Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGEABES:2026:34 
 
Datum uitspraak:16-02-2026
Datum gepubliceerd:21-05-2026
Instantie:Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:BON202500611
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Arbeidszaak. Werknemer heeft recht op een overwerkvergoeding. Werkgever was niet gerechtigd schade in te houden op salaris. Werkgever moet achterstallig salaris betalen. Werkgever moet schadevergoeding betalen in verband met onterecht ontslag op staande voet. Werknemer heeft geen recht op een billijke vergoeding. Werknemer heeft recht op een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500611
datum beslissing: 16 februari 2026


BESCHIKKING


in de zaak van:


[verzoeker],
wonende te Colombia,
verzoeker,
hierna: [verzoeker],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,

tegen


’T ZANDMANNETJE B.V.

gevestigd te Bonaire,
verweerster,
hierna: ’t Zandmannetje,
procederend in persoon.





1De procedure


1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 1 december 2025 op de griffie van dit Gerecht ingediend.



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2026. [verzoeker] is via een (slecht werkende) videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. Namens ’t Zandmannetje zijn de heer [directeur 1] (directeur) en de heer [directeur 2] (directeur, hierna: [directeur 2]) verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ’t Zandmannetje enkele producties aan het Gerecht overhandigd. Omdat de producties beperkt van omvang zijn en de gemachtigde van [verzoeker] op de mondelinge behandeling op de inhoud daarvan heeft gereageerd, zijn de producties toegelaten tot het procesdossier.



1.3.
Ten slotte is bepaald dat op 16 februari 2026 uitspraak zal worden gedaan.





2De kern van de zaak


2.1. [
verzoeker] werkte als vrachtwagenchauffeur bij ’t Zandmannetje. Op 30 juli 2025 is [verzoeker] door ’t Zandmannetje op staande voet ontslagen. [verzoeker] eist betaling van overwerkvergoeding, ingehouden salaris, achterstallig loon en vergoedingen vanwege het volgens hem onterechte ontslag. Zijn vorderingen worden grotendeels toegewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.





3De beoordeling


De achtergrond van het geschil



3.1.
Op 18 januari 2025 is [verzoeker] in dienst getreden bij ’t Zandmannetje in de functie van vrachtwagenchauffeur. De schriftelijke arbeidsovereenkomst is op 17 januari 2025 getekend voor de periode van 18 januari 2025 tot en met 17 januari 2026. Partijen zijn een brutosalaris van USD 10,35 per uur overeengekomen en een werkweek van 40 uur. In de arbeidsovereenkomst is verder bepaald dat overwerk voor 100% wordt uitbetaald.



3.2.
Op 25 juli 2025 heeft er een bedrijfsongeval plaatsgevonden. Door [verzoeker] werd met een cementwagen een heuvel op gereden. Op enig moment is de cementwagen gekanteld en is cement op de openbare weg terecht gekomen. Over de oorzaak van het kantelen van de cementwagen verschillen partijen van mening.



3.3.
Op 30 juli 2025 is door [directeur 2] aan [verzoeker] een bericht via Whatsapp gestuurd. In het bericht staat – vertaald uit het Spaans – dat [verzoeker] op staande voet ontslagen is, omdat hij niet op het werk verschenen is. Bovendien staat in het Whatsapp-bericht dat er geklaagd wordt over het gedrag van [verzoeker].


[verzoeker] is niet rechtsgeldig op staande voet ontslagen




3.4.
Hoewel niet alle vorderingen van [verzoeker] betrekking hebben op het in zijn ogen onterechte ontslag op staande voet, zal ten behoeve van de overzichtelijkheid van deze beschikking eerst de vraag beantwoord worden of het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven is. Daarna zullen de verschillende vorderingen van [verzoeker] afzonderlijk beoordeeld worden.



3.5.
Een werkgever kan een arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen (‘ontslag op staande voet’) als sprake is van een dringende reden. Het ontslag op staande voet is een uiterst middel om een arbeidsovereenkomst te ontbinden. Aan het ontslag op staande voet worden daarom hoge eisen gesteld.



