|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:12010 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | C/09/698987 / FA RK 26-11 C/09/698987 / FA RK 26-11 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Toewijzen gezamenlijk gezag. Vaststellen hoofdverblijfplaats. Vaststellen zorgregeling. Afwijzen verzoek tot terugverhuizing. Doorverwijzing UHA. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26/941 (bodemzaak) en FA RK 26/945 (223 Rv)
Zaaknummer: C/09/698687 (bodemzaak) en C/09/698693 (223 Rv)
Datum beschikking: 15 april 2026
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijfplaats en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv
Beschikking op het op 30 januari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.M. Scherphof in Borne.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.V. Paniagua in Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader;
het verweerschrift, met bijlagen en zelfstandige verzoeken, namens de moeder.
Op 18 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De minderjarige [minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter zijn mening over de verzoeken kenbaar gemaakt.
Feiten
- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend.
De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
[minderjarige] verblijft bij de moeder.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:
de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;
een zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij [minderjarige] ieder weekend van vrijdag uit school tot zondagmiddag om 19:00 uur bij de moeder verblijft, alsmede de schoolvakanties van één week (voorjaars-, mei- en herfstvakantie) en de helft van de overige schoolvakanties bij de moeder zal verblijven;
Subsidiair
te bepalen dat de moeder dient terug te verhuizen naar de omgeving [plaats 1] ;
een zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader, waarbij [minderjarige] ieder weekend van vrijdag uit school tot zondagmiddag 16:00 uur, alsmede de schoolvakanties van één week (voorjaars-, mei- en herfstvakantie) en de helft van de overige schoolvakanties bij de vader zal verblijven, dan wel een door u in goede justitie te nemen beslissing.
De vader verzoekt in de bodemprocedure:
Primair
de vader te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] ;
de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen, in die zin dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;
een zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij [minderjarige] ieder weekend van vrijdag uit school tot zondagmiddag om 19:00 uur bij de moeder verblijft, alsmede de schoolvakanties van één week (voorjaars-, mei- en herfstvakantie) en de helft van de overige schoolvakanties bij de moeder zal verblijven;
Subsidiair
de vader te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] ;
te bepalen dat de moeder dient terug te verhuizen naar de omgeving [plaats 1] ;
een zorgregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader, waarbij [minderjarige] ieder weekend van vrijdag uit school tot zondagmiddag 19:00 uur, alsmede de schoolvakanties van één week (voorjaars-, mei- en herfstvakantie) en de helft van de overige schoolvakanties bij de vader zal verblijven, dan wel een door u in goede justitie te nemen beslissing;
Meer subsidiair
- Een onderzoek te gelasten door de Raad voor de Kinderbescherming naar de meest wenselijke hoofdverblijfplaats, gezagsvoorziening en/of omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] ;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De moeder verzoekt zelfstandig:
de rechtbank om alvorens een definitieve beslissingen te nemen, de raad voor de kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar verzoeken van de vader en de rechtbank te adviseren;
doorverwijzing naar het UHA al dan niet onder aanhouding van de beslissing op de verzoeken;
een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige als volgt te bepalen:
om de veertien dagen een weekend van zaterdag na voetbal tot zondag 17.00 uur verblijft de minderjarige bij vader (of ophalen bij moeder vóór voetbal en brengen naar voetbal);
elke woensdag haalt de vader de minderjarige op school om met hem een activiteit in de omgeving van [plaats 2] te ondernemen en brengt hem terug naar de moeder om uiterlijk 18.00 uur;
alle vakanties worden bij helfte verdeeld en de ouders zoeken bij het bepalen van de duur van de vakantie aansluiting bij de schoolgids;
speciale dagen: standaard het Suikerfeest bij vader en standaard het Offerfeest bij moeder;
de verjaardag van de minderjarige: standaard bij moeder;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Op de zitting heeft de vader zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv ingetrokken, zodat de rechtbank daarop geen beslissingen meer hoeft te nemen.
Beoordeling
Gezag
Wettelijk kader
Artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), bepaalt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Het verzoek wordt volgens het tweede lid van dit artikel slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat er geen goede grond is om de ouders niet met het gezamenlijk gezag te belasten. De rechtbank zal het verzoek van de vader daarom toewijzen en overweegt daartoe als volgt.
