|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:1573 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 26/370 en LEE 26/373 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Beroep niet tijdig beslissen. Inhoudelijke beslissing van de inspecteur lopende het beroep. Het gaat over verzoeken om ambtshalve verminderingen wegens toepassen inkomensafhankelijke combinatiekorting. Samenhang bij toekennen dwangsom. | | Trefwoorden | : | inkomstenbelasting | | | lijfrente | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/370 en LEE 26/373
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 april 2026 in de zaken tussen
[eiser en eiseres] , uit [plaats] , eisers,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Arnhem, de inspecteur.
(gemachtigde: mr. [naam 3] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die eisers hebben ingesteld, omdat de inspecteur volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun verzoeken van 15 maart 2024 om ambtshalve vermindering van hun aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019 en 2020.
1.2.
Eisers zijn op 6 november 2024 in beroep gekomen bij de rechtbank tegen hun aanslagen IB/PVV 2022 (zaaknummers LEE 24/4503 en LEE 24/4504). De rechtbank heeft bij het inschrijven van de beroepen miskend dat eisers óók beroepen wegens het niet tijdig beslissen op hun verzoeken om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 hebben aangetekend.
1.3.
De inspecteur heeft in vier aparte beschikkingen met datum 6 februari 2025 de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 van eisers afgewezen.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2022 (zaaknummers LEE 24/4503 en LEE 24/4504) op 2 februari 2026 op een zitting behandeld. Gelijktijdig heeft de rechtbank ook de zaken over het al dan niet tijdig beslissen op de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 behandeld. Op de zitting heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat er naast de beroepen met zaaknummers LEE 24/4503 en LEE 24/4504 nieuwe zaaknummers worden aangemaakt voor de beroepen van eisers wegens het al dan niet tijdig beslissen op hun verzoeken om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020.
1.5.
Aan de zitting hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 4] .
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat de zaken over het niet tijdig beslissen op de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 worden aangehouden. Dit om eisers in de gelegenheid te stellen inhoudelijke gronden aan te voeren tegen de beschikkingen van de inspecteur waarin de verzoeken zijn afgewezen.
1.7.
De rechtbank heeft naar aanleiding van het behandelde op de zitting de volgende zaaknummers aangemaakt voor de beroepen die zien op het niet tijdig beslissen op de verzoeken om ambtshalve verminderingen :
Zaaknummer
Belanghebbende
Jaar
LEE 26/369
[eiseres]
2018
LEE 26/370
[eiseres]
2019 en 2020
LEE 26/372
[eiser]
2018
LEE 26/373
[eiser]
2019 en 2020
1.8.
Na de zitting hebben eisers inhoudelijke gronden ingediend. De inspecteur heeft hierop gereageerd op 10 maart 2026. Op de zitting is met partijen afgesproken dat, na ontvangst van de reactie van de inspecteur op de stukken van eisers, geen nadere zitting meer hoeft plaats te vinden. De rechtbank heeft de onderzoeken gesloten op 16 maart 2026.
1.9.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak alleen het al dan niet tijdig beslissen op de verzoeken om ambtshalve vermindering IB/PVV 2019/2020 van eisers en de daarop uiteindelijk genomen beschikkingen. De verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018 worden in een afzonderlijke uitspraak (zaaknummers 26/369 en 26/372) behandeld.
Feiten
2. De heer [eiser] (eiser) en mevrouw [eiseres] (eiseres) (gezamenlijk: eisers) zijn heel 2019 en 2020 gehuwd geweest. Eiser en eiseres waren in 2019 en 2020 partners als bedoeld in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het jongste kind van eisers was bij aanvang van de kalenderjaren 2019 en 2020 nog geen twaalf jaar. Het kind stond heel 2019 en 2020 ingeschreven op hetzelfde woonadres als eisers.
2.1.
Uit de door eiseres ingediende aangiften IB/PVV 2019 volgt dat zij in 2019 alleen inkomen uit pensioen, lijfrente of andere uitkering heeft ontvangen. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:
Pensioen e.d.
Loonheffing
Stichting pensioenfonds ABP
€ 8.734
€ 3.186
Stichting pensioenfonds ABP
-/- € 7.003
€ 0
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
€ 7.551
€ 284
Totaal
€ 9.282
€ 3.470
2.2.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2019 van eiseres conform de door haar ingediende aangifte opgelegd.
2.3.
Uit de door eiseres ingediende aangifte IB/PVV 2020 volgt dat zij in 2020 alleen inkomen uit pensioen, lijfrente of andere uitkering heeft ontvangen. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:
Pensioen e.d.
Loonheffing
Stichting pensioenfonds ABP
€ 7.628
€ 2.836
Stichting pensioenfonds ABP
-/- € 2.402
€ 0
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
€ 78.665
€ 23.736
Totaal
€ 83.891
€ 26.572
2.4.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2020 van eiseres conform de door haar ingediende aangifte opgelegd.
2.5.
