Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGHACMB:2026:104 
 
Datum uitspraak:13-05-2026
Datum gepubliceerd:27-05-2026
Instantie:Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:SXM2024H00084
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Sint Maarten. Vordering bewakingsdiensten. Ongerechtvaardigde verrijking. Gedeeltelijke verjaring. Vrijwaringszaak tegen het Land Sint Maarten: hoewel appellant het Land niet als partij in het hoger beroep heeft betrokken (geen vermelding in de akte van appel, geen vernietiging gevraagd van het vonnis voor zover de vrijwaringsvordering is afgewezen, geen grieven daartegen) kán dat alsnog indien appellant dat wenst. Rolverwijzing voor uitlating partijen over hoogte restant vordering en het alsnog in het hoger beroep betrekken van het Land.
Trefwoorden:subsidies
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202200793 – SXM2024H00084
Uitspraak: 13 mei 2026



GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba


V O N N I S


in de zaak van:


STICHTING OVERHEIDSGEBOUWEN ST. MAARTEN,

gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagde,
thans appellante,
gemachtigden: mrs. R. Zwanikken en P. Soons,

tegen


SHERIFF SECURITY FORCE N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiseres,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. J.J. Rogers en N.R. Joubert.

Partijen worden hierna SOG en SSF genoemd.





1De zaak in het kort

Dit geding betreft de betaling van beveiligingsdiensten. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht) heeft in het vonnis van 11 juni 2024 (ECLI:NL:OGEAM:2024:12) geoordeeld dat SOG daarvoor moet betalen omdat zij ongerechtvaardigd is verrijkt.
Het Hof kan nog niet tot een eindoordeel komen en verwijst de zaak naar de rol voor uitlating van partijen.





2Het verloop van de procedure


2.1.
SOG heeft met een op 22 juli 2024 ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht. Op 30 augustus 2024 heeft zij een memorie van grieven (met producties) ingediend.



2.2.
SSF heeft op 23 oktober 2024 een memorie van antwoord ingediend.



2.3.
Op de zitting van het Hof van 27 augustus 2025 hebben beide partijen pleitnotities (SOG met producties) overgelegd. Het Hof heeft daarop bepaald dat het vonnis zal wijzen.






3De beoordeling


De vaststaande feiten

3.1.1 In opdracht en voor rekening van het Eilandgebied Sint Maarten is in 2006/2007 een evenementenlocatie gerealiseerd: het Festival Village.

3.1.2 Na opening ervan heeft SSF vanaf juli 2007 beveiligingsdiensten verleend in het Festival Village. De op die periode betrekking hebbende facturen van SSF (in totaal USD 1.281.059,06) zijn nimmer volledig voldaan. Tijdens deze procedure is door het Land Sint Maarten, de rechtsopvolger van het Eilandgebied Sint Maarten (verder: het Land) wel een deel ter grootte van Cg 458.427,50 betaald.

3.1.3 SOG is opgericht op 16 november 2006. In de oprichtingsakte is als doel van SOG, voor zover van belang, genoemd:
b het bezitten en beheren, kopen en verkopen, huren en verhuren en in het algemeen de exploitatie van onroerende zaken,

3.1.4 Op 26 juli 2007 heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten zich akkoord verklaard met de overdracht van ‘the management of the Festival Village’ aan SOG. Besloten is ook dat een volledig actieplan voor het management moet worden opgesteld. In dat plan moet, onder andere, aandacht besteed worden aan ‘daily security of the premises ref. squatters [Hof: krakers]’.

3.1.5 Op 20 mei 2008 heeft het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten een besluit genomen waarin, voor zover van belang, staat:

Voorts

(…)
2. Approval to allocate a budget amount of NAf. 10.000.00 to Stichting
Overheidsgebouwen for the assigning of a consultant to prepare a
"exploitation plan with budget" accompanied with a business plan for
approval.
(…)
5. Dient DET zorg te dragen dat de 'Festival Village' adequaat beveiligd
wordt. Momenteel wordt dit uitgevoerd door Sheriff Security, maar e.e.a. dient door het College te worden vastgelegd. Advies terzake dient door DET te worden opgemaakt. RAPPEL [Hof: DET = Department of Economy and Tourism]

3.1.6 SOG heeft in de loop der jaren meerdere beveiligingsovereenkomsten afgesloten met andere beveiligingsbedrijven dan SSF ten behoeve van door SOG in het Festival Village georganiseerde evenementen of activiteiten.


