|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:2740 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_1649 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Beroep ongegrond. Het UWV heeft de ZW-uitkering van eiseres terecht met ingang van 5 december 2024 beëindigd. Het UWV gaat er terecht vanuit dat de FML van 13 februari 2024 de belastbaarheid van eiseres op 5 december 2024 correct weergeeft. Uitgaande van deze FML, die dus ook nog gold op de datum in geding 5 december 2024, is het aannemelijk dat eiseres in staat was om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Het UWV heeft erkend dat het er in het bestreden besluit ten onrechte vanuit is gegaan dat eiseres geen gebruik wilde maken van de mogelijkheid haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Het UWV heeft namelijk geprobeerd het gebrek te herstellen, maar eiseres is daarop niet ingegaan. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1649
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])
gemachtigde: mr. Y. Schippers,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)
gemachtigde: [gemachtigde].
Samenvatting
1.1.
Deze uitspraak gaat over de beëindiging van een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). [eiseres] is het er niet mee eens dat het UWV haar ZW-uitkering met ingang van
5 december 2024 heeft beëindigd. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze beëindiging van de ZW-uitkering.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de ZW-uitkering van [eiseres] terecht met ingang van 5 december 2024 heeft beëindigd. [eiseres] krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Met een besluit van 3 december 2024 heeft het UWV de ZW-uitkering van [eiseres] met ingang van 5 december 2024 beëindigd. Met het bestreden besluit van 9 mei 2025 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV. De zus van [eiseres] was ook aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3.1.
[eiseres] werkte vanaf 1 september 2021 tot en met 31 januari 2022 als medewerker bediening bij Brasserie Het Striekiezer B.V. voor gemiddeld 23,54 uur per week. Vanaf
1 februari 2022 ontving [eiseres] een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 29 september 2022 heeft zij zich ziek gemeld. Nadat de WW-uitkering nog dertien weken was doorbetaald, heeft [eiseres] vanaf 29 december 2022 een ZW-uitkering ontvangen. Vanaf 28 februari 2022 tot en met 27 september 2023 heeft [eiseres] daarnaast voor gemiddeld 15,86 uur per week gewerkt als care giver bij Home Instead Thuisservice Enschede B.V. Vanaf 28 september 2023 heeft [eiseres] weer een volledige ZW-uitkering ontvangen.
3.2.
Na de eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft het UWV met een besluit van
2 november 2023 de ZW-uitkering van [eiseres] met ingang van 3 december 2023 beëindigd. Dit is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig rapport van 9 oktober 2023 en een arbeidskundig rapport van 1 november 2023. Met een besluit van 21 december 2023 heeft het UWV de eerdere WW-uitkering van [eiseres] vanaf 3 december 2023 voortgezet en daarnaast vanaf 3 december 2023 aan [eiseres] een nieuwe WW-uitkering toegekend. Met dit besluit heeft het UWV vanaf 3 december 2023 ook een toeslag aan [eiseres] toegekend. Met een beslissing op bezwaar van 7 maart 2024 is het UWV bij de beëindiging van de ZW-uitkering vanaf 3 december 2023 gebleven. Dit heeft het UWV gebaseerd op een rapport van 2 februari 2024 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 6 maart 2024 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.3.
[eiseres] heeft zich per 21 maart 2024 opnieuw ziek gemeld. Nadat de WW-uitkering dertien weken was doorbetaald heeft het UWV met een besluit van 12 juni 2024 aan [eiseres] vanaf 20 juni 2024 een ZW-uitkering toegekend. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
Standpunt UWV
4. Het UWV heeft de ZW-uitkering van [eiseres] met ingang van 5 december 2024 beëindigd, omdat zij vanaf 9 oktober 2024 weer geschikt is voor de met de EZWb van
2 november 2023 geduide functies. Het UWV heeft dit gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Met de beslissing op bezwaar van 7 maart 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van de EZWb van 2 november 2023 voor [eiseres] een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 13 februari 2024 vastgesteld. Deze ziet op de datum 3 december 2023. Volgens het UWV is de belastbaarheid van [eiseres] op 5 december 2024 gelijk aan die FML. Daarmee kan ze de geduide functies schadecorrespondent (SBC-code 516080), telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound) (SBC-code 315174), administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 515080), archiefmedewerker (SBC-code 553020) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) verrichten. Dit zijn de functies die met het arbeidskundig rapport van 1 november 2023 zijn geduid.
