|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:2122 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 25/1082 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Wet hersteloperatie toeslagen: overname van private schulden. De rechtbank stelt vast dat enkele betalingen voldoen aan de vereisten voor terugbetaling. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | forfaitair | | | kinderopvangtoeslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1082
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en
de Minister van Financiën, de minister
(gemachtigde: mr. S.D. Lerrick).
Samenvatting
1. Eiser is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft de minister gevraagd om een (private) schuld die hij al heeft betaald, aan hem terug te betalen. Dit in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De minister heeft de aanvraag afgewezen. Deze uitspraak gaat daarover. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister een deel van de al betaalde schulden aan eiser moet terugbetalen. Eiser krijgt dus deels gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank neemt zelf een beslissing. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit en procesverloop
2.1.
Eiser is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.
2.2.
De minister heeft in het besluit van 24 februari 2022 aan eiser bericht dat hij als aanvrager van een kinderopvangtoeslag vooralsnog niet in aanmerking komt voor toekenning van het forfaitaire bedrag van € 30.000,- van de Catshuisregeling.
2.3.
De minister heeft in het besluit van 26 april 2023 aan eiser bericht dat hij als aanvrager van een kinderopvangtoeslag wel in aanmerking komt voor toekenning van het forfaitaire bedrag van € 30.000,- van de Catshuisregeling.
2.4.
Op 21 december 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om terugbetaling van schulden, in totaal € 8.296,84, die eiser aan Autobedrijf [naam 2] heeft betaald. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het verzoek van de minister om de behandeling van de zaak te schorsen afgewezen en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een deel van de schulden voldoet aan de voorwaarden voor terugbetaling. Eiser heeft hiertoe onder andere een schuldoverzicht van het autobedrijf overgelegd.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de schulden niet hoeven te worden terugbetaald, omdat onvoldoende bewijsstukken, zoals facturen, betaalbewijzen en betalingsherinneringen zijn overgelegd.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat een deel van eisers schulden voldoet aan de voorwaarden voor terugbetaling. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
4.2.1.
De minister betaalt onder bepaalde voorwaarden een schuld die door een gedupeerde is betaald, aan de gedupeerde terug. De voorwaarden staan genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
4.2.2.
De minister neemt in het geval van eiser (private) geldschulden over als deze na 31 december 2005 zijn ontstaan en voor 1 juni 2021 opeisbaar waren, en deze geldschulden zijn afgelost in de periode tussen de voorlopige afwijzing van het forfaitaire bedrag en de latere toekenning van het forfaitaire bedrag of na de ontvangst van het compensatiebedrag.
4.2.3.
Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat eisers schulden aan de volgende voorwaarden moeten voldoen:
de schulden moeten zijn ontstaan na 31 december 2005;
de schulden moeten opeisbaar zijn geworden voor 1 juni 2021;
de schulden moeten zijn betaald na 24 februari 2022.
4.2.4.
Voor de vraag wanneer een schuld opeisbaar is, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 oktober 2025. In rechtsoverweging 7 heeft de Afdeling het volgende overwogen:
Eén van de voorwaarden voor de overname van een schuld op grond van artikel 4.1 van de Wht, is dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld, waarvan om overname is verzocht, opeisbaar is geworden, zijn de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) bepalend. Een schuld is in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Artikel 6:38 van het BW bepaalt dat wanneer geen termijn voor nakoming is bepaald de verbintenis direct opeisbaar is. Is wel een termijn voor nakoming bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van het BW). Of al dan niet een termijn voor nakoming is bepaald, vloeit voort uit wat partijen zijn overeengekomen en uit wat volgt uit de wet, de gewoonte en de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). Artikel 4.1, tweede lid aanhef en onder b, van de Wht verlangt slechts dat sprake is van een voor 1 juni 2021 opeisbare schuld. Niet relevant is dus of een schuldeiser met een opeisbare vordering voor 1 juni 2021 ook daadwerkelijk al stappen tot invordering of opeising heeft gezet. Dat strookt ook met de bedoeling van de wetgever, die met de private schuldenregeling heeft beoogd om gedupeerden van de toeslagenaffaire die te kampen hadden met betalingsachterstanden en opeisbare schulden en dientengevolge mogelijke incassomaatregelen of de dreiging daarvan een nieuwe start te bieden.