3.6.
De dringende reden van het ontslag op staande voet moet onverwijld aan de werknemer worden medegedeeld. De reden moet duidelijk en volledig worden omschreven, zodat de werknemer weet welke omstandigheden aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggen. Die onverwijld medegedeelde reden fixeert de ontslaggrond.



3.7.
Op 30 juli 2025 is [verzoeker] via een bericht per Whatsapp door [directeur 2] op staande voet ontslagen. In dat bericht staat dat [verzoeker] is ontslagen, omdat hij niet op het werk verschenen is en er geklaagd wordt over zijn gedrag. Beoordeeld moet dus worden of die redenen voldoende grond opleveren voor het ontslag op staande voet van [verzoeker].



3.8.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de bestuurders van ’t Zandmannetje [verzoeker] ook andere zaken verweten, zoals het opzettelijk veroorzaken van het bedrijfsongeval van 25 juli 2025. Maar die redenen zijn niet onverwijld aan [verzoeker] als ontslaggrond medegedeeld. Daarom spelen die later aangevoerde redenen geen rol bij de beoordeling of [verzoeker] rechtsgeldig op staande voet ontslagen is.



3.9.
De omstandigheid dat er geklaagd wordt over het gedrag van [verzoeker] is onduidelijk en niet volledig omschreven. Daargelaten of het voor [verzoeker] duidelijk moest zijn dat klachten over zijn gedrag een reden was voor het ontslag op staande voet, is uit het Whatsapp-bericht niet duidelijk op te maken welke gedragingen hem concreet verweten worden. Daarom kunnen de vermeende klachten over het gedrag van [verzoeker] het ontslag op staande voet niet dragen.



3.10.
Op 28 juli 2025 is [verzoeker] niet op werk verschenen. Als reden daarvoor voert hij aan dat hij in de veronderstelling was dat hij door ’t Zandmannetje op 27 juli 2025 mondeling was ontslagen. Naar het oordeel van het Gerecht is het niet onbegrijpelijk dat bij [verzoeker] onduidelijkheid bestond over zijn dienstverband. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de bestuurders van ’t Zandmannetje [verzoeker] verweten het bedrijfsongeval van 25 juli 2025 opzettelijk te hebben veroorzaakt. Na het bedrijfsongeval heeft [directeur 2] een Whatsapp-bericht aan [verzoeker] gestuurd dat hij niet met hem wilde spreken. Bovendien had [verzoeker] zijn salaris over de maand juli 2025 niet uitbetaald gekregen. Volgens de arbeidsovereenkomst wordt het salaris iedere maand rondom de 26e van de betreffende maand uitbetaald. Uit Whatsapp-correspondentie tussen 28 en 30 juli 2025 blijkt dat [verzoeker] daar op verschillende momenten vragen over heeft gesteld aan [directeur 2]. Maar op die vragen over zijn salaris werd geen antwoord gegeven. Dat [verzoeker] in de gegeven omstandigheden niet op werk verschenen is, is – hoewel misschien niet verstandig – geen reden van zodanige aard dat deze tot gevolg kan hebben dat van ’t Zandmannetje redelijkerwijze niet gevergd kan worden de dienstbetrekking te laten voortduren.



3.11.
De conclusie luidt dat de door ’t Zandmannetje aangevoerde redenen uit het Whatsapp-bericht van 30 juli 2025 geen dringende redenen opleveren om tot een zware maatregel als ontslag op staande voet over te gaan. Dat betekent dat het ontslag niet rechtsgeldig gegeven is.


[verzoeker] heeft recht op een vergoeding voor overwerk




3.12. [
verzoeker] eist een overwerkvergoeding van USD 1.277,35. Hij stelt dat hij tijdens zijn dienstverband bij ’t Zandmannetje 246,83 uur heeft overgewerkt, maar daarvoor geen overwerkvergoeding heeft ontvangen.



3.13. ’
t Zandmannetje voert aan dat zij [verzoeker] nooit de opdracht heeft gegeven om over te werken. Volgens ’t Zandmannetje vroeg [verzoeker] aan haar om te mogen overwerken en is zij met die verzoeken akkoord gegaan. Omdat [verzoeker] op eigen initiatief is gaan overwerken, vindt ’t Zandmannetje dat zij geen overwerkvergoeding hoeft te betalen.



3.14.
Wettelijk is bepaald dat de maximale arbeidsduur, voor zo ver hier relevant, ten hoogste 40 uur per week bedraagt en dat het verboden is om een werknemer meer arbeid te laten verrichten, behalve bij wijze van overwerk. Verder is wettelijk bepaald dat voor overwerk een werknemer naast zijn volledige uurloon een overwerktoeslag van 50% moet ontvangen. Van deze wettelijke bepalingen kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. Voor de vraag of ’t Zandmannetje een overwerkvergoeding moet betalen is het niet relevant of dat overwerk plaatsvond op verzoek van ’t Zandmannetje of op eigen initiatief van [verzoeker]. Als door een werknemer wordt overgewerkt is de werkgever wettelijke verplicht om een overwerkvergoeding te betalen.



3.15.
Onweersproken is vast komen te staan dat [verzoeker] 246,83 uur heeft overgewerkt. ’t Zandmannetje zal worden veroordeeld tot betaling van 246,83 x 10,35 x 50 % = USD 1.277,35 (bruto). Omdat de overwerkvergoeding niet op tijd is betaald, zal de gevorderde wettelijke verhoging uit artikel 7A:1614q BW BES en de wettelijke rente worden toegewezen met dien verstande dat de wettelijke verhoging maximaal 50% van de verschuldigde overwerkvergoeding kan bedragen.


’t Zandmannetje was niet gerechtigd USD 600,00 in te houden op het salaris




3.16. [
verzoeker] stelt dat ’t Zandmannetje ten onrechte een totaalbedrag van USD 600,00 heeft ingehouden op zijn salaris in de maanden mei 2025 en juni 2025.



3.17.
Volgens ’t Zandmannetje heeft zij een bedrag van USD 600,00 als schadevergoeding op het salaris ingehouden, omdat [verzoeker] voor de derde keer een band van een vrachtwagen heeft beschadigd. De eerste twee keer dat [verzoeker] een band heeft beschadigd, heeft ’t Zandmannetje de kosten voor haar rekening genomen. Maar de derde keer was voor haar de maat vol en is de schade van de beschadigde band op het salaris van [verzoeker] ingehouden.



3.18.
De wet bepaalt dat een werknemer alleen aansprakelijk is voor schade als sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Van de wettelijke regeling kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken, tenzij dat schriftelijk overeengekomen is én de werknemer voor schade verzekerd is.



3.19.
In de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] is van de wettelijke regeling afgeweken. Daarin is namelijk bepaald dat [verzoeker] aansprakelijk is voor – kortgezegd – de schade van iedere fout die hij maakt. Een fout is echter niet hetzelfde als opzet of bewuste roekeloosheid. Niet gesteld of gebleken is dat [verzoeker] voor schade verzekerd is. Daarom kan in het onderhavige geval niet van de wettelijke regeling worden afgeweken en is de bepaling in de arbeidsovereenkomst niet geldig. Dat [verzoeker] de schade aan de band opzettelijk heeft veroorzaakt of bewust roekeloos is geweest is betwist en door ’t Zandmannetje op geen enkele manier onderbouwd. Daarom was ’t Zandmannetje niet gerechtigd om USD 600,00 in te houden op het salaris van [verzoeker] en zal zij worden veroordeeld dat bedrag aan [verzoeker] te betalen. De wettelijke rente zal worden toegewezen als gevorderd vanaf de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling.


’t Zandmannetje moet het salaris van [verzoeker] van juli 2025 betalen




3.20. [
verzoeker] stelt dat hij geen salaris over de maand juli 2025 uitbetaald heeft gekregen. Hij vordert dat ’t Zandmannetje wordt veroordeeld om dat salaris plus wettelijke rente en de wettelijke verhogen aan hem te betalen.



3.21. ’
t Zandmannetje heeft geen redenen aangevoerd waarom het salaris van [verzoeker] over de maand juli 2025 niet betaald zou hoeven worden. Dat zij [verzoeker] op 30 juli 2025 ontslagen heeft, is geen reden om het salaris over de periode daarvoor niet uit te betalen.