Standpunt [eiseres]
5. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat haar ZW-uitkering vanaf 5 december 2024 moet worden voortgezet. Zij onderbouwt dit met de volgende argumenten.
5.1.
[eiseres] merkt op dat de motivering in het besluit van 3 december 2024 anders is dan die in het bestreden besluit. Volgens het besluit van 3 december 2024 is [eiseres] vanaf
5 december 2024 arbeidsgeschikt voor haar eigen werk en in het bestreden besluit staat dat [eiseres] in passende werkzaamheden ten minste 65% kan verdienen van haar vroegere loon. [eiseres] begrijpt dit verschil in motivering niet. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek geeft hierover ook geen opheldering. In de verzekeringsgeneeskundige rapporten is vermeld dat [eiseres] per 9 oktober 2024 geschikt is voor de geduide functies. Over de eigen functie van [eiseres] wordt niet gesproken.
5.2.
[eiseres] stelt dat de beperkingen in de FML onzorgvuldig, onjuist en onvolledig zijn weergegeven. Volgens de FML kan zij ongeveer een uur achtereen zitten, terwijl de verzekeringsarts in zijn rapport van 9 oktober 2023 zelf aangeeft dat dit slechts 20 minuten tot een half uur mogelijk is. [eiseres] is verder van mening dat de medische informatie die zij heeft aangeleverd onvolledig is meegewogen. Dat [eiseres] in oktober 2024 haar spieren niet kon belasten, met constante pijn moet leven en dat sprake is van een terugval is niet meegenomen. Daarnaast meldt [eiseres] dat zij op 23 december 2024 bij de orthopeed opnieuw een injectie heeft gekregen voor de pijn en ontstekingsklachten. Helaas hielp deze niet afdoende. De informatie van de orthopeed laat volgens [eiseres] een (nog) ernstiger beeld zien van haar klachten dan het geval was voor de operatie. De medische toestand van [eiseres] is verslechterd ten opzichte van de medische situatie van voor de operatie.
5.3.
[eiseres] is van mening dat de geduide functies niet geschikt zijn voor haar. Het zijn functies waarbij zij veel moet zitten. Dit gaat voorbij aan haar medische toestand. Juist wanneer [eiseres] zit, ontstaat hevige pijn en ervaart zij veel klachten doordat de druk op het bekken erg groot wordt.
5.4.
Verder merkt [eiseres] op dat het UWV in het bestreden besluit ten onrechte heeft vermeld dat zij heeft afgezien van een hoorzitting. [eiseres] heeft in haar bezwaarschrift laten weten dat zij bereid is om haar standpunt op een hoorzitting nader toe te lichten.
5.5.
[eiseres] heeft haar standpunt onderbouwd met:
a. een besluit van 18 juli 2025, waarmee het UWV aan [eiseres] vanaf 2 mei 2025 een ZW-uitkering heeft toegekend, een FML van 18 juli 2025, een verzekeringsgeneeskundig rapport van 18 juli 2025 en een arbeidskundig rapport van 21 juli 2025;
b. een brief van 11 februari 2025 van orthopedisch chirurg drs. J.M. Nellensteijn;
c. een brief van 15 april 2025 van gynaecoloog dr. M.F.G. Verberg en een brief van
8 september 2025 van gynaecoloog/oncoloog drs. M.J. Janssen;
d. een brief van 9 juli 2025 van een medewerker OK-en-opnameplanning en een brief van 25 september 2025 namens orthopedisch chirurg drs. J.M. Nellensteijn over een opname van [eiseres] van 24 tot en met 25 september 2025 in verband met SI stabilisatie met iFuse implantaten links;
e. een uitdraai uit het medisch dossier van [eiseres] van het Medisch Spectrum Twente (MST) van 29 augustus 2024 tot en met 24 november 2025;
f. een brief van 5 maart 2026 van osteopaat L.V. Heuperman en
g. een brief van 6 maart 2026 van fysiotherapeut J. Spijker-Nijland.
Overwegingen van de rechtbank
Toetsingskader
6.1.
Artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW bepalen dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en/of gebreken recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 19aa, eerste lid, van de ZW bepaalt dat in afwijking van artikel 19 de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van deze wet, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde, indien de verzekerde:
a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19; en
b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW bepaalt dat onder maatmaninkomen wordt verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
Artikel 19ab, derde lid, van de ZW bepaalt dat onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa, eerste lid, wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Bij de beoordeling van het recht van een verzekerde op ZW-uitkering na 52 weken arbeidsongeschiktheid worden artikel 19aa en artikel 19ab van de ZW en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) toegepast. Op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit wordt de arbeid die betrokkene nog kan verrichten nader omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende functies die passend zijn voor de betrokkene en die ieder ten minste drie arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.
6.2.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft een toetsingskader vastgesteld voor de situatie waarin de verzekerde – nadat het ziekengeld na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 19aa, eerste lid en onder b, na 52 weken is geëindigd – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt.
6.3.
Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd. Het zogenoemde bijduiden van functies is niet mogelijk, ook niet waar het gaat om functies binnen dezelfde SBC-codes.
6.4.
Voor wat betreft de door het UWV te verrichten beoordeling geldt daarbij het volgende.
6.5.
Stelt de verzekeringsarts naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding vast dat de medische beperkingen van een betrokkene sinds de eerdere EZWb niet zijn toegenomen, dan is daarmee gegeven dat de bij de EZWb geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding voor betrokkene geschikt zijn. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van ziekengeld op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen.
6.6.
Stelt de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vast dat de medische beperkingen van de betrokkene ten opzichte van de EZWb op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan dient te worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies. De beoordeling van de geschiktheid voor de oorspronkelijke functies kan in eerste instantie beperkt blijven tot de medische geschiktheid voor die functies. Indien en voor zover de door een betrokkene aangevoerde bezwaar- of beroepsgronden daartoe aanleiding geven zal het UWV in een voorkomend geval ook moeten beoordelen en motiveren dat de functies op de datum in geding ook in arbeidskundig opzicht geschikt zijn voor de betrokkene. Het gaat er dan om of betrokkene op de datum in geding voldoet aan de opleidings- of ervaringseisen van de functie zoals die ten tijde van de EZWb in het CBBS waren opgenomen.
6.7.
Indien een of meer van de bij de EZWb geselecteerde functies volgens de verzekeringsarts in verband met de toegenomen beperkingen van een betrokkene niet langer geschikt blijken, zal het UWV moeten beoordelen of er van de oorspronkelijk geselecteerde functies ten minste drie geschikte functies met ieder ten minste drie arbeidsplaatsen resteren. Is dit niet het geval, dan is de betrokkene daarmee ongeschikt te achten voor zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 van de ZW. Resteren er ten minste drie functies met ieder ten minste drie arbeidsplaatsen, dan zal het UWV de (mediane) loonwaarde, welke ten tijde van de EZWb aan die functies verbonden was, moeten vergelijken met het destijds geldende maatmaninkomen. Indien die vergelijking uitwijst dat onveranderd sprake is van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%, dan is de betrokkene niet ongeschikt voor zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 van de ZW.
De situatie van [eiseres]
7.1.
Van belang is dus of de functies, die met de EZWb van 2 november 2023 voor de datum in geding 3 december 2023 zijn geduid, op 5 december 2024 nog geschikt waren voor [eiseres]. Naast de functie medewerker bediening worden deze functies nu ook als ‘haar arbeid’ aangemerkt. Tijdens de zitting heeft [eiseres] de beroepsgrond dat het bestreden besluit op dit punt niet goed gemotiveerd is ingetrokken.
7.2.
De rechtbank moet eerst beoordelen of met de verzekeringsgeneeskundige rapporten voldoende is gemotiveerd dat de beperkingen van [eiseres] op 5 december 2024 ten opzichte van de FML van 13 februari 2024 niet zijn toegenomen.
Verzekeringsgeneeskundig onderzoek
7.3.
