Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:575 
 
Datum uitspraak:13-05-2026
Datum gepubliceerd:18-05-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:22/3078 WIA
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 40,14%. Benoeming deskundige. Juiste FML. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Functieselectie heeft op juiste wijze plaatsgevonden. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend voor appellant. Schadevergoeding en overschrijding redelijke termijn. Vergoeding proceskosten en griffierecht.
Trefwoorden:dagloon
omzetbelasting
tuinbouw
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

22/3078 WIA, 23/1426 WIA, 23/1435 WIA










Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 augustus 2022, 21/2278 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade





Partijen:


[werknemer] te [woonplaats] (werknemer)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


[werkgever B.V.] (werkgever)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)




Datum uitspraak: 13 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht werknemer per 10 september 2020 een WIA-uitkering heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,14%. Volgens werknemer heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. Werkgever heeft aangevoerd dat de arbeidskundige beoordeling niet juist is geweest. De Raad volgt de standpunten van partijen niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht een WIA-uitkering heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,14%.




PROCESVERLOOP

Namens werknemer heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade.

Werknemer heeft een rapport van verzekeringsarts J.H.L. Wijers ingediend.

Bij brief van 17 januari 2023 heeft mr. M. Hoefs zich gesteld als gemachtigde van werknemer.

Het Uwv heeft op 27 maart 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Werknemer heeft daarop gereageerd en werkgever heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juni 2023. Werknemer is verschenen, bijgestaan door een tolk en mr. Hoefs. Namens werkgever zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. De Raad heeft psychiater W. Nieuwdorp en verzekeringsarts K.C. Rammeloo als deskundigen benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundigen hebben op 19 augustus 2024 een rapport uitgebracht.

Werknemer heeft gereageerd op het deskundigenrapport en heeft het Uwv gevraagd om nadere informatie.

Het Uwv heeft nadere stukken overgelegd.

Partijen hebben nadere reacties ingediend.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Naar aanleiding van het verzoek van werknemer om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Namens werknemer is mr. Hoefs, via beeldbellen, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kooistra en mr. J.M. Breevoort. Werkgever heeft zich niet laten vertegenwoordigen.



OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Werknemer is op 13 september 2018 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als schoonmaker/magazijnmedewerker bij [werkgever B.V.] en [naam B.V.] , in totaal voor 32,13 uur per week. De dienstverbanden zijn met ingang van 11 oktober 2018 beëindigd en aan werknemer is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Nadat werknemer op 18 mei 2020, na het doorlopen van de wachttijd, een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat werknemer bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 september 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat werknemer niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor werknemer functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 23 september 2020 geweigerd werknemer met ingang van 10 september 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.



1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 7 april 2021 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van werknemer tegen het besluit van 23 september 2020 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wijzigingen aangebracht in de beperkingen en deze vastgelegd in een FML van 8 maart 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft opnieuw functies geselecteerd voor werknemer. Na een nieuwe berekening is werknemer opnieuw minder dan 35% arbeidsongeschikt bevonden.



Uitspraak van de rechtbank


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van werknemer tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het onderzoek niet zorgvuldig of niet volledig is geweest, inconsistenties bevat of andere gebreken vertoont. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomsten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De verzekeringsartsen hebben goed gemotiveerd waarom niet nog meer of verdergaande
beperkingen zijn aangenomen dan die nu in de FML zijn opgenomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de rug-, nek-, schouder- en armklachten in de rapporten van de verzekeringsartsen zijn betrokken bij de beoordeling en dat hiervoor de nodige beperkingen zijn aangenomen. Ook de hartklachten en psychische klachten zijn meegenomen. Wat betreft de darmklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende toegelicht dat de diagnose IBS geen verdere beperkingen impliceert. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk geconcludeerd dat er, rekening houdend met de gestelde beperkingen, geen reden is voor een vergaande urenbeperking. De rechtbank heeft geoordeeld dat dat ook in lijn is met de door het Uwv gehanteerde standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid in arbeid. De functies die aan de afwijzing van de WIA-aanvraag ten grondslag zijn gelegd zijn naar het oordeel van de rechtbank in medisch opzicht passend.


