel van de vaststellingsovereenkomst alleen auto’s zijn geleverd. (…)
In dit geval bestaat de tegenprestatie voor de 59 auto’s de volgende delen:
1. De kwijtschelding van de schuld van € 1.061.232 aan [bedrijf 1] BV,

[bedrijf 2] BV, [bedrijf 4] ; en
2. Het overnemen van de schuld van € 1.000.000 die [eiseres] heeft bij [bedrijf 3] BV
De totale tegenprestatie voor de 59 auto’s is dus € 2.061.232. De naheffingsaanslag 2020 (…) bedraagt 21/121e van dit bedrag, dat is € 357.734. (…)



4.1

Naheffingsaanslag Omzetbelasting 2018 tot en met 2020

Overeenkomstig de berekeningen in hoofdstuk 3 worden over de jaren 2018 tot en met 2020
onderstaande naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd.











Naheffingsaanslag Omzetbelasting




2020




2019




2018




Totaal





Correctie (…)


€ 357.734


€ 122.966


€ 73.046


€ 553.746




Suppletie


€ -1.495


€ -14.898


€ -55.067


€ -71.460




Naheffingsaanslag per jaar


€ 356.239


€ 108.068


€ 17.979


€ 482.286”








2.13.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag in overeenstemming met onderdeel 4.1 van het rapport boekenonderzoek opgelegd.




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

4. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Afbakening van het geschil


5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de in de VSO bedoelde overdracht van de voertuigen (zie 2.4.) onderdeel is van een overgang van een algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Eiseres stelt zich op het standpunt dat dat het geval is, zodat deze overdracht geen levering in de zin van de Wet OB wordt geacht te zijn. Volgens de inspecteur is aan de voorwaarden van artikel 37d Wet OB niet voldaan en is dus sprake van een levering die met OB belast is.

6. Eiseres bestrijdt de naheffingsaanslag uitsluitend met haar beroep op artikel 37d Wet OB. Voor het geval dat het gelijk op dit punt aan de inspecteur is, moet de naheffingsaanslag dus worden bevestigd. Voor het geval dat het gelijk op dit punt aan eiseres is, is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 357.734 en dat dit bedrag ziet op het jaar 2020. Ten aanzien van de jaren 2018 en 2019 bestrijdt eiseres de naheffingsaanslag niet.


Standpunten van partijen


7.1.
Ter onderbouwing van haar beroep op artikel 37d Wet OB voert eiseres het volgende aan. Eiseres heeft de voertuigen, de website, de e-mailboxen, de telefoonnummers, het gehele klantenbestand, het account van [bedrijf 5] (boekhoudsoftware die kan worden gebruikt door autobedrijven) en de (systemen met betrekking tot) tankpassen overgedragen. Met dit samenstel van activa kan een zelfstandige economische activiteit worden gedreven. De (uiteindelijke) overnemer van dit samenstel is [bedrijf 6] . Dat de voertuigen op grond van de VSO in eerste instantie aan [bedrijf 4] zijn overgedragen, staat niet in de weg aan toepassing van artikel 37d Wet OB. Het is namelijk steeds de bedoeling van [naam 5] geweest om de onderneming van eiseres voort te zetten en dat is, via een tussenstap, in [bedrijf 6] ook gebeurd. [bedrijf 6] was slechts geen partij bij de VSO omdat deze vennootschap geen onderdeel was van het conflict dat heeft geleid tot de VSO, aldus nog steeds eiseres.



7.2.
De inspecteur betoogt dat het beroep op artikel 37d Wet OB niet slaagt. Daartoe voert de inspecteur aan dat [bedrijf 4] slechts een voorraad voertuigen heeft verkregen en dus niet een algemeenheid van goederen. Voor zover lichamelijke of onlichamelijke zaken aan een ander dan [bedrijf 4] zijn overgedragen, kan dat volgens de inspecteur niet bijdragen aan de conclusie dat [bedrijf 4] een algemeenheid van goederen heeft verkregen.


Juridisch kader

8.


8.1.
Bij overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, wordt op grond van artikel 37d Wet OB geacht dat geen leveringen of diensten plaatsvinden en treedt degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de overdrager. Met artikel 37d Wet OB heeft de wetgever uitvoering gegeven aan artikel 19, eerste alinea, van BTWrichtlijn 2006.



8.2.
Voor toepassing van artikel 37d Wet OB is vereist dat sprake is van een overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, die tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend. Daaronder valt niet de verkoop van goederen zonder meer. De vaststelling dat een transactie onder het begrip ‘overgang van een algemeenheid van goederen’ valt, moet geschieden op basis van een integrale beoordeling van de feitelijke omstandigheden die de transactie kenmerken, waarbij bijzonder belang moet worden gehecht aan de aard van de economische activiteit waarvan de voortzetting is voorgenomen.