Eisers hebben op 15 maart 2024 (door de inspecteur ontvangen op 19 maart 2024) gezamenlijk verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 (de verzoeken). Hierin staat onder andere – en voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“Tevens bevat deze brief een verzoek tot (ambtshalve) vermindering in de jaren dat voor ons de inkomensafhankelijke combinatiekorting nog van ons voor toepassing. De inspecteur/ontvanger verzuimde de inkomensafhankelijke combinatiekorting toe te passen, welke voor ons in het jaar 2020 en alle jaren daaraan vooraf nog van toepassing was.”
2.6.
Op 26 juli 2024 heeft de inspecteur een ingebrekestelling ontvangen.
2.7.
Met datum 6 februari 2025 heeft de inspecteur bij beschikkingen op de verzoeken beslist. De inspecteur heeft de verzoeken voor beide jaren afgewezen, omdat eiseres in 2019 en 2020 geen arbeidsinkomen heeft genoten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat eisers deze procedures zijn gestart als beroepen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt daarom of de inspecteur tijdig op de verzoeken heeft beslist en zo nee, of de inspecteur een dwangsom is verschuldigd.
4. Lopende de beroepsprocedure heeft de inspecteur alsnog bij beschikkingen beslist op de verzoeken (2.7.). De beroepen zien van rechtswege ook op de alsnog genomen beschikkingen van de inspecteur. Eisers hebben inhoudelijke gronden ingediend tegen de genomen beschikkingen van de inspecteur (1.8). De rechtbank beoordeelt daarom ook of de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
5. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet tijdig op de verzoeken heeft beslist. Eisers hebben recht op een dwangsom. Omdat er sprake is van samenhang, hebben eisers voor hun verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 recht op één dwangsom van € 1.442. De rechtbank is verder van oordeel dat de inspecteur terecht de verzoeken om een ambtshalve vermindering heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zijn de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht afgewezen?
6. Eisers hebben verzocht om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2019 en 2020, omdat zij stellen nog recht te hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack). Zij voeren aan dat eiseres vanaf juni 2019 een uitkering Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten ontving. Volgens eisers blijkt hieruit dat eiseres in de eerste helft van 2019 nog benutbare arbeidsmogelijkheden had. Voor 2020 is er volgens eisers sprake van een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
7. De inspecteur is van mening dat eisers geen recht hebben op iack. Hij wijst er hierbij op dat eiseres in 2019 en 2020 geen arbeidsinkomen heeft genoten.
8. Een belastingplichtige heeft recht op de iack als voldaan is aan een aantal voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat de belastingplichtige in het jaar een arbeidsinkomen heeft dat meer bedraagt dan € 4.993 (tekst 2019) en € 5.072 (tekst 2020). Als sprake is van partners, wordt de iack toegekend aan degene die een lager arbeidsinkomen heeft dan zijn partner. Uit deze voorwaarde volgt dat beide partners arbeidsinkomen in een bepaald jaar moeten genieten om aanspraak te kunnen maken op de iack. Onder het begrip arbeidsinkomen moet in dit geval worden verstaan: het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank moet dus beoordelen of in 2019 en 2020 beide partners arbeidsinkomen hebben genoten.
9. Eiseres heeft in 2019 en 2020 enkel (pensioen)uitkeringen van in totaal € 9.282 (2019) en € 83.891 (2020) genoten (2.1. en 2.3.). De (pensioen)uitkeringen die eiseres in 2019 en 2020 heeft ontvangen, kunnen niet worden aangemerkt als arbeidsinkomen (8.). Daarmee voldoet eiseres niet aan de bij 8. genoemde voorwaarde dat het arbeidsinkomen meer bedraagt dan € 4.993 (2019) en € 5.072 (2020). Omdat bij partners beide partners arbeidsinkomen moeten hebben, hebben eisers alleen om die reden al in 2019 en 2020 geen recht op de iack. Dat eiseres in 2019 nog wel benutbare arbeidsmogelijkheden zou hebben gehad, doet hieraan niet af. Er bestaat pas recht op de iack als de arbeidsmogelijkheden daadwerkelijk tot arbeidsinkomen hebben geleid. Uit de feiten volgt dat eiseres in 2019 geen arbeidsinkomen heeft genoten (2.1.). Voor zover eisers naar het jaar 2017 hebben verwezen, maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders omdat dit jaar voor de beoordeling niet van belang is (8.). De inspecteur heeft dan ook terecht de iack niet toegekend.
Hebben eisers recht op een dwangsom?
10. Eisers hebben verzocht om een dwangsom vast te stellen, omdat de inspecteur volgens eisers niet tijdig heeft beslist op hun verzoeken. De inspecteur is van mening dat er geen dwangsom verschuldigd is, omdat volgens hem de verzoeken kennelijk ongegrond waren.Voor het geval de rechtbank wel van oordeel is dat aan eisers een dwangsom moet worden toegekend, heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van samenhang.