In het rapport van 2 december 2024 heeft een UWV-arts overwogen dat [eiseres] sinds 2021 klachten heeft aan beide SI-gewrichten, waarbij in maart 2024 een iFuse-operatie rechts heeft plaatsgevonden wegens bewezen SI-dysfunctie. Aanvankelijk was [eiseres] tevreden met het resultaat, maar sinds augustus 2024 zijn de pijnklachten teruggekeerd. [eiseres] ervaart pijn in het bekken, uitstralend naar de liezen en bovenbenen, met beperkte belastbaarheid: maximaal 15 minuten staan of wandelen, en zitten is ook pijnlijk. Traplopen, fietsen en opwaartse bewegingen veroorzaken pijn. Ze ligt liever op een loungebank dan te zitten vanwege verlichting. Uit medische verslagen blijkt dat het herstel na de operatie volgens verwachting verloopt, maar dat klachten als spier- en zenuwpijn kunnen aanhouden. Osteopathie, fysiotherapie en ontspanningsmassages bieden tijdelijke verlichting. De fysiotherapeut rapporteert toename van spierspanning en pijn (NRS 5-9). Deze spierspanning blijkt ook uit het onderzoek dat de UWV-arts heeft verricht. Het behandelplan richt zich op pijnreductie en verbetering van stabiliteit en kracht binnen 6-12 maanden.
De UWV-arts concludeert dat [eiseres] nog steeds klachten en beperkingen ervaart die invloed hebben op haar arbeidsvermogen.
De UWV-arts stelt vast dat [eiseres] vanaf 21 maart 2024 tot 9 oktober 2024 (datum spreekuur) arbeidsongeschikt was voor de geduide functies vanwege een medische interventie, die heeft plaatsgevonden. De UWV-arts merkt op dat de klachten en beperkingen nog steeds aanwezig zijn. Zij stelt dat, gezien de huidige situatie, de belastbaarheid per 9 oktober 2024 overeen komt met de FML van 13 februari 2024.
7.4.
Uit het rapport van 22 april 2025 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de UWV-arts volgt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep legt uit dat de UWV-arts [eiseres] pas zag op 9 oktober 2024 en er daarom voor heeft gekozen [eiseres] tot die datum volledig arbeidsongeschikt te achten. Dit komt ook tegemoet aan de operatie en herstelperiode daarna die [eiseres] heeft gehad. Na de operatie is het initieel beter gegaan en was [eiseres] pijnvrij. Tijdens het spreekuur bij de UWV-arts geeft [eiseres] echter aan dat de klachten weer als voorheen zijn. Volgens de orthopeed moet het tijd hebben en zijn de resterende klachten niet altijd goed te verklaren. Ook uit de informatie van de paramedici blijkt een toename van klachten die ook aanwezig is op de datum in geding. Uit de informatie van de orthopeed leidt de verzekeringsarts bezwaar en beroep af dat het rondom de datum EZWb dusdanig slecht ging met [eiseres] dat de operatie in gang werd gezet. Op 21 maart 2024 werd zij geopereerd. Op 29 augustus 2024 schrijft de orthopeed dat de pijn weer opspeelt. Uit informatie van de orthopeed blijkt ook dat er weer klachten zijn. Daar staat dat [eiseres] pijnklachten houdt en dat de ergste brandende pijn verdwenen is. Mogelijk is het linker SI-gewricht aanjager van de klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt dat [eiseres] in maart 2025 is gezien door Nocepta (pijncentrum) voor een diagnostische SI-blokkade links. Ook wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat de fysiotherapeut in november 2024 aangeeft dat de pijnklachten wisselend aanwezig zijn en [eiseres] nog niet volledig belastbaar is. Verder merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat de osteopaat in november 2024 aangeeft dat de grenzen van de belastbaarheid snel worden overschreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder overwogen dat [eiseres] op 23 december 2024 een injectie heeft gehad van de orthopeed.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat ook in op het verpleegkundig verslag van
17 september 2024, waarin staat dat [eiseres] hooguit 10 tot 15 minuten op een stoel kan zitten en hoe zich dat verhoudt met de FML, die vermeldt dat zij een uur achtereen kan zitten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep legt uit dat dit een verslag van een verpleegkundige, geen verzekeringsarts, is en dat het om anamnestische gegevens gaat. Zij wijst erop dat de FML is opgesteld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zij ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.
Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is duidelijk dat het na de operatie eerst goed ging en dat daarna een verslechtering is opgetreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de ernst van de situatie vergelijkbaar is met de ernst van de situatie voor de operatie. De FML van 13 februari 2024 is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook weer van toepassing.
7.5.
In beroep heeft [eiseres] nadere (medische) informatie overgelegd. De gemachtigde van het UWV heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij samen met de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gekeken naar deze stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat deze stukken, voor zover de informatie nog niet bekend was, niet zien op de datum in geding.
7.6.
De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen. Zij licht dit hierna toe.
7.6.1.