8.3.
Van een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen kan bovendien alleen sprake zijn, indien de zaken die de algemeenheid vormen, voorafgaand aan de overgang gezamenlijk door één ondernemer in het kader van zijn onderneming worden gebezigd, en worden overgedragen met het oog op een (voortgezet) bezigen daarvan door één andere ondernemer.


Beoordeling


9. Eiseres doet een beroep op de rechtsgevolgen van artikel 37d Wet OB. Dat betekent dat zij de stelplicht en bewijslast draagt van feiten die tot het oordeel kunnen leiden dat dat beroep slaagt.

10. De rechtbank stelt op basis van de VSO vast dat [bedrijf 4] van eiseres de voertuigen heeft verkregen, alsmede de daarbij behorende eventuele verplichting provisie te betalen aan derden onder wie zich de voertuigen bevinden. Kijkt de rechtbank uitsluitend naar wat [bedrijf 4] aldus van eiseres heeft verkregen, dan moet zij concluderen dat dit slechts een voorraad voertuigen zonder méér is geweest. [bedrijf 4] heeft dan dus niet een (gedeelte van een) onderneming van eiseres verkregen waarop artikel 37d Wet OB van toepassing zou kunnen zijn.



10.1.
De rechtbank is echter van oordeel dat niet alleen moet worden gekeken naar wat [bedrijf 4] op grond van de VSO van eiseres heeft verkregen. Alle feitelijke omstandigheden van de transactie moeten worden meegewogen. De aanvullende feiten en omstandigheden die de rechtbank in dit verband relevant acht, zijn weergegeven in 2.3. en 2.6. tot en met 2.11. van deze uitspraak. Hierin ziet de rechtbank aanwijzingen dat ten tijde van de overdracht van de voertuigen aan [bedrijf 4] al duidelijk was dat [bedrijf 6] de voertuigen (uiteindelijk) zou overnemen en mede daarmee het bedrijf van eiseres zou voortzetten. De rechtbank ziet ook aanwijzingen dat (een gedeelte van) het klantenbestand, de website, een werknemer ( [naam 6] ), [bedrijf 5] , en de tankpas van eiseres zijn overgegaan naar [bedrijf 6] .



10.2.
Een denkbaar scenario op basis van deze aanwijzingen is dat de overdracht van de voertuigen aan [bedrijf 4] deel uitmaakt van een nauw samenhangend geheel van handelingen dat gericht is geweest op de overdracht van het bedrijf van eiseres, inclusief voertuigen, aan uiteindelijk [bedrijf 6] . Als dat scenario klopt, sluit de rechtbank niet uit dat daarmee voldaan zou kunnen zijn aan de voorwaarden van artikel 37d Wet OB.



10.3.
Tegelijkertijd ziet de rechtbank in het dossier onvoldoende gegevens om te kunnen oordelen dat dat scenario ook is bewezen. Meer specifiek heeft de rechtbank onvoldoende zicht gekregen op wat er met de voertuigen is gebeurd na de overdracht aan [bedrijf 4] . Uit de nadere inlichtingen van de inspecteur (zie 1.8.) kan de rechtbank slechts voor twee voertuigen afleiden dat zij kort na de overdracht aan [bedrijf 4] op naam van [bedrijf 6] zijn komen te staan, namelijk op 9 mei 2020. Voor achttien voertuigen geldt dat zij (soms vóór en soms na 9 mei 2020) op naam van anderen dan [bedrijf 6] zijn komen te staan. Tot slot heeft de inspecteur dit van de overige 39 voertuigen niet kunnen controleren, omdat het kenteken van die voertuigen in het geraadpleegde systeem niet bekend is geworden. Eiseres heeft weliswaar gewezen op de toename van de voorraad in de jaarrekening van [bedrijf 6] (zie 2.11.), maar die toename is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat (i) (nagenoeg) alle voertuigen zijn overgegaan van [bedrijf 4] naar [bedrijf 6] en zo ja, (ii) wanneer dit concreet is gebeurd. De onduidelijkheid die hierover blijft bestaan, moet voor rekening van eiseres komen. Zij heeft namelijk de bewijslast (zie 9.). De conclusie van de rechtbank is daarom dat ook [bedrijf 6] niet een (gedeelte van een) onderneming van eiseres heeft verkregen waarop artikel 37d Wet OB van toepassing kan zijn.


Slotsom

11. De slotsom van het voorgaande is dat eiseres noch aan [bedrijf 4] , noch aan [bedrijf 6] of een ander een algemeenheid van goederen heeft overgedragen. Het beroep van eiseres op artikel 37d Wet OB slaagt daarom niet. Dat betekent dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.



11.1.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.




Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, voorzitter, en mr. M. Sanna en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.


De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.












voorzitter







Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.


Zie Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:154, r.o. 3.6.3.


Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BH0527, r.o. 3.3.2 en Hoge Raad 5 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG7206, r.o. 3.3.2, tweede alinea.


Vergelijk Hoge Raad 8 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4960, BNB 1992/272.
Link naar deze uitspraak