11. Een verzoek om ambtshalve vermindering is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. Gelet hierop is bij verzoeken om ambtshalve vermindering de dwangsomregeling van toepassing. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
12. De inspecteur heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld, omdat het volgens hem de verzoeken kennelijk zijn afgewezen en er daarom geen dwangsom is verschuldigd. De rechtbank volgt de inspecteur niet in deze stelling. Uit de beschikkingen van 6 februari 2025 (2.7.) volgt dat de inspecteur onderzoek heeft gedaan naar het arbeidsinkomen van eisers. Er heeft dus een inhoudelijke beoordeling plaats gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden gezegd dat het verzoek kennelijk is afgewezen. De uitzondering van artikel 4:17, zesde lid letter c van de Awb (tekst 2019 en 2020) is daarom niet van toepassing.
13. Eisers hebben nadat de beslistermijn was verstreken de inspecteur in gebreke gesteld (2.6.). De inspecteur heeft pas op de verzoeken beslist na afloop van de termijn van twee weken om alsnog te beslissen na de ontvangst van de ingebrekestelling (zie 2.6 en 2.7.). Eisers hebben daarom recht op een dwangsom. De rechtbank stelt deze op grond van artikel 8:55c van de Awb zelf alsnog vast. Omdat de inspecteur pas heeft beslist nadat hij al meer dan 42 dagen in gebreke was, bedraagt de hoogte van de dwangsom in dit geval het maximumbedrag van € 1.442.
14. De inspecteur heeft gesteld dat er sprake is van samenhang, zodat er in totaal maar één dwangsom moet worden toegekend. De rechtbank overweegt dat de dwangsomregeling is bedoeld als financiële prikkel voor bestuursorganen om besluiten te nemen binnen de geldende beslistermijnen. In dit geval hebben eisers gelijktijdig voor meerdere jaren in één gezamenlijk verzoekschrift voor hun beide verzocht om toepassing van iack voor “het jaar 2020 en alle jaren daaraan vooraf”(2.5.). De doorlooptijd van de behandeling en daarmee voor de beslistermijn verliep voor alle verzoeken om ambtshalve vermindering gelijktijdig. De inspecteur heeft voor alle jaren (2018, 2019 en 2020) op dezelfde dag een beschikking genomen. Daar komt bij dat de verzoeken telkens zien op de toepassing van de iack. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van samenhang. Dat er meerdere beschikkingen zijn genomen, doet hier niet aan af. Ook het feit dat er twee verschillende belanghebbenden zijn, maakt niet dat er geen sprake meer is van samenhang. Bij de beoordeling of de iack van toepassing kan zijn, zijn namelijk ook de feiten van belang die betrekking hebben op de partner (8.).
14.1.
Omdat er sprake is van samenhang hebben eisers recht op één keer een dwangsom van € 1.442 voor hun gezamenlijke verzoeken. Deze verzoeken omvatten naast de jaren 2019 en 2020, ook het jaar 2018. De zaken van eisers over het jaar 2018 zijn door de rechtbank beoordeeld in een andere uitspraak met zaaknummers LEE 26/369 en LEE 26/372. Omdat er samenhang bestaat tussen vier zaaknummers, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur in elk van de zaaknummers een dwangsom van € 360,50 moet betalen.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ten onrechte geen dwangsom aan eisers toegekend. De beroepen zijn daarom gegrond.
Conclusie en gevolgen
16. De beroepen zijn gegrond. Eisers hebben beide recht op een dwangsom van € 360,50.
16.1.
Omdat de zaaknummers LEE 26/370 en LEE 26/373 zijn aangemaakt na de zitting van 2 februari 2026, heeft de rechtbank geen griffierecht geheven. Eisers hebben in hun zaken met zaaknummers LEE 24/4503 en LEE 24/4504, gelijktijdig behandeld op de zitting van 2 februari 2026 (1.4.), al een proceskostenvergoeding in de vorm van reiskosten toegekend gekregen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaken ook een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
stelt in de zaak LEE 26/370 de door de inspecteur te betalen dwangsom vast op € 360,50;
stelt in de zaak LEE 26/373 de door de inspecteur te betalen dwangsom vast op € 360,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 30 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een afwijzende beschikking ambtshalve vermindering IB/PVV 2018 eiseres, een afwijzende beschikking ambtshalve vermindering IB/PVV 2018 eiser, een afwijzende beschikking ambtshalve vermindering IB/PVV 2019/2020 eiseres en een afwijzende beschikking ambtshalve vermindering IB/PVV 2019/2020 eiser.
Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 8.14a van de Wet IB 2001 (tekst 2019 en 2020).
Artikel 8.14a, lid 1, onderdeel a van de Wet IB 2001 (tekst 2019 en 2020).
Artikel 8.14a, lid 1, onderdeel c van de Wet IB 2001.
Artikel 8.1, lid 1, onderdeel e, van de Wet IB 2001.
Onder verwijzing naar artikel 4:17, zesde lid letter c van de Awb (tekst 2019 en 2020).
Zie Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:360, r.o. 4.2.3.
Zie artikel 4:17, eerste lid van de Awb.
Onder verwijzing naar artikel 4:17, zesde lid onder c van de Awb.
Artikel 4.17, derde lid van de Awb.
Artikel 4.17, eerste en tweede lid van de Awb.
Kamerstukken II 2004-2005, nr. 29 934, nr. 6, blz. 7.
Vgl. Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352.
€ 1.442 / 4. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|