|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:11472 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/692896 / HA RK 25-58 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Verzoek ontslag bestuurders stichting. Van de twee verzoekers is er één niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek tot ontslag is afgewezen. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | koopovereenkomst | | | vrijwilligers | | | | Uitspraak | RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/692896 / HA RK 25-586
Beschikking van 19 maart 2026
in de zaak van
1 [verzoeker 1] , te [woonplaats 1] ,2. [verzoeker 2] , te [woonplaats 2] ,
verzoekers,
advocaat: mr. J.H. Hommel,
tegen
1 [verweerder 1] , te [woonplaats 3] ,
2. [verweerder 2], te [woonplaats 4] ,3. [verweerder 3], te [woonplaats 5] ,4. STICHTING [verweerder 4], te gemeente [gemeente 1] ,
verweerders,
advocaten: mrs. M.C. van Rijswijk en H.G.Y. van Weerd.
Partijen worden hierna respectievelijk “ [verzoeker 1] ”, “ [verzoeker 2] ”, “ [verweerder 1] ”, “ [verweerder 2] ”, “ [verweerder 3] ” en “de Stichting” genoemd. [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] worden gezamenlijk ook aangeduid als “het bestuur”.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met elf producties, ingekomen op 10 oktober 2025;
- de brief van mr. Hommel van 26 januari 2026, met één aanvullende productie;
- het verweerschrift met zevenentwintig producties, ingekomen op 28 januari 2026.
1.2.
Op 5 februari 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren aanwezig:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , bijgestaan door mr. Hommel;
[verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] , bijgestaan door mrs. Van Rijswijk en Van Weerd;
De heer [naam 1] , de zoon van [verweerder 1] .
Namens partijen is het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd.
2De feiten
2.1.
De Stichting is op 14 februari 2005 opgericht als Stichting Hazara Forum Nederland . Blijkens artikel 2 lid 1 van de akte van oprichting van de Stichting had de Stichting ten tijde van haar oprichting het volgende doel:“het opkomen voor de rechten en belangen van de Hazara gemeenschap in en buiten Nederland.”
2.2.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de huidige statuten van de Stichting is haar huidige doel ten gevolge van een statutenwijziging van 1 september 2021:
“[…] het helpen van individuen – van buitenlandse komaf – die in Nederland woonachtig zijn en geen uitvaartverzekering hebben, alsmede het begeleiden bij het uitvaartproces en bijkomende (religieuze) verplichtingen en voorts al hetgeen in de ruimste zin met één en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daaraan bevorderlijk kan zijn.”
2.3.
[verweerder 1] is sinds de oprichting bestuurder van de Stichting. Hij bekleedt de functie van voorzitter.
2.4.
[verweerder 2] is sinds 10 april 2012 bestuurslid van de Stichting en bekleedt de functie van penningmeester.
2.5.
[verzoeker 1] was van 18 maart 2014 tot 4 april 2023 bestuurslid van de Stichting. [verzoeker 2] is al enige jaren vrijwilliger bij en donateur van de Stichting.
2.6.
Op 1 oktober 2018 is de vennootschap onder firma [bedrijf] opgericht. [verweerder 1] is één van de vennoten van deze vennootschap onder firma.
2.7.
De Stichting heeft bij koopovereenkomst van 26 juli 2021 het appartementsrecht gelegen op eigen grond, kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , [kadastraal nummer] , omvattende het recht op het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte op de begane grond en eerste verdieping met bijbehorende parkeerplaatsen en verder toebehoren plaatselijk bekend [adres] (hierna: het pand) gekocht.
2.8.
[verweerder 3] bekleedt sinds 26 april 2023 de functie van secretaris binnen het bestuur van de Stichting.
2.9.
Bij akte van oprichting van 31 juli 2024 is [bedrijf] B.V. opgericht. [bedrijf] B.V. is op 2 augustus 2024 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [verweerder 1] is één van de bestuurders van deze vennootschap.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Het verzoek strekt, zakelijk weergegeven, tot het, uitvoerbaar bij voorraad, met onmiddellijk ingang ontslaan van [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] als bestuurders van de Stichting, met benoeming van [verzoeker 2] , [verweerder 3] en [naam 2] tot nieuwe bestuurders van de Stichting. Tevens verzoeken verzoekers verweerders te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.
