|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:11470 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 25/2171 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Wsf - gegrond | | Trefwoorden | : | studiefinanciering | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2171
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Remmelts).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor studiefinanciering. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 oktober 2024 afgewezen. Het verzoek om toekenning van een dwangsom heeft verweerder met het besluit van 10 oktober 2024 afgewezen.
1.1.
Eiser heeft bezwaar ingediend.
1.2.
Op 27 december 2024 heeft eiser beroep ingesteld omdat verweerder nog geen beslissing op zijn bezwaar had genomen.
1.3.
Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.4.
Eiser heeft op 20 februari 2025 beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit.
1.5.
Verweerder heeft op 16 april 2025 een verweerschrift ingediend.
1.6.
Eiser heeft de beroepsgronden op 4 juni 2025 aangevuld. Verweerder heeft op 25 november 2025 aanvullende stukken ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder via een beeldverbinding. De gemachtigde van eiser was in de zittingszaal aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser heeft een aanvraag om studiefinanciering ingediend met ingangsdatum 1 oktober 2024 voor de studie Computational engineering aan de [universiteit] te [plaats] , Duitsland. Eiser heeft een basisbeurs, een rentedragende lening en een studentenreisproduct (Ov-vergoeding buitenland) aangevraagd. De aanvraag is door verweerder afgewezen omdat de opleiding niet voldoet aan de voorwaarde van vergelijkbaarheid met een Nederlandse opleiding. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de opleiding van eiser niet leidt tot een nationaal erkend diploma. In Duitsland gaat de Akkreditierungsrat over de accreditatie van bachelor- en masteropleidingen. De opleiding van eiser was tot 30 september 2022 geaccrediteerd en daarna niet meer. Het door eiser toegestuurde bewijs van Systemakkreditierung maakt dat volgens verweerder niet anders. Bepalend is of de opleiding door de Akkreditierungsrat is geaccrediteerd. Systemakkreditierung is volgens verweerder onvoldoende.
3. Eiser heeft op 12 juni 2025 een nieuwe aanvraag ingediend voor studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2024. Verweerder heeft hierop positief beslist omdat de accreditering van de opleiding inmiddels was verlengd tot 30 september 2030.
4. Verweerder gebruikt bij zijn beslissingen adviezen van de Nuffic, een expertisecentrum voor wat betreft vergelijkingen tussen Nederlandse en buitenlandse opleidingen in het hoger onderwijs.
Wat vindt eiser?
5. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd. Hij voert aan dat hij in zijn nieuwe aanvraag van 12 juni 2025 geen studentenreisproduct voor de periode van 1 oktober 2024 tot juli 2025 heeft kunnen aanvragen. Eiser vindt dat hij daar recht op heeft. Volgens eiser heeft de Nuffic ten onrechte niet gekeken naar de Systemakkreditierung van de opleiding van eiser. Eiser verzoekt de rechtbank verder om een oordeel te vellen over de handelwijze en inconsistente communicatie van DUO. In telefonisch contact met DUO is namelijk aangegeven dat Systemakkreditierung doorgaans als voldoende wordt beschouwd. Daarnaast voert eiser aan dat hij recht heeft op een dwangsom.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Omvang van het geding
6. De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar geen gronden heeft aangevoerd over de dwangsombeslissing van 10 oktober 2024. Deze dwangsombeslissing staat daarom in rechte vast. Daar kan niet eerst in beroep tegen worden opgekomen. De dwangsombeslissing ligt dus niet ter beoordeling voor in deze procedure.
Beroep niet tijdig beslissen
7. Eiser heeft beroep ingesteld, omdat verweerder niet op tijd zou hebben beslist op zijn bezwaar. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit alsnog op het bezwaar heeft beslist. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat zijn belang ligt in het bepalen van een dwangsom, constateert de rechtbank dat niet in geschil is dat eiser verweerder in de bezwaarfase niet in gebreke heeft gesteld en dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat binnen de daarvoor geldende termijn is beslist op het bezwaar. Dit betekent dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
Beroep tegen afwijzing aanvraag
8. Nu de studiefinanciering inmiddels is verleend per 1 oktober 2024 ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij zijn studentenreisproduct voor de maanden van 1 oktober 2024 tot juli 2025 is misgelopen. Eiser vraagt alleen een oordeel van de rechtbank over dit deel van het bestreden besluit. Eiser heeft er belang bij heeft dat verweerder dit deel van de aanvraag alsnog toewijst. Daarbij is relevant dat een student in het buitenland een geldbedrag in plaats van een reisproduct krijgt. Naar het oordeel van de rechtbank is procesbelang in zoverre aanwezig.
9. Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag het advies en het nader advies van de Nuffic ten grondslag gelegd. Hierin staat dat Systemakkreditierung niet garandeert dat alle opleidingen van de instelling geaccrediteerd zijn. Instellingen met Systemakkreditierung mogen zelf kwaliteitsrapportages opstellen voor de Akkreditierungsrat tijdens de accreditatieprocedures, in plaats van één van de erkende Akkreditierungsagenturen. Dit garandeert niet dat de Akkreditierungsrat zal beslissen dat de opleiding geaccrediteerd wordt. De opleiding van eiser was volgens de Akkreditierungsrat tot 30 september 2022 geaccrediteerd. Daarna niet meer. De Nuffic komt daarom tot de conclusie dat de opleiding niet leidt tot een nationaal erkend diploma.
9.1.
Verweerder mag in beginsel op het advies van de Nuffic afgaan, nadat hij is nagegaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De vraag is of eiser concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid of zorgvuldigheid van het advies.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin geslaagd. Uit de database van de Akkreditierungsrat blijkt dat de accreditatie van de opleiding van eiser is verlengd met ingang van 1 oktober 2022. Daarbij is vermeld dat is geaccrediteerd door de onderwijsinstelling zelf via interne accreditering met het kwaliteitsmanagement van de school. Dat betrof dus kennelijk Systemakkreditierung. Dit is voldoende geacht om de nieuwe aanvraag van eiser in juni 2025 toe te wijzen. Verder staat in het afschrift van de Akkreditierungsrat, dat eiser als bijlage 3 bij zijn beroepsgronden heeft gevoegd, het volgende: “With system accreditation, a higher education institution receives the right to award the seal of the Accreditation Council for its self-assessed study programmes.” Dit wekt de indruk dat Systemakkreditierung namens de Akkreditierungsrat plaatsvindt. Gelet op deze omstandigheden is aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de Nuffic. Dat betekent dat verweerder dit advies niet ten grondslag had mogen leggen aan het bestreden besluit.
9.3.
De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen, voor zover het ziet op het studentenreisproduct (Ov-vergoeding buitenland), nu dit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.
10. De rechtbank komt niet meer toe aan een oordeel over de beroepsgrond over de (telefonische) communicatie van DUO, omdat het beroep vanwege het bovenstaande al gegrond is. De rechtbank wijst eiser op de mogelijkheid om bij een DUO een klacht in te dienen als hij dat wenst.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Het beroep is gegrond, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit van 6 februari 2025, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover het ziet op het studentenreisproduct (Ov-vergoeding buitenland). De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.868,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, beide met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar;
verklaart het beroep gegrond, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit van 6 februari 2025;
vernietigt het bestreden besluit, voor zover het daarbij gaat over het studentenreisproduct (Ov-vergoeding buitenland);
draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan hem moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|