4.2.5.
Eiser heeft onder meer zijn ‘factuurhistorie per klant’ van Autobedrijf [naam 2] overgelegd. Hierop staan alle facturen van het autobedrijf aan eiser in de periode van 5 maart 2014 tot en met 31 december 2023. Op de zitting heeft de minister gesteld dat dit schuldoverzicht onvoldoende informatie geeft voor een beoordeling van de schulden. De rechtbank ziet dat anders. De rechtbank is van oordeel dat met dit schuldoverzicht kan worden vastgesteld of de schulden die door eiser aan het autobedrijf zijn betaald, voldoen aan de wettelijke vereisten voor terugbetaling. Van elke factuur van het autobedrijf gericht aan eiser wordt namelijk vermeld wat de boekdatum is, wat de vervaldatum is en wanneer de betaling van die factuur heeft plaatsgevonden. De vervaldatum is de datum waarop de schuld opeisbaar is geworden.
4.2.6.
De rechtbank stelt aan de hand van het schuldoverzicht en de data genoemd in overweging 4.2.3. vast dat de volgende betalingen voldoen aan de vereisten voor terugbetaling:
een bedrag van € 200,- betaald op 27 februari 2022. Het autobedrijf heeft deze betaling voor € 158,57 toebedeeld aan de factuur van 1 juli 2020 (vervaldatum 21 juli 2020) en voor € 41,43 aan de factuur van 9 april 2021 (vervaldatum 29 april 2021);
een bedrag van € 158,28 betaald op 27 maart 2022. Het autobedrijf heeft deze betaling toebedeeld aan de factuur van 9 april 2021 (vervaldatum 29 april 2021).
4.2.7.
De gemachtigde van eiser heeft op de zitting betoogd dat de betalingen op 27 april 2022 van de factuur van 31 mei 2021 ook voor terugbetaling in aanmerking komen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval omdat de factuur, gezien de vervaldatum van 20 juni 2021, pas ná 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de terugbetalingsvoorwaarden van hoofdstuk 4 van de Wht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit op bezwaar en herroept het primaire besluit. De rechtbank neemt zelf een beslissing en bepaalt dat de minister aan eiser een bedrag van € 358,28 (€ 200,- + € 158,28) moet betalen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Omdat de rechtbank het primaire besluit herroept vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en eiser in bezwaar heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten, moet de minister ook de proceskosten in bezwaar vergoeden. De vergoeding bedraagt € 3.736,- omdat de gemachtigde van eiser een bezwaarschrift heeft ingediend, aan de hoorzitting heeft deelgenomen, een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 januari 2025;
- herroept het besluit van 3 april 2024;
- bepaalt dat de minister aan eiser compensatie ten bedrage van € 358,28 betaalt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.736,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1.
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
Artikel 2.7.
1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft ingediend, kent de Dienst Toeslagen ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met de bedragen die de aanvrager op het moment van toekenning van het forfaitaire bedrag al op grond van een herstelmaatregel heeft ontvangen. Bij vermindering tot nihil vindt geen toekenning plaats.
Artikel 4.1.
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
(…)
Artikel 4.3.
1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
2. In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag worden ingediend door degene, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b of c, indien hij geen partner meer is op het tijdstip waarop die aanvraag wordt ingediend.
3. De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend:
a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid; of
b. tussen het moment van de dagtekening van de beschikking van de Dienst Toeslagen waarin staat dat de Dienst Toeslagen vooralsnog geen reden ziet voor uitbetaling van een forfaitair bedrag en het moment van de dagtekening van de beschikking waarin toch recht op een forfaitair bedrag als bedoeld in de artikelen 2.7, eerste lid, of artikel 2.14h, eerste lid, is vastgesteld.
Artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen.
Dit volgt uit artikel 4.1, tweede lid, onder a en b, in samenhang met artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.
Dit volgt uit artikel 4.3, derde lid, onder a en b, van de Wht.
Dit is de datum van het besluit genoemd in overweging 2.2.
ECLI:NL:RVS:2025:5101.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van artikel 4.1, eerste lid en tweede lid, onder a en b, in samenhang met artikel 4.3, eerste lid en derde lid, van de Wht. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|