|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:2905 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-06-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.359.318 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Arbeidsrecht. Onterecht ontslag op staande voet. Geen billijke vergoeding. Terugbetaling ten onrechte overgeboekte bedragen. Schadevergoeding te betalen door werknemer (artikel 7:661 BW). Werknemer heeft vakantiedagentegoed niet onderbouwd. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.359.318
(zaaknummer rechtbank Gelderland 11616873)
beschikking van 11 mei 2026
in de zaak van
VCMI Veldwerk N.V. (VCMI)
die is gevestigd in Beek ,
advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek
tegen
[de werknemer] ( [de werknemer] )
die woont in [woonplaats] (Duitsland)
advocaat: mr. R.K.A. Kop.
Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
VCMI heeft (principaal) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 24 juni 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Ook [de werknemer] heeft (incidenteel) hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift, op de griffie binnengekomen op 19 september 2025
het verweerschrift, met daarin incidenteel hoger beroep
het verweerschrift in incidenteel hoger beroep
de namens VCMI voor de zitting toegestuurde producties
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 4 februari 2026 is gehouden.
1.2
Partijen hebben het hof om een uitspraak verzocht die is bepaald op vandaag.
De kern van de zaak
2.1
VCMI heeft [de werknemer] op staande voet ontslagen vanwege - kort gezegd - het zonder toestemming overboeken van geldbedragen van de zakelijke rekening naar zichzelf. [de werknemer] heeft zich bij het ontslag neergelegd maar meent dat het onterecht is gegeven. Hij vraagt daarom van VCMI allerlei vergoedingen in verband met het ontslag. VCMI wil (voor zover nog van belang) dat [de werknemer] alle onterecht overgeboekte bedragen terugbetaalt en schadevergoeding betaalt voor bestelde bedrijfseigendommen die zijn verdwenen.
2.2
Volgens de kantonrechter was het ontslag op staande voet niet geldig en moet VCMI aan [de werknemer] diverse vergoedingen betalen, waaronder een billijke vergoeding van € 30.000 bruto. Omdat de vorderingen van VCMI geen verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst heeft de kantonrechter die afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van VCMI (principaal hoger beroep) is om vast te laten stellen dat het ontslag op staande voet wel rechtsgeldig was, zodat [de werknemer] bepaalde bedragen moet terugbetalen en een gefixeerde schadevergoeding aan VCMI moet betalen. Ook moeten de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. [de werknemer] heeft ook hoger beroep ingesteld (incidenteel hoger beroep) omdat hij aanspraak maakt op een hogere billijke vergoeding en op voldoening van de eindafrekening van vakantiegeld en 28 vakantiedagen, met daarbij nevenvorderingen.
Het oordeel van het hof
3.1
Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, maar dat [de werknemer] geen recht heeft op een billijke vergoeding. Hij moet onterecht overgeboekte bedragen terugbetalen en een schadevergoeding betalen aan VCMI. De eindafrekening van vakantiegeld waarop [de werknemer] recht heeft, is verrekend met wat hij nog aan VCMI moet betalen.
3.2
Allereerst zal het hof de relevante feiten vaststellen. Daarna wordt i) een aantal processuele punten besproken, waarna wordt ingegaan op ii) het ontslag op staande voet, iii) de billijke vergoeding, iv) de overgeboekte bedragen, v) de bestelde zaken en vi) de eindafrekening. Bij vii) conclusie zal worden ingegaan op de verrekening.
wat is er gebeurd?
3.3
[de werknemer] is in augustus 2021 in dienst getreden bij VCMI. De functie van [de werknemer]
was [functie] en zijn laatst verdiende loon was € 9.635,16 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.
3.4
De arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Hierin is opgenomen dat voor beide partijen een opzegtermijn van twee maanden geldt.
3.5
VCMI heeft een aantal aan haar gelieerde vennootschappen, waaronder VCMI Advies B.V. (hierna: Advies) en VCMI Inspectie B.V. (hierna: Inspectie).
3.6
[de directeur-eigenaar] (hierna: [de directeur-eigenaar] ) is bestuurder van VCMI.
3.7
In de periode april 2023 tot en met november 2023 heeft [de werknemer] bedragen van de
bankrekeningen van Inspectie en Advies overgemaakt naar zijn privérekening en de rekening van zijn partner, telkens met als omschrijving ‘Tijdelijke lening’. Een deel van deze bedragen is teruggestort. Per saldo resteerde eind 2023 een bedrag van € 59.900 dat was overgeboekt door [de werknemer] en niet is teruggestort.
3.8
Op 23 juli 2024 informeert [de directeur-eigenaar] [de werknemer] en Buitengewone Accountants, de accountant van VCMI en de gelieerde vennootschappen (hierna: BA), over de nijpende financiële situatie op dat moment.
3.9
Op 26 juli 2024 en op 3 september 2024 heeft [de werknemer] bedragen van € 5.000 respectievelijk € 725 overgemaakt van de bankrekening van Advies naar zijn privérekening, met als omschrijving ‘Tijdelijke lening’.
3.10
[de accountant] , verbonden aan BA, heeft op vrijdag 24 januari 2025 in een e-mail aan [de directeur-eigenaar] van 12:06 uur onder meer geschreven: “We hebben een start gemaakt met het opmaken van de jaarrekeningen 2024. (...) Bij het opmaken van de jaarrekeningen konden we de rekening-couranten niet aansluiten en constateren we dat er in de zomer van 2024 per saldo € 5.725 naar [de werknemer] (hof: [de werknemer] ) privé wordt overgemaakt, (...)
Is het bij jou bekend dat [de werknemer] naast zijn salaris nog € 5.725 heeft opgenomen? Heb jij deze uitgaven geaccordeerd?”