Het standpunt van werknemer




3.1.
Werknemer heeft in hoger beroep een rapport van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts Wijers ingediend en aangevoerd dat verdergaande beperkingen moeten worden opgenomen in de FML. Verzekeringsarts Wijers komt tot verdergaande beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en tot een urenbeperking. Werknemer heeft verder aangevoerd dat de functies productiemedewerker industrie en monteur printplaten niet geschikt zijn. Hij is niet in staat de schroefbewegingen in de functie van productiemedewerker industrie te maken en te duwen. De functie van monteur printplaten (SBC-code 267051) is daarnaast onder de onjuiste SBC-code ingedeeld. Verwezen is daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 september 2021.



3.2.
Het Uwv heeft op 27 maart 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen en aan werknemer per 10 september 2020 alsnog een WIA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,14%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 maart 2023 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 maart 2023 ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft werknemer gevolgd in zijn beroepsgrond dat de functie met nummer 8441.0011.001 (monteur printplaten) uit SBC-code 267051 ingedeeld had moeten worden in SBC-code 111180. Omdat in SBC-code 267051 geen andere functie kon worden geselecteerd, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deze SBC-code laten vervallen. Behalve de reservefunctie medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) konden geen geschikte functies uit andere SBC-codes worden geselecteerd.



3.3.
Werknemer kan zich met bestreden besluit 2 niet verenigen. Hij heeft onder verwijzing naar een rapport van de door hem ingeschakelde arts Wijers, gesteld dat hij op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat hij in aanmerking dient te komen voor een IVA-uitkering.


Het standpunt van werkgever




3.4.
Werkgever heeft zich op het standpunt gesteld dat de functieselectie niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. De beoordeling door het Uwv is onvoldoende transparant, het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) is verouderd, onbetrouwbaar, niet controleerbaar en ook niet op juiste wijze gebruikt. De schattingen zijn steeds aangepast en daarmee is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verbod op willekeur. Er zit te weinig consistentie in de arbeidskundige beoordelingen van het Uwv en voor werkgever zijn deze beoordelingen niet inzichtelijk. Zo is bijvoorbeeld voor werkgever niet na te gaan of in het CBBS een voltijdsfunctie beschikbaar is en of terecht een deeltijdfunctie is geselecteerd. Daardoor verkeert de werkgever in een ongelijke procespositie. Daarnaast heeft volgens werkgever ten onrechte geen overleg tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts plaatsgevonden. Onduidelijk is verder of de functie van printplaatmonteur (SBCcode 267051) is gewijzigd en wanneer. Er is daarnaast geen sprake van een ongeschoolde werknemer met opleidingsniveau 2 en de bekwaamheden zijn niet uitgevraagd. Werkgever stelt zich op het standpunt dat drie geschikte functies voor werknemer bestaan met een omvang van 25 uur of meer (in ieder geval meer dan 19 uur) die leiden tot een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Ten onrechte is voor de functie medewerker bloemzaadproductie een reductiefactor toegepast. Het Uwv had ook functies kunnen combineren en bijvoorbeeld de functie van apotheekbezorger kunnen duiden. Werkgever verwijst daarbij naar ECLI:NL:CRVB:2021:2204 over het combineren van functies. Werkgever heeft verder aangevoerd dat, omdat tegenwoordig gebruikelijk is dat in deeltijd wordt gewerkt, de reductiefactor niet meer zou moeten worden toegepast.


Het deskundigenonderzoek




3.5.
Gelet op het verschil in standpunten tussen de door werknemer ingeschakelde arts Wijers en van de verzekeringsartsen van het Uwv over de belastbaarheid van werknemer heeft de Raad een deskundige benoemd. De deskundige verzekeringsarts heeft na bestudering van het dossier voorgesteld een psychiater als deskundige bij het onderzoek te betrekken. De Raad heeft daarmee ingestemd en de deskundigen hebben gezamenlijk een rapport uitgebracht op 19 augustus 2024. Zij hebben geconcludeerd dat werknemer op de datum in geding beperkt psychisch belastbaar was en dat in de FML van 8 maart 2021 hiermee op passende wijze rekening is gehouden. Ook met de fysieke aandoeningen is in de FML op passende wijze rekening gehouden. Voor een aanvullende beperking in de duurbelastbaarheid hebben de deskundigen geen medische indicatie gezien.