Het uitgangspunt van de wetgever is ouders gezamenlijk gezag over hun kind uitoefenen. In algemeenheid wordt het in het belang van het kind geacht dat de ouders belangrijke beslissingen over het kind in gezamenlijkheid nemen. De rechtbank ziet in dat wat door de moeder is aangevoerd onvoldoende reden om van het uitgangspunt af te wijken. Niet in geschil is dat de vader een betrokken vader is en dat hij een rol speelt in het leven van [minderjarige] . Wat de ouders op dit moment verdeeld houdt, is de verhuizing van de moeder en [minderjarige] van [plaats 1] naar [plaats 2] . Het is de rechtbank echter niet gebleken dat de ouders in zijn algemeenheid niet in staat zijn om met elkaar te overleggen over zaken die [minderjarige] aangaan. De omstandigheid dat de onderlinge communicatie tussen de ouders nog wel vatbaar is voor verbetering, betekent niet dat het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten, moet worden afgewezen of, zoals de moeder wenst, dat de beslissing daarop moet worden uitgesteld totdat ouders een ouderschapsbemiddelingstraject hebben gevolgd. Beide ouders hebben zich op de zitting uitdrukkelijk bereid verklaard om zich in te zetten om de onderlinge communicatie te verbeteren en daarvoor ook hulp van derden te aanvaarden. De rechtbank gaat er vanuit dat de ouders hun toezegging gestand zullen doen en zich beiden zullen inzetten om de onderlinge communicatie te verbeteren zodat zij samen afspraken kunnen maken over zaken die [minderjarige] aangaan en voortaan ook gezamenlijk beslissingen kunnen nemen in het belang van [minderjarige] .
Wijziging hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub b van het BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen afwijzen. De moeder is al jaren de hoofdopvoeder en -verzorger van [minderjarige] . De rechtbank acht het in dit kader niet in het belang van [minderjarige] om zijn hoofverblijfplaats nu te wijzigen en ergens anders dan bij de moeder te bepalen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder ook in het dictum wordt opgenomen.
Verzoek terugverhuizing
Wettelijk kader
Bij de beoordeling van het verhuisverbod dan wel bevel tot terugverhuizing stelt de rechtbank het volgende voorop. Uit rechtspraak van de Hoge Raad (HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1513) volgt dat niet alleen bij gezamenlijk gezag, maar ook bij eenhoofdig gezag, er een grondslag bestaat om de keuzevrijheid van de met het gezag belaste ouder ten aanzien van de woonplaats van het kind te beperken, als deze ouder niet voldoet aan de verplichting om omgang tussen het kind en de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW).Op grond van artikel 8 EVRM is de rechter in dat geval gehouden alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan omgang tussen het kind en de andere ouder. Een passende maatregel daarbij kan zijn een verbod aan de met het gezag belaste ouder om te verhuizen, of een bevel aan deze om terug te verhuizen.
Inhoudelijke beoordeling
In de kerstvakantie van 2025/2026 is de moeder met [minderjarige] van [plaats 1] naar [plaats 2] verhuisd. De vader is het hiermee niet eens en wil dat de moeder en [minderjarige] terugverhuizen naar de omgeving van [plaats 1] . Hoewel de rechtbank de wens van de vader om [minderjarige] wat dichter in de buurt hebben beslist invoelbaar acht, wijst de rechtbank het verzoek van de vader om de moeder te bevelen om terug te verhuizen, af. Daartoe overweegt de rechtbank al volgt.
Voorop staat dat het de moeder vrij staat om haar leven niet langer in [plaats 1] maar in [plaats 2] voort te zetten. De moeder heeft steeds het eenhoofdig gezag over [minderjarige] gehad, zodat zij voor diens (mede)verhuizing niet de toestemming van de vader behoefde. De omstandigheid dat de moeder heeft gekozen voor [plaats 2] en niet voor een plaats dichter bij [plaats 1] acht de rechtbank onvoldoende om de moeder nu te verplichten om met [minderjarige] terug te verhuizen naar de omgeving van [plaats 1] . De verhuizing naar [plaats 2] maakt het weliswaar lastiger voor de vader en [minderjarige] om elkaar eventueel doordeweeks te zien, maar er was tot nu geen vaste omgangsregeling en de verhuizing staat ook niet aan contact tussen de vader en [minderjarige] in de weg. De moeder heeft voorafgaand aan de verhuizing benadrukt dat zij het belangrijk vindt dat er contact blijft tussen de vader en [minderjarige] en dat zij actief hieraan mee zou werken. Tijdens de zitting is dit door haar bevestigd en de moeder heeft daartoe ook concrete voorstellen gedaan. Er is voor de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de medewerking van de moeder aan de (hierna te bespreken) zorgregeling die bij deze beschikking zal worden vastgelegd.
De rechtbank weegt verder nog mee dat uit het gesprek met [minderjarige] is gebleken dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft in [plaats 2] en daar graag wil blijven. Hij voelt zich er op zijn plek, hij heeft het fijn op school en voetbal.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om de moeder te verplichten terug te verhuizen naar de omgeving [plaats 1] afwijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken Omdat de ouders voortaan gezamenlijk gezag zullen hebben, wordt hieronder gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of zorgregeling in plaats van omgangsregeling.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a tweede lid sub a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
Nu [minderjarige] met de moeder in [plaats 2] zal blijven wonen, zal de rechtbank een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader vaststellen. De rechtbank heeft op de zitting uitvoerig met ouders besproken welke zorgregeling in die situatie het meest in het belang van [minderjarige] is en bovendien, gelet op de reisafstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] , voor de ouders ook haalbaar is. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij zijn vader in ieder geval om het weekend kan zien. Ouders zijn het erover eens dat [minderjarige] in de weekenden wel steeds aan zijn voetbalwedstrijden moet kunnen meedoen. [minderjarige] wil dat ook graag. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] om de week in het weekend vanaf zaterdag uit de voetbal – en in de weekenden dat er geen voetbal is, vanaf vrijdag uit school - tot zondagavond tussen 18:00 en 19:00 uur bij de vader zal zijn. De rechtbank zal ook bepalen dat de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en dat de vader het terugbrengen naar de moeder voor zijn rekening zal nemen. Op de zitting heeft de moeder nog geopperd dat zij ook akkoord kan gaan met een regeling waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden (na voetbal) bij de vader zal verblijven, maar gelet op de aarzeling van de vader over de reisafstand, zal de rechtbank dit niet vastleggen. Het staat de ouders uiteraard vrij om in gezamenlijk overleg eventueel extra weekenden af te spreken. Ook kunnen de ouders in onderling overleg incidentele afspraken maken over eventueel contact tussen [minderjarige] en de vader op woensdagmiddag in de omgeving [plaats 2] . Een vaste contactregeling voor de woensdagmiddag, zoals de moeder verzoekt, zal de rechtbank niet vastleggen, omdat dit door de afstand een grote belasting voor de vader is. De verdeling van het Suikerfeest en het Offerfeest zal de rechtbank toewijzen zoals door de moeder verzocht. Voor de verjaardag van [minderjarige] zal in beginsel de gewone zorgregeling gelden, tenzij ouders daarover andere afspraken maken.
De rechtbank zal ook een vakantieregeling vaststellen, waarbij de rechtbank, anders dan de moeder heeft verzocht, zal bepalen dat [minderjarige] zowel de voorjaarsvakantie als de herfstvakantie bij de vader zal doorbrengen. De vader heeft dit verzocht en de rechtbank acht dit ook in het belang van [minderjarige] , omdat de reguliere zorgregeling door de reisafstand en de voetbal op zaterdag beperkt is.
Doorverwijzing naar traject Ouderschapsbemiddeling
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan een traject ouderschapsbemiddeling. Op de zitting is uitdrukkelijk besproken dat, als de rechtbank het verzoek van de vader tot terug verhuizing naar de omgeving van [plaats 1] zou afwijzen, de hulpverlening in de regio [plaats 2] zal plaatsvinden. De vader heeft zich bereid verklaard om, ondanks de afstand, aan het traject mee te werken. De rechtbank zal de ouders daarom in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal wordt vandaag per email verzonden naar Jeugdteams [regio] voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams [regio] .
Aangezien de rechtbank een eindbeschikking zal wijzen, zal de rechtbank niet de zogenoemde ‘lus’ naar de Raad opnemen indien het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat. Dat neemt niet weg dat de rechtbank ervan uitgaat dat de ouders zich in het belang van [minderjarige] tot het uiterste zullen inspannen voor het ouderschapsbemiddelingstraject.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank heeft [minderjarige] op zijn verzoek een brief geschreven om hem te laten weten wat zij heeft beslist. Volledigheidshalve neemt de rechtbank de inhoud van die brief op in deze beschikking, zodat de ouders daarvan op de hoogte zijn.