Enkele procedurele opmerkingen en overwegingen

3.2.1 In eerste aanleg heeft Critical Communication Caribbean (Sint Maarten) B.V. (verder: C3) gesteld een vordering te hebben op SSF. Om die reden heeft zij verzocht zich te mogen voegen in de procedure aan de zijde van SOG. Dat verzoek is bij vonnis van 18 oktober 2022 toegestaan.
In eerste aanleg heeft SOG verzocht het Land Sint Maarten (verder: het Land) in vrijwaring te mogen oproepen. Dat verzoek is bij het hiervoor genoemde vonnis van 18 oktober 2022 toegestaan.
Het hoger beroep van SOG richt zich niet tegen deze, in het vonnis van 18 oktober 2022 opgenomen, beslissingen. Ambtshalve is er geen reden anders te oordelen dan het Gerecht heeft gedaan. Aan de bedoelde voeging en vrijwaring behoeft daarom geen verdere aandacht besteed te worden.

3.2.2 SSF heeft in eerste aanleg ook het Land Sint Maarten als gedaagde betrokken in de procedure en ook van het Land betaling van haar diensten gevorderd. De vordering tegen het Land is bij eindvonnis van 24 juni 2024 afgewezen. Tegen die beslissing heeft SSF geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Het onderhavige hoger beroep is daardoor beperkt tot de zaak tussen SOG en SSF.

3.2.3 SOG heeft in eerste aanleg, voor het geval zij tot betaling veroordeeld zou worden, in de vrijwaringszaak gevorderd dat het Land jegens haar tot betaling van het aan SSF toegewezen bedrag gehouden is. Die vordering is in het vonnis van 24 juni 2024, in de vrijwaringszaak, afgewezen. Tegen die afwijzing richt het hoger beroep van SOG zich niet uitdrukkelijk. In de memorie van grieven worden immers geen afzonderlijke grieven tegen die afwijzing geformuleerd en in de akte waarmee hoger beroep is ingesteld wordt het Land niet genoemd als partij tegen wie het hoger beroep zich, mede, richt.

3.2.4 Daarmee is het doek echter niet gevallen over de rechtsverhouding tussen SOG en het Land. Aan de inhoud van de akte van appel wordt geen andere eis gesteld dan dat deze er geen twijfel over laat bestaan tegen welk vonnis het hoger beroep is gericht. Er behoeft uit de akte van appel niet te kunnen worden opgemaakt welke personen als geïntimeerden in het hoger beroep zijn betrokken. De appelrechter dient mede in het licht van hetgeen in de memorie van grieven is aangevoerd en rekening houdende met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij(en), ambtshalve te beoordelen tegen wie het hoger beroep is gericht, met als uitgangspunt dat slechts mag worden aangenomen dat de appellant de omvang van het hoger beroep heeft willen beperken, als dit ondubbelzinnig uit de verklaring blijkt.

3.2.5 Uit de memorie van grieven blijkt voldoende kenbaar (ook al ontbreken afzonderlijke grieven) dat SOG, mede, van mening is dat het Land de partij is die uiteindelijk het aan SSF verschuldigde bedrag dient te dragen voor het geval SOG wordt veroordeeld tot betaling daarvan en dus dat het Land haar, in dat geval, moet vrijwaren. Als het zover komt betekent dit dat de akte van appel alsnog aan het Land zal moeten worden betekend (samen met de memorie van grieven en dit vonnis) en dat het Land alsnog inhoudelijk op het hoger beroep (in de vrijwaringszaak) zal mogen reageren.