3.6.
Werknemer heeft gereageerd op het rapport van de deskundigen en medegedeeld niet in te stemmen met hun conclusie. Daarnaast heeft hij te kennen gegeven dat hij zich niet kan vinden in de hoogte van het dagloon en het Uwv om inzage in de berekening hiervan verzocht.



3.7.
Het Uwv heeft inzage gegeven in de berekening van het dagloon.




Het oordeel van de Raad


4.1.
Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Daarom komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking, moet het beroep van werknemer tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten van werknemer. Omdat bestreden besluit 2 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van werknemer en werkgever, wordt dit besluit, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, in de procedure betrokken en worden de hoger beroepen geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.



4.2.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.



4.3.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 10 september 2020 heeft vastgesteld op 40,14%. Partijen hebben te kennen gegeven dat per 10 september 2022 aan werknemer een IVA-uitkering is toegekend maar die beoordeling ligt hier niet voor.


Medische beoordeling




4.4.
In het rapport van 19 augustus 2024 heeft de deskundige verzekeringsarts met inachtneming van de conclusie van de deskundige psychiater overwogen dat de huidige klachten en bevindingen consistent zijn met de bevindingen van de verzekeringsartsen die de WIA-aanvraag en het bezwaar beoordeeld hebben. Deze zijn volgens de deskundigen ook consistent met de conclusies en diagnoses uit de behandelende sector. Werknemer was op de datum in geding beperkt psychisch belastbaar. In de FML van 8 maart 2021 is hiermee op passende wijze rekening gehouden. De deskundige verzekeringsarts is verder tot de conclusie gekomen dat ook met de fysieke aandoeningen in de FML op passende wijze rekening gehouden. Er is geen reden om werknemer meer beperkt te achten op de datum in geding dan door het Uwv is aangenomen.



4.5.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel kunnen rechtvaardigen. De Raad ziet geen reden in dit geval om een uitzondering op deze hoofdregel aan te nemen en zal het rapport van de deskundigen volgen. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is voldoende gemotiveerd. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van een andere, door de partijen geraadpleegde, deskundige is op zich niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Werknemer heeft geen overtuigende argumenten aangevoerd die aanleiding geven de conclusies van de deskundigen niet te volgen.


Arbeidskundige beoordeling




4.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de voorbeeldfuncties die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt voor werknemer. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de belasting in de functies, ook in het licht van de daarbij vermelde signaleringen, de belastbaarheid van werknemer niet overschrijdt.



4.7.
De beroepsgrond van werkgever dat deeltijdfuncties hadden moeten worden gecombineerd, slaagt niet. Uit de Nota van Toelichting bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) volgt dat sprake moet zijn van een voldoende realiteitsgehalte van de claimbeoordeling. Een specifieke combinatie van functies dient daarmee, naast dat een betrokkene daartoe medisch in staat dient te zijn, op voldoende schaal voor te komen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het Uwv heeft bij brief van 21 januari 2026 afdoende gemotiveerd toegelicht dat, als het standpunt van werkgever op dit punt wordt gevolgd, dit niet kan worden gewaarborgd. Er zou dan sprake zijn van een unieke combinatiebaan waarbij met meer (individuele) factoren rekening dient te worden gehouden, zoals bijvoorbeeld de reistijd tussen de twee functies. Daarbij speelt ook de vraag of een combinatieschatting voldoende toetsbaar is op grond van objectieve en inzichtelijke gegevens voor een werknemer en een werkgever. Van belang zijn naast reistijd en -afstand per regio immers ook aspecten als combinatiedruk en het per individu aangewezen vervoersmiddel. De door werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige F. van den Berg heeft niets tegenover dit goed gemotiveerde standpunt van het Uwv gesteld.



4.8.
De beroepsgronden dat het CBBS op onjuiste wijze wordt gebruikt, onvoldoende transparant en controleerbaar is, dat onvoldoende informatie van de werknemer beschikbaar is voor een werkgever om voldoende te kunnen aanvoeren en dat geen sprake is van equality of arms slagen ook niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.



4.9.
In geschillen over de arbeidsongeschiktheidswetten heeft de Raad herhaaldelijk onderkend dat een belanghebbende werkgever niet veel anders kan dan trachten aannemelijk te maken dat het onderzoek van het Uwv onvoldoende is geweest of dat de door het Uwv gegeven motivering de beslissing niet kan dragen, waardoor de werkgever niet op geheel gelijke voet als een werknemer en het Uwv aan het geding kan deelnemen. De Raad heeft eveneens eerder overwogen (zie onder meer de uitspraak van 20 juli 2001 en de uitspraak van 21 november 2002) dat dit de werkgever niet in een wezenlijk nadeligere positie brengt ten opzichte van de andere partijen als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zodat van een schending van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake is. Wel is het zo dat de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit over die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 november 2015).



4.10.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en ondersteunende methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. In deze rechtspraak ligt tevens besloten dat de omstandigheid dat het Uwv middels het CBBS beschikt over gegevens die voor de betrokkene niet alle kenbaar zijn, geen strijd oplevert met het uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende vereiste van equality of arms en met het beginsel van fair play.



4.11.
In wat werkgever in hoger beroep naar voren heeft gebracht, wordt geen aanleiding gezien om daarover anders te oordelen. Werkgever is aan de hand van de gedingstukken, waaronder de niet-eindgeselecteerde functies, voldoende in de gelegenheid gesteld de arbeidskundige grondslag van de besluitvorming van het Uwv te controleren en aan te vechten. Onder verwijzing naar de in 4.10 genoemde vaste rechtspraak is daarom ook in dit geding geen sprake van strijd met het vereiste van equality of arms.



4.12.
Ook heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 18 september 2020 toegelicht dat werknemer in Turkije de basisschool heeft doorlopen. Hij is daarom aangewezen op werkzaamheden zonder specifieke opleidingseisen. Daarbij past een opleidingsniveau 2. Verder rust op de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) en de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) niet de verplichting om te overleggen over de geschiktheid van de geselecteerde functies. Slechts indien de functiebelasting de belastbaarheid zoals neergelegd in de FML, overschrijdt, moet overleg tussen een arbeidsdeskundige en een verzekeringsarts plaatsvinden. De arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) is, anders dan werkgever heeft aangevoerd, op grond van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel uurloonschatting 2008, gehouden het mediane loon met toepassing van een zogenoemde reductiefactor te verlagen, indien de urenomvang van de geselecteerde arbeid kleiner is dan die van de maatgevende arbeid.


IVA-claim




4.13.
Uit het voorgaande volgt dat het betoog van werknemer dat hij per 10 september 2020 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering niet slaagt.

Dagloon




4.14.
Anders dan werknemer heeft aangevoerd, heeft Uwv het dagloon van werknemer juist vastgesteld. Per 10 september 2020 is aan werknemer een WIA-uitkering toegekend. Op die datum volgt uit artikel 18, tweede lid van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit):


Het dagloon van de werknemer die in de referteperiode geen loon als bedoeld in artikel 14 of 15 heeft genoten, is, in afwijking van artikel 16, eerste lid, de uitkomst van de volgende berekening:


[(A–B) x 108/100 + C] / D


waarbij:


A staat voor het loon dat de werknemer voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft genoten in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;


B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft genoten in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden;


C staat voor het loon dat de werknemer voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft genoten in het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en


D staat voor het in dat aangiftetijdvak gelegen aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag van intreden van de arbeidsongeschiktheid.


Het Uwv heeft met de brieven van 7 januari 2025 en 27 maart 2025 overtuigend gemotiveerd dat het dagloon van werknemer op grond van artikel 18, tweede lid van het Dagloonbesluit, per 10 september 2020 terecht is vastgesteld op € 77,91.