[de directeur-eigenaar] heeft hierover met BA gebeld.
3.11
Diezelfde dag om 15.37 uur heeft [de directeur-eigenaar] aan [de werknemer] en BA onder meer geschreven:
“ [de accountant] net gebeld en jaarcijfers klaar, paar vragen wellicht (...) Gevraagd dan ook z.s.m. aan tafel zodat [de accountant] en wij weer verder kunnen (…) en [de accountant] kan meteen a.s. maandag rond 11:00 uur. Komt mooi uit want [de werknemer] jij toch hier gezien sollicitant om 10:00 uur. (...) [de werknemer] : [collega1] met werk voorbereiding bezig (...), zelf ook al gestart met facturatie / maak het morgen af en pak jij dat ook nog even op vandaag/morgen? (...)
Oostenrijk: (…) over hoe en wat maar meld jij ook even in weekend mail dat er dinsdag / woensdag mail komt met (meer) info (…)
• Vraag vast na hebben jullie een reisverzekering incl. ski dekking... Wie niet geef vast aan [collega2] aan dan regelen wij dat vanuit VCM1 nog komende week.(…)
Kachel aan , goed weekend en bis maandag !”.
3.12
Op zaterdag 25 januari 2025 schrijft [de werknemer] aan [de directeur-eigenaar] : “Facturatie week 4 net eruit. Betreft [de accountant] spreken wij in [plaats1] af of in [plaats2] ? In [plaats1] kan ik vanaf 11:30 zijn. Fijn weekend!!!”
3.13
[de directeur-eigenaar] reageert op zondag 26 januari 2025 met de mededeling: “Top, Morgen gewoon te [plaats2] om 11:00 uur (...) Tot morgen..”
3.14
Op maandagochtend 27 januari 2025 heeft [de werknemer] om 10:00 uur een sollicitatiegesprek gevoerd. In een gesprek om 11:00 uur tussen [de directeur-eigenaar] , [de werknemer] en de heer [de jurist] van BA is [de werknemer] op staande voet ontslagen.
3.15
In een brief van die datum van VCMI aan [de werknemer] staat onder meer:
“Wij spraken elkaar op maandag 27 januari 2025 over een tweetal onttrekkingen in de 2e helft van 2024. Wij zijn door de heer [de accountant] , accountant van VCM1 Veldwerk, vorige week vrijdag op deze onttrekkingen gewezen. (...) Die onttrekkingen verbazen, te meer daar wij, in een goed gesprek begin januari 2024, hadden besproken, dat het u niet is toegestaan om geld aan VCMI, dan wel een aan VCMI gelieerde entiteit, zonder toestemming of recht of titel te onttrekken. U hebt in het gesprek van de 27e januari (...) ondubbelzinnig toegegeven dat dat gesprek heeft plaatsgevonden en dat het correct is dat die afspraak tussen ons is gemaakt.
Dat onttrekken door u van VCMI gebeurde kennelijk toch, en ook nog tijdens mijn vakantie.
DE FEITEN:
Op 26 juli 2024 respectievelijk 3 september 2024 hebt u immers zonder recht of titel een geldbedrag groot € 5.000,-- en vervolgens € 750,-- van VCMI, en of een aan VCMI gelieerde entiteit, onttrokken. U hebt het geld vanaf bankrekeningnummer (...) toebehorende aan VCMI Advies BV, overgemaakt op bankrekeningnummer (...). Dat laatste bankrekeningnummer behoort u toe.
(...)
EINDCONCLUSIE:
Op grond van het voorgaande bent u per 27 januari 2025 per direct (op staande voet) ontslagen. (...)”
i) processuele punten
3.16
[de werknemer] heeft verschillende processuele punten opgeworpen rond de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de ontvankelijkheid van VCMI. Hij stelt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is omdat [de werknemer] in Duitsland woont. Verder is VCMI niet ontvankelijk omdat het beroepschrift is ingesteld door VCMI Veldwerk B.V. en niet door VCMI Veldwerk N.V. Ook is VCMI niet-ontvankelijk in haar vorderingen rond de overgemaakte bedragen en de bestelde bedrijfseigendommen omdat die geen verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst. Het hof passeert deze processuele verweren.Nederlandse rechter bevoegd
3.17
Uit de artikelen 21 en 22 van de Verordening Brussel I-bis volgt dat de werkgever met een woonplaats in een lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waar de werknemer woont of, in een andere lidstaat, voor het gerecht van de laatste plaats waar of van waaruit hij gewoonlijk heeft gewerkt. Een vordering van de werkgever kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat waar de werknemer woont. Dat laat het recht van een werkgever om een tegenvordering in te stellen bij het gerecht waarvoor op grond van deze regels de oorspronkelijke vordering is gebracht, onverlet. [de werknemer] heeft VCMI bevoegdelijk opgeroepen voor de Nederlandse rechter om zijn ontslag op staande voet aan te vechten. Dat betekent dat de Nederlandse rechter ook bevoegd is kennis te nemen van de tegenvorderingen die VCMI tegen [de werknemer] heeft ingediend. Het bezwaar (grief) van [de werknemer] tegen de uitspraak van de kantonrechter op dit punt wordt verworpen.VCMI N.V. ontvankelijk in alle vorderingen
3.18
Het is juist dat het beroepschrift is ingediend door VCMI Veldwerk B.V. en niet door VCMI Veldwerk N.V. die de werkgever van [de werknemer] is. De vraag wie als eisende partij optreedt vraagt echter om uitleg van het processtuk waarmee de desbetreffende instantie is ingeleid. Uit artikel 3:59 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de artikelen 3:33 en 3:35 BW op deze uitleg overeenkomstig van toepassing zijn.
3.19
Uitleg van het inleidende processtuk in hoger beroep leidt ertoe dat VCMI Veldwerk N.V. als verzoekende partij heeft te gelden. Niet gebleken is dat er een VCMI Veldwerk B.V. bestaat, terwijl in het beroepschrift als vestigingsplaats van appellante [plaats2] is genoemd, de vestigingsplaats van VCMI Veldwerk N.V. Bovendien blijkt uit de inhoud van het beroepschrift dat de ex-werkgever van [de werknemer] beroep in heeft gesteld (dat is VCMI Veldwerk N.V.) en dat de bedoeling is de beschikking van de kantonrechter van 24 juni 2025 ‘tussen partijen gewezen’ te laten vernietigen, terwijl die beschikking is gewezen tegen VCMI Veldwerk N.V. [de werknemer] heeft verder niet gesteld dat hij onredelijk in zijn belangen wordt geschaad doordat de verkeerde partijaanduiding is gebruikt, terwijl dat het hof ook niet is gebleken. Het hof zal het beroepschrift van VCMI Veldwerk B.V. daarom verbeterd lezen, zodat VCMI Veldwerk N.V. ontvankelijk is.
3.20
[de werknemer] heeft verder een beroep gedaan op artikel 7:686a lid 3 BW, waarin - kort gezegd - staat dat in een geding dat gaat over een ontslag ook andere vorderingen kunnen worden ingediend als die daarmee verband houden. Het hof begrijpt het standpunt van [de werknemer] zo dat de vorderingen van VCMI tot terugbetaling van de overgemaakte bedragen en de betaling van schadevergoeding voor de bestelde bedrijfseigendommen volgens hem geen verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst, Daarom kunnen die niet in deze procedure worden ingediend. Het hof stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het bij ‘daarmee verband houdende andere vorderingen’ gaat om ‘alle mogelijke vorderingen die bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan kunnen worden ingediend’. Als voorbeeld wordt een vordering uit achterstallig loon genoemd, maar omdat zo’n vordering niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit een ontslag heeft de wetgever kennelijk (een duidelijke toelichting ontbreekt) een ruime toepassing van deze bepaling beoogd. Dat sluit ook aan bij het doel van de wetgever namelijk om een dubbele rechtsgang te voorkomen, wat tijd en geld scheelt en het gerechtelijk apparaat minder zwaar belast. VCMI heeft [de werknemer] ontslagen vanwege twee specifieke overboekingen naar hem die zonder recht of titel gedaan zouden zijn, zodat de vordering tot terugbetaling hiervan verband houdt met het ontslag. Het is dan doelmatig om ook de vordering tot terugbetaling van andere overboekingen door [de werknemer] aan zichzelf, beweerdelijk zonder recht en titel, in deze procedure te beoordelen, zeker omdat daaraan in de ontslag op staande voet-brief (zijdelings) wordt gerefereerd. Ook is [de werknemer] in de ontslag op staande voet-brief gesommeerd de bedrijfsmiddelen per omgaande in goede staat in te leveren, en dat is volgens VCMI niet gebeurd, zodat zij nu aanspraak maakt op schadevergoeding. Het zijn daarom ‘daarmee verband houdende andere vorderingen’ in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW zodat VCMI ontvankelijk is in beide vorderingen. De bezwaren (grieven) van VCMI tegen de niet-ontvankelijkverklaring slagen, waardoor de grief over het niet door de kantonrechter toepassen van een ‘spoorwissel’ zoals bedoeld in artikel 69 Rv niet meer hoeft te worden besproken.ii) het ontslag op staande voet
3.21
De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet van [de werknemer] niet rechtsgeldig geacht. Op vrijdag 24 januari 2025 was [de directeur-eigenaar] op de hoogte van de dringende reden en gelet op de tussenliggende gedragingen tot het geven van ontslag op staande voet op maandag 27 januari 2025 is dat ontslag volgens de kantonrechter niet onverwijld gegeven, terwijl de wet dat wel vereist. VCMI heeft in hoger beroep bepleit dat het ontslag op staande voet wel onverwijld is verleend. [de werknemer] heeft dat betwist maar heeft er ook op gewezen dat het ontslag niet rechtsgeldig is omdat een subjectieve dringende reden ontbreekt. Het hof volgt dat laatste standpunt.
3.22
Uit artikel 7:677 lid 1 in verbinding met artikel 7:678 lid 1 BW volgt dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij komt dat de werkgever niet alleen over een dringende reden in de zin van de wet moet beschikken, maar ook door zijn handelwijze moet laten zien dat hij die reden persoonlijk, dat wil zeggen ‘subjectief’, als dringend ervaart.
3.23
Het hof oordeelt dat hier geen sprake is van een subjectieve dringende reden. In het algemeen zal het door een werknemer zonder recht of titel overmaken van geldbedragen van de zakelijke rekening naar zichzelf, voor een werkgever een (objectieve) dringende reden kunnen zijn om de werknemer op staande voet te ontslaan. Omdat [de directeur-eigenaar] op vrijdagmiddag op de hoogte was van het zonder toestemming overmaken van gelden van de zakelijke rekening naar zichzelf, had het voor de hand gelegen dat VCMI op dat moment de (ook subjectief ervaren) dringendheid van de reden kenbaar had gemaakt. Zelfs als terecht is dat VCMI nog tijd had willen nemen voor nader onderzoek, advies of hoor en wederhoor, had van haar die vrijdagmiddag verwacht mogen worden bijvoorbeeld de bankpasjes van de zakelijke rekening, die [de werknemer] had, in te nemen en/of hem op non-actief te stellen. Dat heeft zij niet gedaan. In plaats daarvan heeft VCMI nog aan [de werknemer] te kennen gegeven zo snel mogelijk aan tafel te willen over inhoudelijke zaken ‘zodat [de accountant] en wij [hof: VCMI en [de werknemer] ] weer verder kunnen’, heeft zij [de werknemer] verzocht werkzaamheden met betrekking tot de facturatie en het aanstaande bedrijfsuitje uit te voeren en heeft zij [de werknemer] op maandag nog een sollicitatiegesprek laten voeren. Uit dit gedrag is niet af te leiden dat VCMI de handelwijze van [de werknemer] beschouwde als zodanig dat van haar redelijkerwijze niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarom is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven en kan de grief van VCMI over de onverwijldheid van het gegeven ontslag op staande voet niet slagen. Ook het bezwaar van VCMI tegen de toekenning van de vergoeding voor onregelmatige opzegging van artikel 7:672 lid 11 BW slaagt niet.
iii) de billijke vergoeding
3.24
VCMI is het niet eens met de toekenning van een billijke vergoeding aan [de werknemer] . Volgens haar heeft de rechter de bevoegdheid om geen billijke vergoeding toe te kennen, ook al is het geven van een ontslag op staande voet niet volgens de regels verlopen. Dat speelt hier omdat [de werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld met betrekking tot de overgemaakte gelden en heeft berust in het gegeven ontslag. Bovendien moeten ook andere gedragingen van [de werknemer] tijdens het dienstverband bij de afweging worden betrokken, zoals het zonder communicatie met [de directeur-eigenaar] blijven werken met drones die niet aan de wetgeving voldeden, het niet houden van toezicht op de verblijfplaats van aangekochte goederen en de onwaarachtige verantwoording van die aankopen in de boekhouding, aldus VCMI.[de werknemer] is het ook niet eens met de toegekende billijke vergoeding. Volgens hem heeft hij niet verwijtbaar gehandeld. Voor de toekenning van de billijke vergoeding moet naar de situatie van nu worden gekeken, en die is dat hij arbeidsongeschikt is en een Duitse ziekteuitkering ontvangt. [de werknemer] had weliswaar een andere baan (waarmee hij gedurende twee maanden € 4.000 per maand verdiende) maar door de klachten en de impact van het ontslag op staande voet moest hij daarmee stoppen. Als [de werknemer] tot 27 januari 2027 arbeidsongeschikt of werkloos blijft dan is zijn inkomensverlies € 226.710 bruto, met daarnaast nog pensioenschade ter hoogte van € 10.728,72 (24 x € 447,03). Hij maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding van € 237.438,72, daaronder inbegrepen de vergoeding voor gemaakte advocaatkosten.
3.25
In deze kwestie gaat het om de billijke vergoeding van artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW omdat VCMI in strijd met de wet ontslag op staande voet heeft gegeven. In dit wetsartikel is voor toekenning van een billijke vergoeding niet de eis gesteld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De gedachte hierachter is dat het in deze situatie steeds gaat om een opzegging in strijd met de wet en dat een dergelijke opzegging de werkgever per definitie ernstig valt aan te rekenen.Het is daarbij juist dat de rechter een billijke vergoeding kan toekennen, maar daartoe is hij niet verplicht. De Hoge Raad (HR) heeft in de New Hairstyle-beschikking overwogen dat in zijn algemeenheid geldt dat de billijke vergoeding moet worden bepaald op een wijze die, en op een niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De rechter moet in de motivering van zijn oordeel inzicht geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Hierbij mag ook rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt. Er zijn door de HR ook een aantal (niet-limitatieve) gezichtspunten geformuleerd voor de begroting van de billijke vergoeding in het geval van een vernietigbare opzegging. Het gaat er bij het vaststellen van de billijke vergoeding uit artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hoewel in de hiervoor bedoelde gezichtspunten niet vermeld, kan een eventueel (ook) aan een werknemer te maken dan wel toe te rekenen verwijt een relevante omstandigheid zijn die een toe te kennen billijke vergoeding kan beperken. Ook kan rekening worden gehouden met de aanspraak van de werknemer op een vergoeding voor onregelmatig ontslag.
ernstig verwijtbaar handelen of nalaten [de werknemer]
3.26
De kern van het betoog van VCMI is dat [de werknemer] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld zodat hem geen billijke vergoeding toekomt. Vaststaat allereerst dat [de werknemer] in totaal in de periode april 2023 tot en met november 2023 een bedrag van € 59.900 heeft overgemaakt van de bankrekeningen van Inspectie en van Advies naar zijn eigen bankrekening, zonder dat deze bedragen zijn terugbetaald. Als omschrijving van deze overboekingen heeft [de werknemer] steeds ‘Tijdelijke lening’ vermeld. Ondanks die omschrijving zijn beide partijen het erover eens dat het hier niet gaat om een geldlening die verstrekt is door VCMI, Inspectie of Advies aan [de werknemer] . In zoverre berust grief 1 van VCMI op een verkeerde lezing van wat in de beschikking van de kantonrechter onder 4.10 staat, waar het immers gaat over ‘gestelde leningen’. Volgens VCMI zijn deze bedragen overgeboekt zonder recht of titel, dus te kwalificeren als onrechtmatige onttrekkingen.
3.27
[de werknemer] heeft geen duidelijke uitleg kunnen geven waarom hij de diverse overboekingen heeft gedaan. In hoger beroep heeft hij aangevoerd dat de geldbedragen zijn overgemaakt naar zijn eigen bankrekening grotendeels naar aanleiding van het (in opdracht van VCMI) opzetten van een GmbH, om VCMI in Duitsland van de grond te krijgen. Ook heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de overboekingen grotendeels bedoeld waren voor de verbouwing van zijn eigen schuur tot kantoor voor VCMI. Ter zitting heeft [de werknemer] verklaard dat de gelden niet bedoeld waren voor het opzetten van een GmbH, maar alleen voor de verbouwing van zijn schuur tot kantoor. Tegelijkertijd heeft [de werknemer] echter verklaard dat de overboekingen bedoeld waren ter compensatie van de overuren die hij had gemaakt, en dat [de directeur-eigenaar] daarvan wist. [de werknemer] heeft geen enkele onderbouwing gegeven voor deze (inconsistente) verklaringen voor de overboekingen. Hij heeft niet concreet gemaakt dat of wanneer [de directeur-eigenaar] van deze overboekingen wist, of dat hij hiervoor toestemming heeft verleend. Dat [de directeur-eigenaar] naar zeggen van [de werknemer] kort op de administratie zat en deze overboekingen moet hebben gezien, is door VCMI gemotiveerd weersproken. Hoeveel overuren [de werknemer] heeft gemaakt en dat hem recht op compensatie daarvoor toekomt is door hem niet gesteld, en er is ook geen onderbouwing voor te vinden.
3.28
Ook het standpunt dat de gelden nodig waren voor de verbouwing van de schuur is onvoldoende toegelicht. [de werknemer] heeft gewezen op twee notulen van werkoverleggen, waaruit volgens hem volgt dat duidelijk was dat deze gelden daarvoor zijn bedoeld. Voor de verbouwing zelf is de zoon van [de directeur-eigenaar] ingeschakeld die de werkzaamheden kwam doen met een bedrijfsbusje van VCMI. [de directeur-eigenaar] wist daarvan, getuige een appje van de zoon aan [de werknemer] over, naast contante betaling, de wijze van betaling: ‘Op de rekening moet je maar met pa overleggen’. Volgens [de werknemer] zijn de geschatte kosten van € 60.000 aan hem onder het mom van geldlening verstrekt, wat vervolgens zwart werd uitgekeerd aan de zoon van [de directeur-eigenaar] . Het hof acht deze toelichting, ook gezien wat VCMI daar tegenover zet, onvoldoende. In de notulen van 8 december 2023 staat onder meer: ‘…(wij) gaan (…) een schuur ombouwen naar een kantoorruimte. De doel is dat wij begin 2025 de diensten (…) in Duitsland gaan uitbreiden.(…) Wij verwachten dat de verbouwing midden 2024 klaar is.’ In de notulen van 20 december 2024 staat dat de diensten in 2025 in Duitsland zoals besproken zullen worden uitgebreid. Deze notulen geven er geen verklaring voor waarom de overboekingen door [de werknemer] aan zichzelf al in de periode april 2023 tot en met november 2023 plaatsvonden, dus nog voor de eerste aankondiging van de verbouwing. Evenmin is hiermee toegelicht waarom de overboekingen van [de werknemer] de omschrijvingen ‘Tijdelijke lening’ kregen, terwijl het een - naar eigen zeggen - zakelijke verbouwing zou betreffen. [de directeur-eigenaar] heeft betwist dat hij met die omschrijving heeft ingestemd of dat hij zijn zoon zwart wilde laten uitbetalen. [de directeur-eigenaar] wist van de verbouwing en heeft een keer ten behoeve van zijn zoon een envelop met contant geld ontvangen maar dacht dat dat een verbouwing in privé was. Die gedachte acht het hof begrijpelijk nu uit de overgelegde toelichting van de zoon van [de directeur-eigenaar] , ondersteund door app-verkeer (productie 20 in hoger beroep van VCMI), blijkt van een eerste contact tussen hen al in september 2022 en de inschakeling van de zoon vanaf medio 2023 voor diverse privé werkzaamheden in en rond het huis van [de werknemer] . Ter zitting bij het hof heeft [de werknemer] ook niet goed de hoogte van het bedrag van € 59.900 kunnen uitleggen, gelet op een bericht van de zoon van [de directeur-eigenaar] van april 2024 dat de verbouwing in totaal ongeveer € 21.500 zou gaan kosten. Tenslotte heeft VCMI er onweersproken op gewezen dat [de werknemer] juist een werkplek op zolder heeft gemaakt, wat niet te rijmen is met de ombouw van zijn schuur tot kantoor. De conclusie is daarom dat het standpunt van VCMI dat € 59.900 zonder recht en titel door [de werknemer] naar zichzelf is overgemaakt, wat als een ernstig verwijtbaar handelen kan worden gezien.
3.29
VCMI heeft naast de voorgaande overboekingen nog specifiek twee betalingen genoemd, te weten die van € 5.000 op 26 juli 2024 en € 725 op 3 september 2024. Het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten bij deze overboekingen berust er volgens VCMI op dat ondanks de bestaande forse schuld en ondanks dat [de werknemer] in een gesprek is aangezegd dat hij geen overboekingen naar zijn privé rekening mocht doen en dat hij moest nadenken over hoe hij (het eerste deel van) het bedrag zou terugbetalen, heimelijk toch deze twee bedragen nog aan zichzelf heeft overgemaakt. [de werknemer] heeft betwist dat hij eerder is aangesproken op de overboekingen. Volgens [de werknemer] kan niet worden aangenomen dat er tussen partijen een duidelijke afspraak bestaat dat hij geen gelden mocht overmaken van Veldwerk naar Inspectie en/of Advies, wat hij ook niet meer heeft gedaan. Tegelijkertijd heeft hij gezegd dat er wel een afspraak was namelijk dat hij geen geld meer zou overmaken vanuit Veldwerk naar Inspectie en Advies, wat ook niet meer is gedaan. Maar, wederom volgens [de werknemer] , de afspraak was dat hij geen gelden zou overmaken naar zijn eigen bankrekening vanuit VCMI; er was een miscommunicatie.
3.30
Tussen partijen staat vast dat [de werknemer] in de loop van 2024 € 5.000 en later € 725 heeft overgeboekt van de bankrekening van Advies naar zijn eigen bankrekening. De aanzegging waarop VCMI zich beroept (niets meer overboeken naar de privé rekening) is door haar niet schriftelijk vastgelegd. Dat [de werknemer] eerder is aangesproken op het niet mogen overboeken naar zijn privé-rekening wordt door VCMI onderbouwd met een verklaring van [de directeur-eigenaar] over een gesprek met die inhoud met [de werknemer] op 18 december 2023 en een verklaring van [de algemeen directeur] die meteen daarna van [de directeur-eigenaar] over dat gesprek en de inhoud hoorde. In het gesprek op 27 januari 2025 tussen [de directeur-eigenaar] en [de werknemer] , in het bijzijn van jurist [de jurist] verbonden aan het accountantskantoor, heeft [de werknemer] ook erkend dat die overboekingen niet meer mochten. Dat volgt uit de verklaring van [de jurist] en uit de geluidsopname van dat gesprek waarop te horen is dat [de werknemer] op enig moment, als de overboeking van € 5.000 wordt besproken, zegt: ‘We hadden het over die paar K die weg is gegaan’, ‘(...) Heb ik jou beloofd, okay, we gaan dit niet meer doen.’ Even later zegt [de directeur-eigenaar] : ‘Dat had je duidelijk beloofd. Echt.’, waarop [de werknemer] vervolgens zegt ’Sindsdien heb ik niets meer op die wijze gedaan’. Het hof neemt daarom aan dat [de werknemer] ten tijde van de overboekingen wist dat die overboekingen niet waren toegestaan, en ze desondanks toch heeft gedaan. Ook is niet weersproken dat de € 5.000 is overgeboekt op het moment dat [de directeur-eigenaar] net met vakantie was.
3.31
Zelfs als de aanzegging niet aan [de werknemer] zou zijn gegeven dan is niet gegriefd tegen de vaststelling van de kantonrechter dat hij wist dat VCMI en de gelieerde vennootschappen, op 23 juli 2024 nauwelijks over liquide middelen beschikten, omdat [de directeur-eigenaar] in een mail van die datum aan onder meer [de werknemer] schreef, dat de rekeningen leeg waren. Van [de werknemer] als [functie] had, zoals de kantonrechter overwoog, zonder meer mogen worden verwacht dat hij het gebrek aan liquide middelen niet op 27 juli 2024 nog groter had gemaakt met de overboeking van € 5.000, en dan ook nog eens zonder [de directeur-eigenaar] daarover in elk geval te informeren. Dat klemt eens te meer omdat begin 2024 ook aan [de werknemer] is gemaild dat de liquiditeitsproblemen van VCMI mede veroorzaakt zijn omdat er ‘65k mist’, waarmee werd gedoeld op de ongeoorloofde eerdere overboekingen van [de werknemer] aan zichzelf. Ook het overboeken door [de werknemer] van € 5.725 naar zichzelf zonder recht of titel (die is immers niet gebleken) levert ernstig verwijtbaar handelen op.
toerekenbaar aan VCMI: switch en onterecht ontslag op staande voet
3.32
[de werknemer] heeft (ter zitting bij de kantonrechter) niet langer meer aangedrongen op vernietiging van het ontslag op staande voet maar heeft gekozen voor een billijke vergoeding (‘switch’). Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de redenen om af te zien van vernietiging aan VCMI zijn toe te rekenen, wat een van de gezichtspunten is bij de beoordeling of een billijke vergoeding moet worden toegekend. Daaraan heeft [de werknemer] allereerst ten grondslag gelegd dat hij het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking heeft verloren omdat VCMI meermalen het vertrouwen heeft opgezegd, maar dat is naar het oordeel van het hof niet gebleken. [de werknemer] heeft ook aangevoerd dat terugkeer naar VCMI tot paniekaanvallen en stress zou leiden die zijn herstel zouden belemmeren. Het hof stelt vast dat in de verklaring van zijn huisarts van 20 maart 2025 en in een verklaring van een behandelend psycholoog van 14 november 2025 wordt gesproken over een posttraumatische stressstoornis die [de werknemer] heeft opgelopen als gevolg van een trauma op het werk op 27 januari 2025, waarmee kennelijk wordt gedoeld op het gegeven ontslag op staande voet. In algemene termen heeft VCMI de medische gesteldheid van [de werknemer] en het causaal verband met het ontslag op staande voet betwist, met de toelichting dat het standpunt van [de werknemer] niet strookt met het feit dat hij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg (20 mei 2025) al een nieuwe baan had. Die betwisting is echter niet voldoende. De huisarts constateert in maart 2025 namelijk dat [de werknemer] ‘lange Zeit nicht in der Lage (ist) seine Arbeit nachzugehen’. De psycholoog verklaart verder dat [de werknemer] vanaf augustus 2025 naar het spreekuur komt en dat zij zich aansluit bij de medische verklaringen dat hij als arbeidsongeschikt is aangemerkt. Beide verklaringen sluiten dus niet uit dat [de werknemer] in mei 2025 in staat was werkzaamheden in een andere baan te verrichten, terwijl hij toch medische belemmeringen had voor zijn eigen arbeid, veroorzaakt door het gegeven ontslag op staande voet. Het hof neemt dus aan dat de redenen voor [de werknemer] om af te zien van vernietiging aan VCMI zijn toe te rekenen.