Met een besluit van 18 juli 2025 heeft het UWV aan [eiseres] met ingang van
2 mei 2025 een ZW-uitkering toegekend. Volgens het verzekeringsgeneeskundig rapport van 18 juli 2025, dat aan dit besluit ten grondslag ligt, zijn de beperkingen van [eiseres] ten opzichte van de FML van 13 februari 2024 toegenomen. Volgens de UWV-arts is er onvoldoende reden om toegenomen beperkingen aan te nemen ten gevolge van de rug- en bekkenklachten. Maar bij het psychisch onderzoek komen duidelijk toegenomen afwijkingen naar voren in vergelijking met het vorige onderzoek van een UWV-arts op
9 oktober 2024. De UWV-arts heeft een nieuwe FML van 18 juli 2025 vastgesteld. Uit het arbeidskundig rapport van 21 juli 2025 blijkt dat de arbeidsdeskundige slechts 2 van de 3 geduide functies geschikt vindt voor [eiseres]. Dit leidt ertoe dat [eiseres] niet meer geschikt is voor de maatgevende arbeid, zodat zij met ingang van 2 mei 2025 in aanmerking komt voor een ZW-uitkering.
Dit roept de vraag op of deze psychische beperkingen zich ook al voordeden op de datum in geding, die in deze procedure van belang is, 5 december 2024. Uit de informatie die [eiseres] in beroep heeft overgelegd blijkt niet dat dit het geval is. Deze informatie ziet niet op psychische klachten.
7.6.2.
Verder overweegt de rechtbank dat de informatie die [eiseres] over haar rug- en bekkenklachten heeft overgelegd, deels al is meegewogen in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en deels van na de datum in geding is. De brief van 11 februari 2025 van de orthopeed heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij haar beoordeling betrokken, zo blijkt uit het rapport van 22 april 2025. De opname van 24 tot en met 25 september 2025 vanwege de behandeling SI stabilisatie met iFuse implantaten links is van na de datum in geding, 5 december 2024. De informatie die blijkt uit het medisch dossier van [eiseres] van het MST was al bekend en is meegewogen in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep of ziet op de situatie van [eiseres] na de datum in geding. Uit het rapport van 22 april 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt namelijk dat de informatie van 29 augustus 2024 en het feit dat [eiseres] op 23 december 2024 een injectie heeft gehad is meegewogen. De rest van de gegevens in de uitdraai van het MST heeft betrekking op de periode daarna. De informatie dat [eiseres] behandeld wordt door de osteopaat en de fysiotherapeut voegt ook niets toe aan wat al bekend was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze behandelingen namelijk al meegewogen.
7.6.3.
Daarnaast wijst de rechtbank erop dat uit de informatie van de gynaecoloog kan worden afgeleid dat de gynaecologische klachten zich vanaf 15 maart 2025 hebben voorgedaan. Het consult was namelijk op 15 april 2025 en een behandeling had één jaar goed effect gehad, maar sinds een maand waren er weer klachten. Deze informatie ziet dus ook op de periode na de datum in geding. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten niet blijkt dat [eiseres] de gynaecologische klachten eerder heeft genoemd.
7.7.
Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat [eiseres] niet met medische informatie heeft onderbouwd dat zij op 5 december 2024 meer en verdergaande beperkingen had dan in de FML van 13 februari 2024 is vastgelegd.
7.8.
De verzekeringsgeneeskundige rapporten zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De UWV-arts heeft [eiseres] gezien en gesproken en haar psychisch en lichamelijk onderzocht. De UWV-arts heeft informatie opgevraagd bij behandelaren. De UWV-arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben het dossier van [eiseres] bestudeerd en alle (medische) informatie bij hun beoordeling betrokken. Ook dat sprake was van een terugval, de injectie op 23 december 2024, dat [eiseres] haar spieren niet kon belasten en dat ze met constante pijn moet leven zijn meegewogen. De rapporten bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies vloeien er logisch uit voort.
7.9.
