Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:5740 
 
Datum uitspraak:01-05-2026
Datum gepubliceerd:19-05-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 26/2810
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Svo, vovo, maatschappelijke opvang, zelfredzaamheid, belangenafweging Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekers om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat verzoekers zelfredzaam zijn.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/2810

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , verzoekster, en [naam verzoeker] , verzoeker,
samen te noemen: verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. D. Gogar).


Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekers om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat verzoekers zelfredzaam zijn.



Procesverloop

1. Verzoekers hebben zich op 20 februari 2026 gemeld voor toelating tot de maatschappelijke opvang (de aanvraag). Het college heeft deze aanvraag met de besluiten van 20 februari 2026 afgewezen. Verzoekers hebben tegen deze besluiten gezamenlijk bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter bij afzonderlijke verzoekschriften gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken aangemerkt als één verzoekschrift.


1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers en de gemachtigde van het college.




Beoordeling door de voorzieningenrechter


Wat is er gebeurd?

2. Verzoekers zijn gehuwd en hebben een dochter van 1,5 jaar oud. Op 15 april 2026 is verzoekster bevallen van hun tweede kind. Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker heeft de Turkse nationaliteit en beschikt over een werkvergunning voor Nederland. Zodra verzoekers een vaste woonplaats of briefadres hebben kan verzoeker in Nederland aan het werk.


2.1.
Verzoekers zijn in 2024 in Duitsland getrouwd. Verzoeker had in Duitsland een werkvergunning en werkte in de horeca. Omdat verzoekster niet in Duitsland kon aarden zijn zij in februari 2025 met hun dochtertje teruggekeerd naar Nederland. Van februari 2025 tot en met september 2025 hebben verzoekers met hun dochter ingewoond bij de ouders van verzoekster in Rotterdam. Vanwege de slechte verstandhouding met de ouders van verzoekster zijn verzoekers in oktober 2025 teruggekeerd naar Duitsland en uitgeschreven op het adres in Rotterdam. Sinds 3 november 2025 staan zij officieel ingeschreven in Duitsland. Zij huurden daar een woning. Omstreeks 10 februari 2026 zijn verzoekers dakloos geworden in Duitsland, omdat zij de huur niet meer konden betalen. Vervolgens hebben zij een aantal dagen in de studiowoning van de broer van verzoeker in Duitsland verbleven.



2.2.
Op 20 februari 2026 hebben verzoekers zich in Nederland gemeld bij Centraal Onthaal Gezinnen (COG) met het verzoek om tot de maatschappelijke opvang te worden toegelaten. Sindsdien verblijven verzoekers in Nederland, op de studentenkamer van een vriendin van verzoekster.


Waar gaat deze zaak om?

3. Het college heeft de aanvraag van verzoekers om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Het college acht verzoekers in staat zich op eigen kracht, met gebruikelijke voorzieningen, met mantelzorg en met hulp vanuit uw sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Verzoekers dienen zelf in hun onderdak (en dat van hun kinderen) te voorzien.

4. Verzoekers zijn het niet eens met dit besluit en willen met hun verzoek bereiken dat zij tot de maatschappelijke opvang worden toegelaten tot zij passende woonruimte hebben gevonden.


Spoedeisend belang

5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.



5.1.
Verzoekers voeren aan dat de huidige studentenkamer niet geschikt is voor een gezin met twee kleine kinderen. Zij kunnen niet terecht bij de familie van verzoekster, omdat verzoekster geen contact meer heeft met haar ouders en zussen. Verzoekster heeft meerdere keren geprobeerd om aan passende woonruimte te komen. Zij heeft contact opgenomen met Woonnet Rijnmond en diverse krimpgemeenten en gereageerd op loting-woningen. Telkens werd zij terugverwezen naar Rotterdam, omdat zij met deze stad de meeste binding heeft. Vraagwijzer of het Rode Kruis kunnen volgens verzoekster niet veel voor hen betekenen omdat verzoekers nog staan ingeschreven in Duitsland. Verzoekers leven op dit moment van het geld van de broer van verzoeker. Verzoeker kan niet werken zolang hij geen vaste woonplaats of briefadres heeft. Verzoekster wil gaan werken zodra de situatie voor hen stabieler is geworden. Gelet hierop neemt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang vooralsnog wel aan.


De voorzieningenrechter wijst het verzoek af

6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

7. Een inwoner van Nederland komt – kort gezegd – in aanmerking voor opvang op grond van de Wmo als hij of zij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn of haar veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit diens sociale netwerk te handhaven in de samenleving.