De grieven

3.3.1 SOG heeft zes grieven opgeworpen tegen het vonnis van het Gerecht. Deze strekken ertoe dat het vonnis van het Gerecht wordt vernietigd, dat de vordering van SSF alsnog wordt afgewezen, dat SSF, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld in de kosten van de procedure en dat SSF, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat ter uitvoering van het vonnis van 24 juni 2024 is betaald.
3.3.2 De grieven 1 en 2 richten zich tegen de feitenvaststelling van het Gerecht. Het Hof heeft hiervoor de feiten zelfstandig vastgesteld, rekening houdend met wat door SOG is gesteld, voor zover dat voor de beoordeling van belang is. Daarmee zijn deze twee grieven afdoende besproken. De overige grieven hebben betrekking op de ongerechtvaardigde verrijking (grief 3), de verjaring (grief 4), de toewijzing en hoogte van de vordering van SSF (grief 5) en de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskostenveroordeling (grief 6). Op die grieven wordt hierna ingegaan.


De ongerechtvaardigde verrijking (grief 3)

3.4.1 Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Aldus artikel 6:212 BW.

3.4.2 Het standpunt van SOG in hoger beroep laat zich als volgt samenvatten. Uit de stichtingsakte van 16 november 2006 volgt niet dat beheer en onderhoud van het Festival Village daadwerkelijk aan haar zijn overgedragen. In 2007 is slechts het management van het Festival Village aan haar overgedragen. Onder dat management valt niet de beveiliging omdat het Land en SOG dat nimmer met elkaar hebben afgesproken. Subsidie voor die diensten werd nooit ontvangen. Voor evenementen werden gebruiksovereenkomsten gesloten; de inkomsten daaruit gingen rechtstreeks naar het Land. Het Land droeg ook zorg voor verzekering van de gebouwen, betaalde de premies daarvoor en betaalde de rekeningen van de nutsvoorzieningen. Waar SOG wél beveiliging heeft georganiseerd berustte dat op afzonderlijke overeenkomsten met de betrokken beveiligingsbedrijven. Van een dergelijke overeenkomst met SSF is nooit sprake geweest.

3.4.3 Het Hof oordeelt als volgt. Blijkens de stichtingsakte behoren beheer en exploitatie van onroerende zaken van het Eilandgebied Sint Maarten tot de taak van SOG. Uit het besluit van het Bestuurscollege van het Eilandgebied Sint Maarten van 26 juni 2007 blijkt dat het management, inclusief de zorg voor beveiliging, over het Festival Village aan SOG is opgedragen. Uit het besluit van het Bestuurscollege van 20 mei 2008 blijkt dat voor de exploitatie van het Festival Village door SOG een budgetplan gemaakt moest worden. Uit de door SOG zelf overgelegde overeenkomsten met diverse beveiligers (voor specifieke evenementen) blijkt dat SOG de beveiliging van het Festival Village en de daarin door haar georganiseerde evenementen tot haar taken rekende. Dit alles, in onderling verband bezien, bewijst dat de exploitatie van het Festival Village tot de taak van SOG behoorde vanaf medio 2007 en dat beveiliging onderdeel was van die exploitatietaak.

3.4.4 Tot de exploitatie van gebouwen behoort gebruikelijk ook het zorgen voor adequate verzekering en beschikbaarheid van nutsvoorzieningen. Het enkele feit dat de kosten daarvan door het Eilandgebied Sint Maarten (al dan niet via DET) en later het Land gedragen werden doet hieraan niet af. Dit duidt slechts erop dat die kosten niet via het budget van SOG voldaan behoefden te worden en dus ook geen onderdeel behoefden te zijn van de subsidieverstrekking aan SOG. Dat SOG met andere beveiligingsbedrijven dan SSF, kennelijke aanvullende, beveiligingsovereenkomsten heeft afgesloten onderstreept slechts dat beveiliging tot haar taak als exploitant behoorde. Dat uit door SOG georganiseerde evenementen en activiteiten gerealiseerde inkomsten bij het Land terecht kwamen doet aan de exploitatietaak van SOG niet af.
3.4.5 Doordat SOG de door SSF gemaakte beveiligingskosten niet heeft voldaan, heeft zij zich de uitgaven daarvoor bespaard. Zij is daardoor verrijkt. SSF heeft de kosten van beveiliging niet betaald gekregen en is daardoor verarmd. Een overeenkomst tussen SOG en SSF die inhoudt dat SOG deze kosten niet hoeft te voldoen is niet gesteld; daarvan is evenmin gebleken. Ook een overeenkomst tussen SOG en het Land die inhoudt dat het Land deze kosten rechtstreeks aan SSF zal voldoen is niet gesteld; daarvan is evenmin gebleken. Voor de verrijking van SOG is om deze redenen en ook overigens geen redelijke grond aanwezig. Dat maakt haar verrijking ongerechtvaardigd in haar verhouding tot SSF. SOG is dan ook schadeplichtig jegens SSF op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Grief 3 slaagt niet.