Beste [minderjarige] ,
Wij hebben elkaar vorige maand gesproken over jullie verhuizing van [plaats 1] naar [plaats 2] . Omdat je vader en je moeder het over de verhuizing niet eens waren, heeft je vader de kinderrechter, mij dus, gevraagd om te beslissen dat jij bij hem in [plaats 1] komt wonen of dat jij en je moeder samen weer naar de omgeving van [plaats 1] terugverhuizen.
De dag na ons gesprek heb ik ook met je vader en je moeder gesproken.
Ik zal je in deze brief uitleggen wat ik heb beslist.
Ik heb beslist dat jij en je moeder in [plaats 2] mogen blijven wonen. Je moeder wilde heel graag naar [plaats 2] verhuizen en ik begrijp dat ook wel. Jullie wonen daar nu in een fijne buurt. Je vertelde me ook dat je nu op een leuke school zit en dat je gescout bent voor voetbal. Je traint twee keer in de week en iedere zaterdag heb je ook wedstrijd. Leuk hoor! Ik snap wel dat je vader liever wilde dat jij en je moeder in de buurt van [plaats 1] waren blijven wonen, omdat [plaats 2] best ver weg is. Gelukkig hebben je vader en je moeder allebei een auto. Je moeder kan jou in weekenden en vakanties naar [plaats 1] brengen en je vader kan jou weer terugbrengen naar [plaats 2] . Je moeder zal je in ieder geval om het weekend, op zaterdag na voetbal, naar je vader brengen en je vader zal je dan zondag weer naar [plaats 2] terugbrengen. Jij vertelde me al dat jij het daarmee ook eens bent. Dan kun je het ene weekend bij je vader chillen en het andere weekend bij je moeder. En als er een weekend een keer géén voetbalwedstrijd is, dan kan je al op vrijdagmiddag na school naar [plaats 1] .
Ik heb ook een verdeling van de schoolvakanties gemaakt. Omdat je je vader door de verhuizing naar [plaats 2] minder ziet dan toen je nog in [plaats 1] woonde, zal je in de voorjaarsvakantie en in de herfstvakantie een week bij je vader zijn. De andere schoolvakanties (meivakantie, kerstvakantie en zomervakantie) worden tussen je vader en je moeder verdeeld. Dus als een vakantie twee weken duurt, ben je de ene week bij je vader en de andere week bij je moeder. In de zomervakantie ben je drie weken bij je vader en drie weken bij je moeder.
Verder heb ik besloten dat je vader en je moeder belangrijke beslissingen over jou vanaf vandaag samen moeten nemen (dat noemen we: gezamenlijk gezag). Je vader wil dat graag en het is ook normaal dat ouders dat samen doen. Daarvoor is wel nodig dat ouders goed met elkaar kunnen praten en geen ruzie maken over dingen die voor hun kind belangrijk zijn. Jouw vader en moeder hebben afgesproken dat zij met iemand gaan praten die hen kan helpen om dat nog iets beter te doen.
Je ouders krijgen via hun advocaat een officiële brief van de rechtbank met mijn beslissingen (dat noemen we: een beschikking). In die beschikking is ook te lezen wat ik nu aan jou heb geschreven, zodat je vader en je moeder dat ook weten.
Ik hoop dat het zo duidelijk voor je is en ik wens je het allerbeste.
De kinderrechter.
BeslissingDe rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;
*
bepaalt dat [minderjarige] de hoofverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
*
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- om de week in het weekend vanaf zaterdag uit de voetbal – of vrijdag uit school als er dat weekend geen voetbalwedstrijd is – tot zondagavond tussen 18:00 en 19:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] weer terugbrengt;
en dat de volgende regeling voor vakanties en feestdagen zal gelden:
de volledige voorjaars- en herfstvakantie verblijft [minderjarige] bij de vader;
de mei-, zomer- en kerstvakantie worden bij helfte tussen de ouders verdeeld, in die zin dat [minderjarige] de helft van de vakantie bij de vader en de helft van de vakantie bij de moeder verblijft;
[minderjarige] verblijft het Suikerfeest bij de vader en het Offerfeest bij de moeder.
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] (de vader)
wonende aan de [adres 1] ,
en
[de moeder] (de moeder)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres te [plaats 2] ;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Stichting Jeugdteams [regio] , voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Jeugdteams [regio] , [adres 2] ;
bepaalt dat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 april 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|