3.22.
Op de mondelinge behandeling heeft ’t Zandmannetje aangevoerd dat zij USD 500,00 contant aan [verzoeker] heeft betaald. Dat ’t Zandmannetje USD 500,00 in contanten aan [verzoeker] heeft betaald is betwist en op geen enkele manier onderbouwd. Daarom zal ’t Zandmannetje veroordeeld worden tot betaling van het gevorderde bedrag van USD 1.793,97. Omdat het salaris niet op tijd is betaald, zal de gevorderde wettelijke verhoging uit artikel 7A:1614q BW BES en de wettelijke rente worden toegewezen met dien verstande dat de wettelijke verhoging maximaal 50% van het verschuldigde achterstallig loon kan bedragen.


Verklaring voor recht zal worden afgewezen




3.23. [
verzoeker] vordert dat het Gerecht voor recht verklaart dat het door ’t Zandmannetje gegeven ontslag op staande voet onregelmatig en kennelijk onredelijk is. [verzoeker] heeft niet gesteld wat zijn belang is bij deze vordering. Het Gerecht is niet gebleken dat [verzoeker] een zelfstandig belang heeft bij deze vordering naast de vorderingen tot het betalen van schadevergoeding in verband met het niet rechtsgeldig gegeven ontslag. Die vorderingen worden hierna beoordeeld. Omdat aan deze vordering geen zelfstandige betekenis toekomt, zal de gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen.


’t Zandmannetje moet schadevergoeding betalen




3.24. ’
t Zandmannetje is schadeplichtig, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De werknemer heeft in dat geval de keuze om schadeloosstelling op grond van artikel 7A:1615r BW BES of een volledige schadevergoeding te vorderen. [verzoeker] heeft voor het eerste gekozen. De schadevergoeding bedraagt in dat geval het loon over de tijd dat de dienstbetrekking bij een rechtsgeldige beëindiging had behoren voort te duren. In het onderhavige geval bedraagt de opzegtermijn één maand. Daarom wordt ’t Zandmannetje veroordeeld tot betaling van één maand loon. Onweersproken is vast komen te staan dat één maand loon USD 1.793,97 (bruto) bedraagt. De wettelijke rente zal, als gevorderd, worden toegewezen vanaf de datum van deze beschikking.


’t Zandmannetje hoeft geen billijke vergoeding te betalen




3.25.
Als de dienstbetrekking kennelijk onredelijk is geëindigd, kan de rechter op grond van artikel 7A:1615s lid 1 BW BES een schadevergoeding naar billijkheid toekennen. Volgens [verzoeker] doet zich een situatie voor als in het hiervoor genoemd artikel. Maar welke situatie uit dit wetsartikel zich zou voordoen heeft [verzoeker] niet gesteld en is het Gerecht ook niet gebleken. Voor toekenning van een billijke schadevergoeding op een andere grond ziet het Gerecht geen aanleiding, omdat de gedragingen van [verzoeker] zelf hebben bijgedragen aan het (weliswaar onterechte) ontslag. [verzoeker] heeft als bestuurder een eenzijdig ongeval met zijn cementwagen gehad, waarbij voor ’t Zandmannetje grote schade is ontstaan. [verzoeker] heeft vervolgens de opdracht gekregen om de cementwagen op het terrein van ’t Zandmannetje te legen en schoon te maken, om te voorkomen dat de cementwagen door het uitharden van het cement verder beschadigd zal raken. Dat heeft hij niet gedaan. Na het terugbrengen van de cementwagen op het terrein van ’t Zandmannetje is [verzoeker] naar huis gegaan en niet meer op werk verschenen. Hij heeft zonder overleg zijn werkgever met de gevolgen van het ongeval laten zitten. Het is begrijpelijk dat ’t Zandmannetje daardoor ontstemd was. Ook als er bij hem onduidelijkheid was ontstaan over zijn dienstbetrekking bij ’t Zandmannetje, had [verzoeker] er voor kunnen kiezen om de eerstvolgende werkdag na 25 juli 2025 op werk te verschijnen en het gesprek met zijn werkgever aan te gaan over wat er op 25 juli 2025 is gebeurd en hoe dat moest worden opgelost. [verzoeker] heeft ervoor gekozen dat niet te doen en zonder bericht thuis te blijven.