3.33
Daarnaast is aan VCMI aan te rekenen dat zij onterecht het zware middel van ontslag op staande voet heeft ingezet, waarbij geldt dat VCMI ook had kunnen kiezen voor een ontbindingsverzoek, dat ook (zoals het hof hieronder toelicht) tot het einde van de arbeidsovereenkomst zou hebben geleid. [de werknemer] heeft nog gesteld dat VCMI een verwijt treft omdat zij een manier heeft gezocht om onder de beoogde participatie van [de werknemer] in VCMI uit te komen. Voor dat verwijt heeft hij echter onvoldoende concrete aanwijzingen geboden.
financiële aspecten
3.34
Als [de werknemer] gekozen zou hebben voor vernietiging van het ontslag op staande voet dan is aannemelijk dat VCMI door het indienen van een voorwaardelijk verzoekschrift ook tot het einde van de arbeidsovereenkomst had kunnen komen. Datzelfde geldt als VCMI geen ontslag op staande voet had gegeven maar een ontbindingsverzoek zou hebben ingediend. Met de kantonrechter neemt het hof namelijk aan dat een indiening van zo’n (voorwaardelijk) verzoek in februari 2025 tot een behandeling in april 2025 en het afgeven van een beschikking in de maand mei 2025 zou hebben geleid. Daarbij zou de arbeidsovereenkomst naar inschatting van het hof zijn ontbonden op grond van verwijtbaar handelen van [de werknemer] wat ook als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten zou zijn aangemerkt, zoals hiervoor in 3.26 en verder overwogen. Dat zou hebben geleid tot een einde van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2025, zonder toekenning van een transitievergoeding. De veronderstelling van [de werknemer] dat inkomensschade tot 27 januari 2027 zou optreden heeft hij in het geheel niet toegelicht of onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan.
Zonder ontslag op staande voet per 27 januari 2025 zou de arbeidsovereenkomst dus schattenderwijs zijn geëindigd vier maanden en vier dagen later. Bij een bruto maandloon inclusief 8% vakantiegeld van € 10.405,97 (€ 9.635,16 + 8%) betekent dit dat [de werknemer] bij een regelmatige beëindiging nog € 42.966,59 bruto aan loon en vakantiegeld zou hebben ontvangen (4/31e x € 10.405,97 + 4 x € 10.405,97). Daarop komt in mindering de toegekende transitievergoeding van € 11.898,76 bruto waarop [de werknemer] dan geen recht zou hebben gehad, alsook de vergoeding voor onregelmatige opzegging van € 23.214,04 bruto waarmee immers het te snel eindigen van de arbeidsovereenkomst al voor een deel is gecompenseerd. Verder staat vast dat [de werknemer] in het voorjaar van 2025 gedurende twee maanden een andere baan heeft gevonden waarmee hij € 4.000 bruto per maand verdiende, zodat per saldo geen inkomensverlies resteert voor [de werknemer] . Voor wat betreft de gestelde pensioenschade heeft hij niet inzichtelijk gemaakt waar die uit bestaat. Het door [de werknemer] berekende bedrag, waarbij hij uitgaat van een pensioenschadebedrag van € 447,03 per maand, is niet toegelicht terwijl ook de loonstrook van januari 2025 geen aanwijzing voor dit bedrag geeft.
conclusie
3.35
Het hof komt op grond van weging van al het voorgaande tot de conclusie dat [de werknemer] geen billijke vergoeding toekomt. Het toerekenbare (ernstig) verwijtbaar handelen van VCMI leidt namelijk niet tot de noodzaak van toekenning van een compensatie daarvoor aan [de werknemer] , gelet op diens eigen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten en de genoemde financiële aspecten. iv) de overgeboekte bedragen
3.36
VCMI heeft om terugbetaling verzocht zowel van de overgeboekte € 59.900 (met wettelijke rente vanaf 1 januari 2024) als van de overgeboekte € 5.725 (met wettelijke rente over € 5.000 vanaf 26 juli 2024 en over € 725 vanaf 3 september 2024). Nu hiervoor in 3.26 tot en met 3.31 is vastgesteld dat [de werknemer] beide bedragen zonder recht of titel aan zichzelf heeft overgemaakt zijn die betalingen onverschuldigd gedaan. [de werknemer] zal deze bedragen terug moeten betalen, inclusief de gevorderde wettelijke rente die verder niet is betwist. De terugbetalingsplicht geldt naar Advies en Inspectie maar zij hebben hun vorderingen op 9 mei 2025 gecedeerd aan VCMI. Van belang is dat VCMI in haar relatie met [de werknemer] een beroep heeft gedaan op verrekening, wat verderop wordt besproken, met mogelijk gevolgen voor wat aan terugbetaling van overgeboekte bedragen wordt toegewezen.
v) de bestelde zaken
3.37
Volgens VCMI heeft [de werknemer] in zijn positie van [functie] en ten laste van Advies en/of Inspectie diverse zaken gekocht en die zich toegeëigend, althans deze zijn nimmer aan VCMI of haar dochtervennootschappen geleverd althans zijn zoek. Als [de werknemer] deze zaken van VCMI onder zich heeft dan had hij ze af moeten geven. Daartoe is hij in de ontslag op staande voet-brief en ook later nog gesommeerd, maar dat inleveren is niet gebeurd. Dit handelen is onrechtmatig en in strijd met de eisen van goed werknemerschap. Omdat VCMI de schade aan haar dochtervennootschappen Advies en/of Inspectie moet vergoeden heeft zij een vordering op [de werknemer] op grond van artikel 7:661 BW. Subsidiair vordert VCMI afgifte van de eigendommen. [de werknemer] betwist de vordering van VCMI.diverse zaken
3.38
VCMI bespreekt vijf zaken die [de werknemer] heeft besteld, die door Advies en/of Inspectie zijn betaald (of aan hem zijn terugbetaald) maar die niet bij Advies, Inspectie of VCMI zijn afgeleverd of daar zijn te vinden. VCMI kenmerkt dit (primair) als verduistering/diefstal.