De verjaring

3.5.1 SOG heeft, met een beroep op artikel 3:310 lid 1 BW, gesteld dat de vordering van SSF is verjaard. SSF heeft aangevoerd dat daarvan geen sprake is omdat haar vordering is gestuit door de erkenning daarvan door SOG dan wel de periodieke aanmaningen door SSF van SOG.

3.5.2 Het beroep op verjaring moet beoordeeld worden aan de hand van het volgende wettelijke kader. Van belang daarbij is dat zowel de vordering tot betaling van schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking als die uit hoofde van onrechtmatige daad (waarop hierna nog wordt ingegaan) hebben te gelden als vorderingen tot nakoming van een verbintenis.
a. Art. 3:310 lid 1 BW: een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.
b. Art. 3.317 lid 1 BW: de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldenaar zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.
d. Art. 3:318 BW: erkenning van de vordering stuit de verjaring.
e. Art. 3:319 lid 1 BW: door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.

3.5.3 Op 4 maart 2010 schrijft [projectcoördinator] in een mail aan SSF met als onderwerp ‘SOG’ dat facturen van SSF zijn ontvangen. Ook schrijft zij daarin:
We also have payments to make with respect to services granted for those days and events prior to and after use of the facilities.

3.5.4 Volgens SSF is dit een erkenning van haar vordering en is de verjaring daardoor gestuit. Daarin volgt het Hof haar niet. [projectcoördinator] was destijds projectcoördinator van Festival Village. Indien zij bevoegd was SOG te vertegenwoordigen en indien haar mededeling als een erkenning van een betalingsverplichting van SOG jegens SSF moet worden opgevat, geldt dat deze mededeling dan toch hoogstens kan betreffen de betalingsverplichting zoals deze uit die facturen over de periode tot 4 maart 2010 bleek. Die erkenning zou dan de verjaring van de vordering tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van die factuurbedragen hebben gestuit. Maar, slechts voor een periode van vijf jaren. Dat binnen die nieuwe periode van vijf jaren opnieuw een stuitingshandeling is verricht is door SSF niet aangevoerd. Het blijkt ook niet uit de stukken.

3.5.5 Op 1 mei 2020 heeft [penningmeester van SOG], penningmeester van SOG, in een mail aan SSF geschreven:
'Pursuant to our online meeting of 30 April we kindly ask you to send us a full statement of account for the outstanding invoices and financing charges for the services provided to SOG at the Festival village.

3.5.6 Volgens SSF is haar vordering (ook) in deze mail erkend en is de verjaring daardoor gestuit. Uit deze mail kan echter niet meer worden afgeleid dan dat London opgave vraagt van de openstaande facturen voor diensten die volgens SSF aan SOG zijn verleend. Een erkenning kan daarin bezwaarlijk worden gelezen.

3.5.7 Van periodieke aanmaningen van SOG, zoals SSF stelt, is geen sprake. Vrijwel alle aanmaningen zijn gericht aan het Land of het Eilandgebied Sint Maarten. Uitzondering vormt de brief van 9 juni 2017 van de gemachtigde van SSF aan SOG. In die brief wordt het recht op betaling van de vordering ondubbelzinnig voorbehouden. Die brief is echter niet binnen vijf jaren gevolgd door een nieuwe stuitingshandeling.

3.5.8 Dat binnen vijf jaren voorafgaand aan 16 juni 2022 (datum inleidend verzoekschrift) anderszins een stuitingshandeling is verricht heeft SSF niet aangevoerd en in ieder geval niet voldoende onderbouwd door geen aanmaningen of mededelingen in die periode te benoemen waaruit van stuiting van de verjaring zou kunnen blijken.