Zelfredzaamheid

8. Verzoekers kunnen pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak hebben door de problemen die zij ondervinden bij het zich handhaven in de samenleving. In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren. Uit het dossier en wat op de zitting is aangevoerd komt naar voren dat verzoekers zelfredzaam zijn.



8.1.
Het college heeft deugdelijk onderzoek verricht naar de hulpvraag van verzoekers. Op 20 februari 2026 heeft een intakegesprek met verzoekster plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft verzoekster aangegeven dat zij met name hulp nodig heeft bij het vinden van onderdak en werk en bij het afsluiten van een zorgverzekering. Er is geen sprake van ernstige verslavings-, schulden- of GGZ-problematiek (multi-problematiek). Het college heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat verzoekers zelfredzaam zijn en dat hun problemen met name zijn aan te merken als een huisvestingsprobleem. Zodra verzoekers passende woonruimte hebben gevonden zullen hun andere problemen daarmee grotendeels zijn opgelost. Verzoekers behoren daarom niet tot de doelgroep van de Wmo.



8.2.
Dat verzoekers zelfredzaam zijn blijkt ook uit het volgende. Verzoekers zijn meerdere keren op eigen kracht verhuisd, vanuit Nederland naar Duitsland en weer terug. Tijdens hun verblijf in Duitsland hebben verzoekers zich zelfstandig kunnen redden, waar nodig met (financiële) hulp van familieleden en derden. Zij hebben de weg naar de juiste instanties weten te vinden om hun zaken te regelen, zoals een (huur)woning. Het enkele feit dat zij hierbij hulp hebben gehad van anderen betekent nog niet dat zij niet zelfredzaam zijn. Verzoeker beschikt over een werkvergunning voor Nederland. Zodra hij een vast adres of een briefadres heeft kan hij hier aan het werk. Verzoekster heeft een administratieve opleiding niveau 2 en 3 afgerond (met een diploma).



8.3.
Daarnaast is niet gebleken dat voor verzoekers een acute noodzaak bestond om onvoorbereid naar Nederland te komen. Verzoeker is al tijdens hun verblijf in Duitsland een procedure gestart om zijn Nederlandse werkvergunning te laten omzetten naar een werkvergunning voor Duitsland. Zij hebben deze procedure echter niet afgewacht en zijn voortijdig teruggekeerd naar Nederland. Verzoekers willen vooral een veilige en stabiele toekomst voor hun kinderen. Dit zou ook in Duitsland mogelijk moeten zijn. Het moeten wachten op een woning, een bijstandsuitkering of werk is in Nederland niet anders dan in Duitsland.



Belangenafweging

9. Ondanks dat verzoekers niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoren kunnen er toch redenen zijn om het college, in verband met de zwaarwegende belangen van verzoekers en hun kinderen, op te dragen hen tot die opvang toe te laten.



9.1.
Omdat verzoekers zelfredzaam zijn is het primair hun eigen verantwoordelijkheid om in onderdak voor zichzelf en hun kinderen te voorzien. Daarbij laat de voorzieningenrechter zwaar meewegen dat verzoekers, hoewel hun situatie zeker niet gemakkelijk is te noemen, op dit moment nog wel onderdak hebben en niet acuut dakloos zijn of dreigen te worden.



9.2.
Ook de situatie van de kinderen levert een dergelijk zwaarwegend belang niet op. Bij de intake op 20 februari 2026 was ook een Loketspecialist Jeugd aanwezig. Die heeft geconcludeerd dat er geen zorgen zijn over de directe veiligheid van de oudste dochter van verzoekers en het destijds nog ongeboren kind. Verzoekers zorgen samen voor de opvoeding. Zij zijn betrokken ouders en liefdevol naar hun dochter. De dochter is gezond en verzoekster bezoekt met haar de CJG (het consultatiebureau). Verzoekster stond tijdens haar zwangerschap onder controle van een medisch specialist. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheden om het college op te dragen verzoekers alsnog tot de maatschappelijke opvang toe te laten.



9.3.
De voorzieningenrechter merkt ter voorlichting van verzoekers nog het volgende op. Verzoekers hebben aangevoerd dat verzoeker een briefadres nodig heeft om in Nederland te kunnen werken. Het is daarom belangrijk dat zij zich zo spoedig mogelijk inschrijven bij de gemeente Rotterdam (of een (krimp)gemeente elders in Nederland) en een briefadres aanvragen.




Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekers niet worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.





Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo.


Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo.
Link naar deze uitspraak