4.15.
Uit 4.4 tot en met 4.14 volgt dat de beroepen van werknemer en werkgever tegen bestreden besluit 2 ongegrond zijn. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering met ingang van 10 september 2020 aan werknemer gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,14% in stand blijft.


Schadevergoeding en overschrijding redelijke termijn


5. In bezwaar is gevraagd om vergoeding van de wettelijke rente. In bestreden besluit 2 is niets vermeld over de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Daarom wordt het verzoek van werknemer toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012.



5.1.
Werknemer heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In dit geval is daarvan geen sprake. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.



5.2.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van werknemer door het Uwv op 30 september 2020 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim zes maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim zes maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 11 mei 2021 tot de uitspraak op 25 augustus 2022 ruim vijftien maanden geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 23 september 2022 tot de datum van deze uitspraak 43 maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. De redelijke termijn is in dit geval met een jaar en zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. Van deze overschrijding is een maand toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – 18 maanden – voor rekening van de Staat komt en het resterende deel – een maand – voor rekening van het Uwv. Voor berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan werknemer tot een bedrag € 105,- (1/19 deel van € 2.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan werknemer tot een bedrag van € 1.895,- (18/19 deel van € 2.000,-).





Conclusie en gevolgen


6.1.
Het hoger beroep van werknemer slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Ook het bestreden besluit 1 wordt vernietigd. De beroepen van werknemer en werkgever tegen bestreden besluit 2 slagen niet en worden daarom ongegrond verklaard. Dat betekent dat werknemer per 10 september 2020 40,14% arbeidsongeschikt wordt geacht en recht heeft op een WIA-uitkering.



6.2.
Werknemer krijgt een vergoeding voor zijn proceskosten. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten die werknemer in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-), € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 3.736 in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 2 punten voor het tweemaal verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de reactie op het nieuwe besluit op bezwaar en 0,5 punt voor de zienswijze op het deskundigenrapport, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 6.936,-.



6.3.
Ook komen de kosten van de door werknemer ingeschakelde medisch adviseur voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van in totaal € 1.028,50 (inclusief omzetbelasting) alsmede de door werknemer gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van in totaal € 56,13.



6.4.
Verder bestaat aanleiding om de Staat en het Uwv beide voor de helft te veroordelen in de proceskosten die werknemer in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,-). Daarvan komt € 233,50 voor rekening van het Uwv en € 233,50 voor rekening van de Staat.



6.5.
Het totale bedrag van voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 8.254,13.

7. Ten slotte zal het Uwv het door werknemer in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- dienen te vergoeden.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep van werknemer (zaaknummer 22/3078) tegen het besluit van 7 april 2021 gegrond en vernietigt dit besluit;
- verklaart de beroepen van werknemer (zaaknummer 23/1426) en werkgever (zaaknummer 23/1435) tegen het besluit van 27 maart 2023 ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan werknemer van een vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.895,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van werknemer tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als aangegeven in rechtsoverweging 5;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan werknemer van vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 105,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van werknemer tot een bedrag van € 8.254,13;
- bepaalt dat het Uwv aan werknemer het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.


(getekend) S. Wijna



(getekend) S.P.A. Elzer





Rb Noord-Holland 14 september 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7834.


Zie de uitspraak van de Raad van 14 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3654.


Staatsblad 2004, 434, punt 4.


Het Uwv heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 7 december 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA8580.


CRvB 20 juli 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB2857.


CRvB 21 november 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF5675.


CRvB 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4292.


Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 7 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1407, 10 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:183, 13 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:606, 15 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1737, 2 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3031 en 16 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3180.


Zie Tica-mededeling M. 96.50, gehandhaafd voor de uitvoeringsinstellingen bij Lisv-besluit van 2 april 1997, Stcrt. 1997, 74, p. 8 en ECLI:NL:CRVB:1999:AL1072 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1999:al1072), CRvB 15-12-1999, RSV 2000/40 (http://deeplinking.kluwer.nl/?param=001D5695&cpid=WKNL-LTR-Nav2).


Zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Schattingsbesluit.


CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.


HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Link naar deze uitspraak