3.5.9 De conclusie moet dus zijn dat de vordering van SSF op SOG uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking is verjaard voor wat betreft de periode tot 16 juni 2017. Grief 4 slaagt in zoverre.

3.5.10 De facturen van SSF zien, blijkens het als productie 10 bij inleidend verzoekschrift overgelegde overzicht, op de periode van 7 juni 2007 tot en met 20 mei 2022. Voor de facturen in de periode van 16 juni 2017 tot en met 20 mei 2022 geldt dus dat de vordering van SSF niet is verjaard.


Onrechtmatige daad

3.6.1 Het gedeeltelijk slagen van grief 4 betekent dat onderzocht moet worden of de vordering van SSF voor wat betreft de facturen over de periode tot 16 juni 2017 op een andere, in eerste aanleg door SSF gestelde, grondslag toewijsbaar is. Die andere grondslag was: onrechtmatige daad.

3.6.2 Het beroep op verjaring van SOG slaagt ook ten aanzien van die grondslag onder de vordering van SSF. Wat hiervoor ten aanzien van de verjaring is overwogen geldt ook hier: er is niet gebleken van erkenning of stuiting een stuiting middels een aanmaning of schriftelijke mededeling waarin het recht op betaling ondubbelzinnig is voorbehouden. De vordering van SSF over de periode tot 16 juni 2017 is, ook beoordeeld op de grondslag van onrechtmatige daad, dus verjaard.


Hoe nu verder?

3.7.1 Nu het verjaringsverweer deels slaagt zal berekend moeten worden welk deel van de door het Gerecht toegewezen vordering betrekking heeft op de periode van 16 juni 2017 tot en met 20 mei 2022. Het gaat dan om de vordering zonder ‘financial charges’. Die zijn immers, zo heeft het Gerecht beslist, niet toewijsbaar en tegen dat oordeel is SSF niet opgekomen in (incidenteel) hoger beroep.

3.7.2 Op de dan resterende vordering moet in mindering gebracht worden het inmiddels daarop (door het Land) betaalde bedrag van Cg 458.427,50 nu die betaling niet in geschil is.

3.7.3 De zaak zal naar de rol worden verwezen voor een akte aan de zijde van SSF waarin een berekening van het niet verjaarde vorderingsdeel en het in de visie van SSF dan nu nog verschuldigde bedrag moet zijn opgenomen. SOG zal daarop bij antwoordakte kunnen reageren.

3.7.4 Het kan zijn dat deze berekening leert dat van een nog resterende hoofdsom geen sprake meer is of dat het resterende geschil nog slechts een beperkte omvang heeft op het punt van de resterende hoofdsom. Als dat zo is doen partijen er, ter vermijding van extra kosten, verstandig aan de zaak alsnog te doen eindigen met een vaststellingsovereenkomst, al dan niet met het Land als derde partij.

3.7.5 Het kan ook zijn dat SOG, gelet op het voorgaande, er geen behoefte meer aan heeft om het Land alsnog in deze procedure te betrekken teneinde te doen vaststellen of het Land haar moet vrijwaren. SOG kan zich daarover in de al genoemde antwoordakte uitlaten.


Overige verweren

3.8.1 SOG heeft het hoger beroep ook gericht tegen de veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Daarnaast heeft zij een beroep gedaan op eigen schuld van SSF. Ook heeft zij gesteld dat toewijzing van de vordering niet redelijk is (art. 6:212 BW) dan wel onaanvaardbaar (art. 6:248 lid 2 BW).

3.8.2. Over deze aspecten van de zaak zal bij eindvonnis worden geoordeeld omdat op dit moment niet bekend is welke hoofdsom bij de beoordeling een rol moet spelen.


Slotsom

3.9.1 Nadere informatie van partijen is nodig om een eindvonnis te kunnen wijzen. De zaak wordt daarom voor het verstrekken daarvan naar de rol verwezen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.


B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de eerste rolzitting van het Hof in Sint Maarten na het reces (de datum wordt nog meegedeeld) voor uitlating van partijen als bedoeld in de overwegingen 3.7.1 tot en met 3.7.5;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 13 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak