Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:564 
 
Datum uitspraak:23-04-2026
Datum gepubliceerd:15-05-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:24/2768 WMO15
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing verzoek om schadevergoeding blijft in stand. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een aantasting in de persoon in dit geval niet zonder meer kan worden aangenomen. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de in 2.1 en 2.2 genoemde uitspraken, hetgeen ook meebrengt dat tussen partijen vaststaat dat het college de extra zorg voor de kinderen – en de vraag of er vanuit de Wmo (tijdelijk) aanvullende ondersteuning nodig is – onvoldoende heeft onderzocht. Er is dus sprake van schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Bij een schending als de onderhavige van deze normen liggen de nadelige gevolgen voor de betrokkene niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bij haar (psychische) schade is ontstaan door de besluitvorming van het college. De enkele stelling dat haar echtgenoot door die besluitvorming overbelast is geraakt is onvoldoende.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
uitkering
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

24/2768 WMO15








Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2024, 24/1126 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)






Datum uitspraak: 23 april 2026
SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat uitsluitend nog over de vraag of de rechtbank terecht het verzoek van appellante om vergoeding van schade heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.




PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tegen een andere uitspraak van de rechtbank van 7 november 2024, 24/1124. Het college heeft nadere besluiten genomen en een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft gronden ingediend, ook tegen de nadere besluiten, en het college heeft daarop schriftelijk gereageerd.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 januari 2026, gevoegd met het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2024, 24/1124. Voor appellante is mr. Vetter verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.D. Mensing van Charante.

Na de zitting heeft appellante de Raad verzocht om uitsluitend nog uitspraak te doen over de afwijzing door de rechtbank van haar verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden schade, omdat partijen voor het overige een schikking hebben getroffen.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1983, is bekend met het Arnold Chiary Syndroom, type 1 en andere medische en psychische problematiek. De oudste zoon van appellante, geboren in 2015, heeft ook dit Arnold Chiary Syndroom. Haar jongste zoon, geboren in 2021, heeft een cerebrale parese. De partner van appellante is na een reorganisatie op zijn werk ontslagen en ontving daarna een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Vanaf 19 december 2023 heeft hij zich ziekgemeld bij het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen en met ingang van 19 maart 2024 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet.



1.2.
Appellante heeft zich in 2022 gewend tot het college met een verzoek om ondersteuning. Hiertoe heeft zij op 15 september 2022 een zogenoemd ‘Pgb-plan Wmo’ ingediend.



1.3.
Op 19 april 2023 heeft het college besloten appellante niet in aanmerking te brengen voor een maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden (HbH) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Met een besluit van 11 januari 2024 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen deze afwijzing gedeeltelijk gegrond verklaard en aan appellante een maatwerkvoorziening voor 3 uur en 45 minuten per week HbH verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Met een besluit van 22 januari 2024 (bestreden besluit 2) heeft het college hiervoor aan appellante een pgb verstrekt voor de periode van 23 december 2023 tot en met 31 december 2024.



1.4.
Met een besluit van eveneens 19 april 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 11 januari 2024, heeft het college appellante laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor aanvullende individuele ondersteuning (AIO) op grond van de Wmo 2015.



1.5.
Met een besluit van 27 mei 2024 heeft het college de jongste zoon in aanmerking gebracht voor een persoonsgebonden budget voor jeugdhulp, voor 14 uur per week, met als goedgekeurde zorgverlener de partner van appellante.



Uitspraken van de rechtbank




2.1.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met bepalingen van griffierecht en proceskosten het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en bepaald dat het college een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen, met inachtneming van de uitspraak. Volgens de rechtbank heeft het college niet inzichtelijk gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de medische situatie van de partner van appellante. Ook heeft het college in de visie van de rechtbank niet voldoende gemotiveerd hoe het inzetten van een oppas, ondanks de vastgestelde medische problematiek van de kinderen van appellante, voorliggend kan zijn. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de ingangsdatum van de maatwerkvoorziening voor HbH 8 februari 2023 moet zijn.


2.1.1.
Het verzoek van appellante om het college te veroordelen tot vergoeding van schade van € 5.000,- heeft de rechtbank afgewezen. Dat de maatwerkvoorziening voor HbH pas na bezwaar is verstrekt en dat pas in beroep is komen vast te staan dat daarvoor een eerdere ingangsdatum had moeten gelden, is volgens de rechtbank niet voldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van een situatie als bedoeld in de door appellante genoemde uitspraak van 14 februari 2024 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, te weten dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval met zich brengt dat de nadelige gevolgen voor appellante zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. De rechtbank heeft vervolgens overwogen over onvoldoende concrete gegevens te beschikken om te kunnen oordelen dat appellante schade heeft geleden als gevolg van de bestreden besluiten.




2.2.
De rechtbank heeft bij uitspraak van eveneens 7 november 2024, 24/1124, met bepalingen van griffierecht en proceskosten, het beroep van appellante tegen het besluit van 11 januari 2024 over de afwijzing van de maatwerkvoorziening voor AIO gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college de extra zorg voor de kinderen – en de vraag of er vanuit de Wmo (tijdelijk) aanvullende ondersteuning nodig is – niet voldoende heeft onderzocht. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat het in het algemeen op de weg van het college ligt om, in gevallen waarin sprake is van domein overstijgende problematiek, ook de onderlinge afstemming van betrokken regelingen in de besluitvorming te betrekken. Ook omdat de medische situatie van het gezin van appellante bekend was, had het college niet mogen volstaan met de algemene constatering dat er ‘mogelijk’ een beroep gedaan kan worden op de Jeugdwet in verband met de medische problematiek van de kinderen.


Nadere besluiten




3.1.
Met een besluit van 5 maart 2025 heeft het college aan appellante HbH verstrekt voor 4 uur en 15 minuten per week voor de periode van 8 februari 2023 tot en met 31 december 2025. Bij besluit van 14 maart 2025 heeft het college aan appellante een pgb verstrekt voor de periode van 8 februari 2023 tot en met 31 maart 2026.



3.2.
Met een besluit van 19 april 2025 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 april 2023 over de afwijzing van de AIO opnieuw ongegrond verklaard.


Het standpunt van appellante


4. Het hoger beroep van appellante richt zich uitsluitend nog tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om een schadevergoeding van € 5.000,-. De rechtbank heeft volgens appellante miskend dat er sprake was van een zo duidelijke normschending door het college, dat aantasting in de persoon zonder meer moet worden aangenomen. De nadelige gevolgen van het uitblijven van adequate besluitvorming zijn volgens appellante zodanig dat schadevergoeding is aangewezen. Appellante en haar gezin hebben vanaf de melding in 2022 tot aan 27 mei 2024 geen enkele vorm van ondersteuning gehad en afstemming van de Wmo 2015 en Jeugdwet heeft na de melding ten onrechte niet plaatsgevonden. Uit de beschikbare informatie blijkt volgens appellante afdoende dat haar partner als gevolg van de inadequate besluitvorming van het college overbelast is geraakt en in de Ziektewet is beland.




Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in hoger beroep stand houdt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


5.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Niet in geschil is dat de bestreden besluiten onrechtmatig zijn.



5.2.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als hiervoor bedoeld is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.



5.3.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een aantasting in de persoon in dit geval niet zonder meer kan worden aangenomen. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de in 2.1 en 2.2 genoemde uitspraken, hetgeen ook meebrengt dat tussen partijen vaststaat dat het college de extra zorg voor de kinderen – en de vraag of er vanuit de Wmo (tijdelijk) aanvullende ondersteuning nodig is – onvoldoende heeft onderzocht. Er is dus sprake van schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Bij een schending als de onderhavige van deze normen liggen de nadelige gevolgen voor de betrokkene niet zozeer voor de hand dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.



5.4.
Hieruit volgt dat appellante de gestelde aantasting in haar persoon met concrete gegevens moet onderbouwen. De Raad is van oordeel dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij haar (psychische) schade is ontstaan door de besluitvorming van het college. De enkele stelling dat haar echtgenoot door die besluitvorming overbelast is geraakt is onvoldoende.





Conclusie en gevolgen


5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in stand blijft.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.





(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum



(getekend) F.M. Gerritsen


Uitspraak van de Raad van State van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:613.


Zie onder meer uitspraak van de Raad van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.


Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.


Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.
Link naar deze uitspraak