Naar aanleiding van wat [eiseres] heeft opgemerkt over zitten, wijst de rechtbank op de FML van 13 februari 2024. Hieruit blijkt dat voor [eiseres] een lichte beperking in zitten is vastgesteld. [eiseres] kan ongeveer een uur achtereen zitten met vertreden en de mogelijkheid licht onderuit gezakt te zitten. Uit het verpleegkundig verslag van
17 september 2024 blijkt dat [eiseres] beperkingen claimt in zitten. Zij stelt dat zij hooguit 10 tot 15 minuten kan zitten op een gewone stoel. Het gaat hier dus niet om een vaststelling van een arts, maar om een beperking die [eiseres] ervaart. [eiseres] heeft onvoldoende met medische gegevens onderbouwd dat de beperking die voor zitten is vastgesteld niet toereikend is. [eiseres] heeft gewezen op het rapport van 9 oktober 2023 van de verzekeringsarts. Daarin wordt verwezen naar een actueel oordeel op 24 augustus 2023 van de bedrijfsarts, waar is vermeld dat [eiseres] beperkt is in lang zitten. Dit kan 20 minuten tot een half uur. De rechtbank wijst echter op vaste rechtspraak, waaruit volgt dat de beoordeling van de bedrijfsarts in het kader van de re-integratie een ander soort beoordeling is, met een ander doel, dan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Dit betekent dat aan de door de bedrijfsarts genoemde beperking in zitten niet die waarde kan worden gehecht die [eiseres] daaraan hecht.
7.10.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV er terecht vanuit gaat dat de FML van 13 februari 2024 de belastbaarheid van [eiseres] op 5 december 2024 correct weergeeft.
Arbeidskundig onderzoek
7.11.
Uit het rapport van 6 maart 2024 blijkt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor [eiseres] de functies archiefmedewerker (SBC-code 553020), schadecorrespondent (SBC-code 516080) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) heeft geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft alle functies, die de arbeidsdeskundige met het rapport van 1 november 2023 heeft geduid, verworpen. De rechtbank stelt vast dat de met het arbeidskundig rapport van 6 maart 2024 geselecteerde functies van belang zijn.
7.12.
Uitgaande van de FML van 13 februari 2024, die ook nog gold op de datum in geding 5 december 2024, is het aannemelijk dat [eiseres] in staat was om de aan deze schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 maart 2024 uitgelegd waarom [eiseres] geschikt was voor deze functies. De eisen voor de functies en de belastbaarheid van [eiseres] zijn met elkaar vergeleken. Wanneer bij deze vergelijking is gesignaleerd dat de belastbaarheid van [eiseres] mogelijk wordt overschreden, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de functies op 3 december 2023 toch passend waren. Nu de belastbaarheid van [eiseres] op 5 december 2024 vergelijkbaar is met die op 3 december 2023, geldt dit ook voor de datum in geding die in deze procedure aan de orde is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat, waar in de functies gezeten moet worden, de mogelijkheid bestaat om te vertreden en wat onderuit gezakt te zitten. Ook de totaalbelasting van de functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzocht. Daarmee is de geschiktheid van de functies voor [eiseres] op 5 december 2024 voldoende overtuigend toegelicht.
Hoorzitting
7.13.
De rechtbank leidt uit het verweerschrift en een telefoonnotitie van 2 juni 2025 af dat het UWV heeft erkend dat het er in het bestreden besluit ten onrechte vanuit is gegaan dat [eiseres] geen gebruik wilde maken van de mogelijkheid haar bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Uit de telefoonnotitie en wat tijdens de zitting is gezegd blijkt namelijk dat het UWV [eiseres] heeft aangeboden om haar bezwaren alsnog tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten in aanwezigheid van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarvoor was het wel nodig dat [eiseres] beroep zou instellen, omdat het niet mogelijk was dit voor het einde van de beroepstermijn te organiseren. [eiseres] is echter niet op dit aanbod ingegaan en heeft ervoor gekozen om de beroepsprocedure af te wachten. Het UWV heeft dus geprobeerd het gebrek te herstellen, maar [eiseres] is daarop niet ingegaan. In verband met het gebrek in het bestreden besluit heeft het UWV wel toegezegd de griffiekosten voor het instellen van beroep te zullen vergoeden.
7.14.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV de ZW-uitkering van [eiseres] terecht met ingang van 5 december 2024 heeft beëindigd.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. De beëindiging van de ZW-uitkering van [eiseres] vanaf 5 december 2024 blijft in stand. Het UWV moet wel het griffierecht aan [eiseres] vergoeden. Dit is omdat het UWV dit heeft toegezegd. [eiseres] krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan [eiseres] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658.
Claim Beoordelings- en Borgingssysteem
Zie onder meer CRvB 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039, CRvB 8 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2411 en CRvB 28 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2092. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|