Verzoekers leggen aan het verzoek ten grondslag dat zij, als voormalig bestuurslid van de Stichting en betrokken donateur en vrijwilliger, zich sinds enkele jaren zorgen maken over de wijze waarop het bestuur zijn bestuurstaken uitoefent. Hiertoe voeren verzoekers aan dat zij twijfelen of het bestuur zich bij de uitoefening van zijn taken wel in voldoende mate richt op het belang van de Stichting en haar betrokkenen. Aangezien meerdere donateurs zich met zorgen bij verzoekers hebben gemeld, verzoeken zij in het belang van de Stichting ontslag van het bestuur met benoeming van drie nieuwe bestuursleden.
3.3.
Verweerders voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de verzoeken.
3.4.
Hierna wordt, voor zover van belang, nader op de standpunten van partijen ingegaan.
4De beoordeling
De conclusie
4.1.
De rechtbank ziet geen grond voor het ontslag van het bestuur en wijst de verzoeken dan ook af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Het beoordelingskader
4.2.
De rechtbank kan, op grond van artikel 2:298 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), op verzoek van iedere belanghebbende of het Openbaar Ministerie een bestuurder van een stichting ontslaan op onderstaande gronden:
- verwaarlozing van zijn taak;
- andere gewichtige redenen;
- ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van
zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld;
- het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de
rechtbank ingevolge artikel 297 gegeven bevel.
De rechtbank merkt hierbij op dat voor ontslag van bestuurders van een stichting een hoge drempel geldt. De rechtbank moet terughoudend toetsen, want ontslag is een middel dat zwaar ingrijpt in het bestuur van een stichting en verstrekkende gevolgen heeft voor de bestuurder(s), mede vanwege het aan het ontslag gekoppelde bestuursverbod.
Kunnen verzoekers worden aangemerkt als belanghebbenden?
4.3.
Verweerders stellen zich op het standpunt dat verzoekers geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 2:298 lid 1 BW. Verweerders voeren hiertoe aan dat de vraag of iemand belanghebbende is, moet worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde tweekringenleer. Volgens deze leer zijn er twee categorieën van belanghebbenden, namelijk:
degenen die bij de uitkomst van de procedure een eigen belang hebben, en
degenen die op een andere wijze zo nauw betrokken zijn bij het onderwerp van de procedure dat ze op grond van die betrokkenheid een belang hebben om in de procedure te verschijnen.
Volgens verweerders behoren tot de eerste kring uitsluitend personen van wie een concreet, individueel recht of belang rechtstreeks wordt geraakt door de verzochte beslissing, waarbij het gaat om een persoonlijk belang dat niet ideëel, niet afgeleid en niet algemeen van aard is. Met betrekking tot de tweede kring voeren verweerders aan dat de betrokkenheid objectief bepaalbaar, concreet en duurzaam moet zijn en dat sympathie voor de doelstelling van de Stichting, morele betrokkenheid of bijvoorbeeld een vriendschappelijke relatie met de oprichter volgens de rechtspraak nadrukkelijk onvoldoende is.
4.4.
Met betrekking tot [verzoeker 1] voeren verweerders tevens aan dat een oud-bestuurder enkel als belanghebbende kan kwalificeren als de aangevoerde gronden betrekking hebben op een periode waarin hij bestuurder was en het verzoek binnen een redelijke termijn nadien is ingediend. Volgens verweerders zijn beide punten niet aan de orde. Verzoekers hebben hiertegenover voldoende onderbouwd dat de aangevoerde gronden voor het ontslag van het bestuur gedeeltelijk teruggaan op de periode waarin [verzoeker 1] bestuurder van de Stichting was, zoals het gestelde tegenstrijdig belang aan de zijde van [verweerder 1] , en dat het verzoek binnen een redelijke termijn is ingediend, aangezien in de periode na het ontslag van [verzoeker 1] meermaals is getracht een procedure te voorkomen door in gesprek te gaan.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verzoeker 1] als oud-bestuurder van de Stichting wel als belanghebbende moet worden aangemerkt.
4.5.
Verweerders stellen met betrekking tot [verzoeker 2] dat hij nooit als bestuurder, toezichthouder of op andere wijze functioneel betrokken is geweest bij de Stichting. Een donatie schept volgens verweerders geen juridische positie en geen betrokkenheid die onder de tweekringenleer zou vallen. Verweerders voeren hiertoe tevens aan dat de Stichting 260 donateurs heeft. Indien [verzoeker 2] als belanghebbende wordt gekwalificeerd geldt dat ook voor alle overige donateurs en dat is volgens verweerders, met het oog op de restrictieve uitleg van het begrip belanghebbende niet wenselijk. De rechtbank volgt verweerders in dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat [verzoeker 2] donateur en vrijwilliger is onvoldoende om hem op basis van de tweekringenleer aan te merken als belanghebbende. Het feit dat hij ook namens andere donateurs op zou treden, zoals verzoekers hebben gesteld, maakt dit niet anders.
4.6.
Gelet op het voorgaande zal [verzoeker 2] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoeken. Aangezien [verzoeker 1] wel ontvankelijk is in zijn verzoeken komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
De wijze van manifesteren van de Stichting
4.7.
[verzoeker 1] stelt dat de Stichting zich sinds een aantal jaar meer en meer manifesteert als politieke organisatie, althans dat het erop lijkt dat de Stichting politiek wordt beïnvloed. Hiertoe voert hij aan dat in het pand portretten van Iraanse leiders hangen en dat er beelden zijn waaruit blijkt dat een lid van de Iraanse ambassade een toespraak heeft gehouden. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de suggestie van [verzoeker 1] iedere feitelijke basis mist en berust op een onjuiste interpretatie van een eenmalige bijeenkomst. Verweerders voeren daartoe aan dat de bijeenkomst waaraan wordt gerefereerd in het teken stond van de Jamkaran Moskee, welke moskee een religieus heiligdom is. In verband met deze bijeenkomst is een poster van de moskee opgehangen waarop zeer klein portretten van Iraanse leiders te zien zijn die kennelijk door de Iraanse autoriteiten aan de toegangspoort van de moskee zijn aangebracht. Met betrekking tot de toespraak door een lid van de Iraanse ambassade voeren verweerders aan dat deze beelden niet in het geding zijn gebracht en dat zij deze stelling van [verzoeker 1] niet kunnen duiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker 1] tegenover dit gemotiveerde verweer onvoldoende concreet gemaakt dat de Stichting zich manifesteert als politieke organisatie en daarmee evenmin dat dit een gewichtige reden voor ontslag van het bestuur vormt.
De totstandkoming van bestuursbesluiten
4.8.
[verzoeker 1] stelt verder dat de wijze waarop bestuursbesluiten tot stand komen niet strookt met de statutaire bepalingen van de Stichting. Hiertoe voert hij aan dat alle besluiten feitelijk door [verweerder 1] worden genomen en dat [verweerder 3] en [verweerder 2] maar hebben in te stemmen met de voorstellen van [verweerder 1] . Verder voert [verzoeker 1] aan dat er geen notulen van de vergaderingen worden opgemaakt. Verweerders stellen zich op het standpunt dat [verzoeker 1] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, nu niet is toegelicht waaruit de totstandkomingsgebreken zouden bestaan. Volgens verweerders geschiedt de besluitvorming gewoon volgens de statuten en worden de besluiten niet enkel door [verweerder 1] genomen. Ook brengen verweerders naar voren dat er wel degelijk notulen van de vergaderingen worden opgemaakt, waarvan zij er enkele hebben overgelegd. [verzoeker 1] heeft daar tegenover naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd dat de besluiten van het bestuur niet conform haar statuten worden genomen. Dit maakt dan ook niet dat kan worden gesteld dat het bestuur zijn taak verwaarloost, dat een andere gewichtige reden bestaat voor het ontslag van het bestuur of dat sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.
Is er sprake van een tegenstrijdig belang dat ontslag rechtvaardigt?
4.9.
[verzoeker 1] stelt dat er sprake is van een tegenstrijdig belang aan de zijde van [verweerder 1] . Hiertoe voert hij aan dat het huidige doel van de Stichting nauw verweven is met de zakelijke belangen van [verweerder 1] in de vennootschap onder firma [bedrijf] en in [bedrijf] B.V. (hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als: [bedrijf] ). Dit volgt volgens [verzoeker 1] ook uit het feit dat de vennootschap onder firma enige tijd gevestigd is geweest op het vestigingsadres van de Stichting en [bedrijf] gebruikmaakt van het pand zonder enige tegenprestatie. Verweerders stellen zich daarentegen op het standpunt dat het betoog van [verzoeker 1] feitelijke grondslag mist. Verweerders voeren aan dat [bedrijf] de enige uitvaartonderneming in Nederland is die is toegespitst op het verzorgen van Sjiitische uitvaarten. [bedrijf] is volgens verweerders dan ook opgericht om in een maatschappelijke behoefte te kunnen voorzien, aangezien de Stichting de benodigde werkzaamheden niet kon verrichten nu zij uitsluitend werkt met vrijwilligers. Verweerders voeren aan dat [bedrijf] diensten aanbiedt tegen kostprijs en dan, hoewel zij daar niet toe gehouden is, tegen betaling gebruik maakt van de ruimtes van het pand van de Stichting, ondanks dat de prijs voor het gebruik van die ruimtes hoger ligt dan de prijs voor het gebruik van ruimte elders. Volgens verweerders is altijd transparant gecommuniceerd over de betrokkenheid van [verweerder 1] bij zowel de Stichting als bij [bedrijf] . Met betrekking tot de inschrijving van [bedrijf] op het adres van de Stichting voeren verweerders aan dat deze inschrijving enkel heeft plaatsgevonden om de energierekening van de Stichting te kunnen voldoen in een periode na de aankoop van het pand waarin de Stichting beperkte financiële middelen tot haar beschikking had.
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 2:291 lid 3 BW bepaalt dat een bestuurder zich dient te richten naar het belang van de stichting en de met haar verbonden ondernemingen of organisatie. De enkele mogelijkheid van het bestaan van een tegenstrijdig belang is onvoldoende. De vraag of er sprake is van een tegenstrijdig belang kan slechts met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval worden beantwoord. Er zal sprake moeten zijn van omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op het handelen van de betrokken bestuurder dat deze zich niet in staat had mogen achten het belang van de Stichting met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. [verzoeker 1] heeft, gelet op het gemotiveerde verweer, onvoldoende concreet onderbouwd dat er sprake is van een tegenstrijdig belang. Hierin ligt dan ook geen grond voor het ontslag van [verweerder 1] .
De connectie tussen [verweerder 1] enerzijds en [verweerder 3] en [verweerder 2] anderzijds
4.11.
Volgens [verzoeker 1] moeten [verweerder 3] en [verweerder 2] ook worden ontslagen, omdat zij vrienden zijn van [verweerder 1] en er daarom niets zal veranderen in het bestuur als alleen [verweerder 1] ontslagen wordt. Aangezien er geen grond is gebleken voor het ontslag van [verweerder 1] komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze stelling.
Slotsom
4.12.
Gelet op het voorgaande is op grond van artikel 2:298 lid 1 BW geen grond gebleken voor het ontslag van [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] . De rechtbank zal het verzochte dan ook afwijzen.
4.13.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op de mondelinge behandeling vanuit verzoekers de wens om transparantie vanuit de Stichting uitvoerig aan bod is gekomen.
De rechtbank geeft het bestuur om die reden mee, te bezien op welke wijze de transparantie vanuit het bestuur ten opzichte van haar donateurs en andere betrokken kan worden vergroot, teneinde onrust rond de Stichting te verminderen en in de toekomst te voorkomen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart [verzoeker 2] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
5.2.
wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
type: 3384 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|