Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:2568 
 
Datum uitspraak:13-05-2026
Datum gepubliceerd:20-05-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:C/08/345529 / KG ZA 26-51
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kort geding. Afwijzing vordering schorsing tenuitvoerlegging vonnis. Belangenafweging.
Trefwoorden:levensonderhoud
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/345529 / KG ZA 26-51


Vonnis in kort geding van 13 mei 2026


in de zaak van



[eiser]
, handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. L.C. van der Veer,

tegen



[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R.J. Kwaak.





1De zaak en het oordeel in het kort


1.1.
Deze zaak betreft een executiegeschil waarin [eiser] de voorzieningenrechter verzoekt de tenuitvoerlegging van een vonnis te schorsen. Dat verzoek zal worden afgewezen omdat het belang van [gedaagde] bij de tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij schorsing daarvan. De voorzieningenrechter legt dat oordeel in het navolgende uit.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- het bericht van [gedaagde] met productie 1;- de mondelinge behandeling van 29 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van [eiser];- de pleitnota van [gedaagde].





3De feiten


3.1.

[eiser] heeft op basis van een aanneemovereenkomst installatiewerkzaamheden voor [gedaagde] verricht. Ook heeft [eiser] een bedrag van € 24.285,90,- van [gedaagde] geleend. Op enig moment heeft [eiser] haar werkzaamheden opgeschort en heeft [gedaagde] de verplichting tot nakoming van de overeenkomst door [eiser], omgezet in een verplichting tot vervangende schadevergoeding. Op 7 februari 2025 heeft [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand van [eiser] aan de [adres].



3.2.
Tussen partijen heeft vervolgens een procedure plaatsgevonden bij de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, die is geëindigd in het eindvonnis van 4 februari 2026 (zaaknummer: C/08/329462 / HA ZA 25-66). In dat vonnis is [eiser] in conventie veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van € 143.461,33 te vermeerderen met rente en kosten en is [eiser] in de proceskosten veroordeeld. In reconventie is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 17.707,14 te vermeerderen met rente.



3.3.
Bij brief van 12 maart 2026 heeft de ASN bank (hierna ASN) aan [eiser] onder andere het volgende medegedeeld:


“(…) We zeggen de relatie met u op en eisen uw schuld bij ASN op. (…)



Hierna leest u waarom we onze relatie met u opzeggen en de financiering opeisen:



[gedaagde] B.V. heeft op 7 februari 2025 beslag gelegd op uw (bedrijfs)pand aan de [adres]. We hebben u gevraagd afspraken te maken met [gedaagde] B.V. maar het beslag is niet opgeheven maar per 4 februari 2026 omgezet in executoriaal beslag. De beslaglegger dingt aan op een executieverkoop. Daarom eisen we nu uw schuld bij ASN op.



Naast [gedaagde] B.V. had de Belastingdienst kantoor Landelijk Incasso Centrum op 21 oktober 2025 executoriaal beslag gelegd.”




3.4.
ASN heeft [eiser] vervolgens de kans geboden het pand zelf onderhands te verkopen maar dat heeft [eiser] niet gedaan. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 22 oktober 2025 en 4 februari 2026.





4Het geschil


4.1.

[eiser] vordert – samengevat – schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis (zaaknummer: C/08/329462 / HA ZA 25-66) tot in hoger beroep uitspraak is gedaan en vordert [gedaagde] te gebieden aan ASN mede te delen dat zij niet aandringt op verhaal op vermogensbestanddelen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.



4.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.



4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





5De beoordeling


Spoedeisend belang


5.1.
Vooropgesteld overweegt de voorzienigenrechter dat het spoedeisend belang van [eiser] is gegeven omdat [gedaagde] de executie van het vonnis heeft aangezegd en zij de uitkomst van het door [eiser] ingestelde hoger beroep niet zal afwachten.


Belangenafweging



5.2.
In deze zaak moet de vraag beantwoord worden of [gedaagde] het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 4 februari 2026 ten uitvoer mag leggen of dat zij de executie moet staken totdat in hoger beroep is beslist op haar vorderingen.



5.3.
Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis ten uitvoer kan worden gelegd, ook wanneer tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld. De voorzienigenrechter kan de tenuitvoerlegging van een vonnis dat, zoals in deze zaak, zonder motivering uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en waartegen hoger beroep is ingesteld, alleen schorsen als sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde (in dit geval [eiser]) bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang bij de executie van degene die de veroordeling heeft verkregen (in dit geval [gedaagde]).



5.4.
Bij de beoordeling moet worden uitgegaan van de beslissingen in het ten uitvoer te leggen vonnis en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het rechtsmiddel blijft buiten beschouwing. Wel kan de voorzieningenrechter in het oordeel betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.