’t Zandmannetje moet de vakantiedagen van [verzoeker] betalen




3.26. [
verzoeker] vordert daarnaast vergoeding van 6,25 niet genoten vakantiedagen. Bij het einde van de dienstbetrekking dient de werkgever de eindafrekening op te maken, onder meer bestaande uit betaling van de niet-genoten vakantiedagen. ’t Zandmannetje heeft het aantal van 6,25 niet genoten vakantiedagen niet betwist. Daarom zal de vordering van [verzoeker] tot betaling van een bedrag van 6,25 (vakantiedagen) x 8 (uur per dag) x 10,35 (uurloon) = USD 517,50 (bruto) worden toegewezen. De wettelijke rente over dat bedrag zal worden toegewezen vanaf de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling.


’t Zandmannetje moet proceskosten betalen




3.27. ’
t Zandmannetje heeft grotendeels ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op USD 28,00 aan in debet gesteld griffierecht. Dat moet ’t Zandmannetje betalen aan de griffier van dit gerecht. Daarnaast worden de proceskosten van [verzoeker] begroot op USD 1.118,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief 4) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing). Dat moet worden betaald aan [verzoeker].


De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard




3.28.
De beslissingen in deze beschikking worden, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daartegen heeft ’t Zandmannetje geen verweer gevoerd. Van kenbare bezwaren van ‘t Zandmannetje tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het Gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als ‘t Zandmannetje in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de hogere rechter een andere beslissing genomen wordt.


[verzoeker] wordt toegestaan kosteloos te procederen




3.21. [
verzoeker] zal worden toegestaan kosteloos te procederen gelet op het door hem overgelegde ‘Formulier recht gevende op kosteloze rechtsbijstand’.







4De beslissing

Het Gerecht:


4.1.
staat [verzoeker] toe kosteloos te procederen;



4.2.
veroordeelt ’t Zandmannetje tot betaling aan [verzoeker] van het bedrag van USD 1.277,35 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke verhoging uit artikel 7A:1614q BW BES en de wettelijke rente, vanaf de dag van verschuldigdheid van de overwerkvergoeding tot de dag van volledige betaling daarvan, met dien verstande dat de wettelijke verhoging maximaal 50% van de verschuldigde overwerkvergoeding kan bedragen;



4.3.
veroordeelt ’t Zandmannetje tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van USD 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;



4.4.
veroordeelt ’t Zandmannetje tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van USD 1.793,97 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke verhoging uit artikel 7A:1614q BW BES en de wettelijke rente, vanaf 1 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling daarvan, met dien verstande dat de wettelijke verhoging maximaal 50% van de verschuldigde overwerkvergoeding kan bedragen;



4.5.
veroordeelt ’t Zandmannetje tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van USD 1.793,97 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;



4.6.
veroordeelt ’t Zandmannetje tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van USD 517,50 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;



4.7.
veroordeelt ‘t Zandmannetje tot betaling van het in debet gestelde griffierecht van USD 28,00, te betalen aan de griffier van dit gerecht;



4.8.
veroordeelt ’t Zandmannetje tot betaling van de proceskosten aan [verzoeker], begroot op USD 1.258,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als ’t Zandmannetje niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het bevel tot betaling daarna wordt betekend;



4.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



4.10.
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.



Het Whatsapp-bericht in het Spaans luidt: “Y no vienes a trabajar. Y me quejo de tu comportamiento. Nunca te habían despedido. Hasta ahora. Ahora estás despedido. Con efecto inmediato. Por no presentarte a trabajar.”.


Artikel 7A:1615o lid 1 van het Burgerlijk Wetboek BES.


Artikel 8 lid 1 en lid 3 Arbeidswet 2000 BES.


Artikel 15 lid 1 Arbeidswet 2000 BES.


Artikel 7 Arbeidswet 2000 BES.


Artikel 7A:1615da lid 1 BW BES.


Artikel 7A:1615da lid 2 BW BES.


Artikel 7A:1615o lid 1 BW BES.


Artikel 7A:1615o lid 3 BW BES.


Artikel 7A:1615r lid 1 BW BES.
Link naar deze uitspraak