5.5.
Gelet op het voorgaande komt het dus aan op een belangenafweging. [eiser] voert in dat kader aan dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de vonnissen en dat er een kans is dat in hoger beroep anders wordt beslist. Ook voert hij aan dat hij door de onttrekking van zijn advocaat is benadeeld omdat er daardoor onvoldoende debat over de hoogte van de schade is gevoerd. Verder voert [eiser] aan dat ASN en de Belastingdienst hun vorderingen op hem ook zullen uitwinnen wanneer [gedaagde] de executie voortzet en dat hij dan geen bedrijfsmiddelen meer heeft om inkomsten te genereren voor zijn eigen levensonderhoud of voor aflossing van zijn schuldeisers en dat hij (persoonlijk) failliet zal gaan. Tot slot voert hij aan dat [gedaagde] geen belang bij de executie heeft omdat ASN en de Belastingdienst voorrang hebben op de executieopbrengst en [gedaagde] naar alle waarschijnlijkheid geen uitkering zal ontvangen.



5.6.

[gedaagde] betwist dat en stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen. Volgens [gedaagde] werd [eiser] op het moment dat zijn eerste advocaat zich onttrok, al bijgestaan door mr. Van der Veer maar heeft hij er bewust voor gekozen de akte over de hoogte van de schade niet te nemen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat [eiser] zelf heeft veroorzaakt dat ASN en de Belastingdienst hun vorderingen op hem opeisen en dat dit niet het gevolg is van de (aangezegde) executie door [gedaagde]. Verder is het volgens [gedaagde] niet aannemelijk dat [eiser] zijn verdiencapaciteit verliest bij verkoop van het bedrijfspand omdat hij zijn materialen vaak in containers op de bouwplaats opslaat, hij een andere bedrijfsruimte kan huren of in loondienst kan gaan. Tot slot voert [gedaagde] aan dat zij wel een zwaarwegend belang bij executie heeft omdat de te verwachten opbrengst van het pand € 275.000,- is en [gedaagde] in dat geval, ook na de uitkering aan ASN en de Belastingdienst, een uitkering ontvangt. De schuld bij aan de Belastingdienst loopt volgens [gedaagde] door de rente nog steeds op waardoor het voor haar resterende bedrag steeds lager wordt en zij dus een groot belang heeft om de executie voort te zetten.



5.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van [eiser] bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis, niet zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij de voortzetting van de executie. Daarvoor is ten eerste redengevend dat de omstandigheid dat [eiser] geen akte over de hoogte van de schade heeft kunnen nemen omdat zijn advocaat zich heeft onttrokken, voor zijn eigen risico komt. [eiser] heeft ondanks dat hij daartoe een redelijke termijn heeft gekregen, in de procedure geen nieuwe advocaat gesteld. Dit is, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, een bewuste keuze geweest.



5.8.
Verder is niet voldoende vast komen te staan dat [eiser] zijn bedrijfspand nodig heeft voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat [eiser] het pand niet nodig heeft omdat hij gebruik kan maken van een loods op de werkplek. De stelling van [eiser] dat hij het bedrijfspand nodig heeft om klanten te ontvangen, heeft hij niet onderbouwd met stukken en [gedaagde] betwist bovendien dat [eiser] op dit moment klanten of werk heeft.



5.9.
Ook heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] geen uitkering zal ontvangen bij de verkoop van het pand en daarom geen belang heeft bij de executie. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser], dat de executieopbrengst ongeveer € 187.500,- (het koopprijs van het pand in 2024) zal bedragen, gemotiveerd betwist en aangevoerd dat de te verwachten opbrengst € 275.000,- zal zijn. Ook heeft [gedaagde] gemotiveerd aangevoerd dat er, gelet op de schuld aan ASN en de Belastingdienst van € 160.000,-, respectievelijk € 40.000,-, een opbrengst van (mogelijk) € 107.000,- voor [gedaagde] zal resteren, in het geval de Belastingdienst zich mede zal verhalen op de zaken die onder het bodembeslag vallen, met een geschatte waarde van € 32.500,-. Ook indien de Belastingdienst zich niet op de bodemzaken zal verhalen, is er bij een opbrengst van € 275.000,- nog steeds een uitkering aan [gedaagde] te verwachten. Het had op de weg van [eiser] gelegen om in deze kort geding procedure aannemelijk te maken, met een deugdelijke onderbouwing van de waarde van het pand, dat er voor [gedaagde] geen uitkering te verwachten is. Dat heeft hij niet gedaan. Daar komt bij dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling onbetwist heeft aangevoerd dat de schuld bij de Belastingdienst door onder andere de rente nog steeds oploopt. Zij heeft dus belang bij een snelle ten uitvoerlegging van het vonnis zonder eerst de uitkomst van de procedure in hoger beroep af te wachten. Dat betekent dat het belang van [gedaagde] zwaarder weegt dan het belang van [eiser] en de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.



5.10.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:









- griffierecht





735,00







- salaris advocaat





760,00







- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





1.684,00











5.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





6De beslissing

De voorzieningenrechter


6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,



6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.(mb)



Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
Link naar deze uitspraak