[de werknemer] heeft een iPhone 16 met toebehoren gekocht via Amazon en de prijs van € 1.359 voorgeschoten. De factuur is op naam van Advies gezet en is ter vergoeding aan [de werknemer] naar de boekhouder gestuurd, onder vermelding van ‘iPhone [de werknemer]’ [hof: roepnaam voor [de werknemer] ]. Deze iPhone is niet afgeleverd noch aangetroffen bij Advies, Inspectie of VCMI.[de werknemer] heeft verklaard dat hij de telefoon blijkbaar voor een van de medewerkers heeft gekocht; de omschrijving ‘ [de werknemer] ’ kan betekenen dat hij het heeft voorgeschoten of dat hij hem heeft gekocht voor een van de medewerkers van zijn team. Hij kan zich het niet meer herinneren; bovendien is altijd alles in overleg met [de directeur-eigenaar] gegaan. VCMI heeft een overzicht in het geding gebracht van de huidige telefoons van de medewerkers, waarop deze iPhone niet staat.
[de werknemer] heeft een bureaustoel Streetcase gekocht via Amazon en de prijs van € 899 voorgeschoten. De factuur is op naam van Advies gezet en is ter vergoeding aan hemzelf naar de boekhouder gestuurd. [de werknemer] heeft verklaard: ‘Is mijn bureau stoel heb ik nog steeds. Ik heb mijn privé bureau stoel naar [plaats2] gebracht en die i.p.v. gekocht voor [plaats3] [hof: [de werknemer] ’s thuiskantoor]’. Er zouden afspraken zijn dat de stoel voor het bedrijf zou worden gebruikt in plaats van een nieuwe aan te schaffen stoel voor het kantoor aan huis. Teruggave van deze stoel zal volgen als VCMI alle openstaande vorderingen van [de werknemer] aan hem heeft voldaan. VCMI heeft daarop gereageerd door te stellen dat zij niets heeft aan de stoel als die terug zou komen.
[de werknemer] heeft een Jahnke-bureau gekocht via OTTO en de prijs van € 399,99 voorgeschoten. De factuur is op naam van Advies gezet en is ter vergoeding aan hemzelf naar de boekhouder gestuurd.[de werknemer] heeft verklaard: ‘Is mijn werkbureau heb ik nog steeds’. Uit een foto die VCMI heeft overgelegd is te zien dat het bureau (en de bureaustoel) bij [de werknemer] thuis staan. Er is door hem erkend dat dit eigendom is van VCMI maar hij heeft een beroep gedaan op zijn retentierecht. Teruggave volgt zodra alle aan [de werknemer] verschuldigde bedragen zijn voldaan.
[de werknemer] heeft een TCL QLED-televisie met toebehoren gekocht bij Coolblue, voor een bedrag van € 1.907,90. De factuur is op naam van Inspectie gezet en is aan de boekhouder gestuurd ter betaling aan Coolblue. De televisie is afgeleverd op het huisadres van de moeder van [de werknemer] . [de werknemer] heeft verklaard dat de televisie is aangekocht voor het thuiskantoor en dat hij hing in de vergaderruimte naast de keuken. Coolblue bezorgt alleen in Nederland, terwijl het thuiskantoor in Duitsland is, vandaar de aflevering bij zijn moeder. Het aankoopbedrag is contant door [de werknemer] aan [de directeur-eigenaar] betaald, in het bijzijn van de vrouw van [de werknemer] die de betaling in een verklaring bevestigt. VCMI heeft contante terugbetaling betwist. Terugbetaling in contanten zou ook niet nodig zijn geweest als het een aankoop was ten behoeve van het thuiskantoor. Daarom is duidelijk dat dit altijd een privé-aankoop was, zodat de factuur valselijk op naam van Inspectie is gezet en de betaling door Inspectie van de factuur onverschuldigd is. De televisie hing ook in de keuken.
[de werknemer] heeft een Samsung-televisie met toebehoren gekocht bij Coolblue, voor een bedrag van € 3.942,88. De factuur is op naam van Inspectie gezet en is aan de boekhouder gestuurd ter betaling aan Coolblue. De televisie is door [de werknemer] opgehaald in de winkel in Nijmegen.Volgens [de werknemer] heeft hij de televisie naar het kantoor van VCMI in [plaats2] gebracht; hij heeft hem niet in bezit. [de directeur-eigenaar] zou in 2024 een andere televisie hebben gehaald en waar deze televisie dan is gebleven is onbekend. VCMI heeft betwist dat die televisie ooit in [plaats2] is geweest; er was geen behoefte aan en er was geen opdracht voor de aanschaf. Niemand heeft hem er mee zien lopen of de televisie zien ophangen; hij hangt er ook niet. Ook heeft VCMI onweersproken aangetoond dat er nu twee oudere televisies hangen op haar kantoor.
3.39
Het hof stelt voorop dat de werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, daarvoor niet jegens de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. [de werknemer] heeft niet betwist dat de schade is ontstaan bij de uitvoering van de overeenkomst en ook niet dat VCMI tot vergoeding van de schade aan Advies en/of Inspectie is gehouden. VCMI kan daarom alleen vergoeding van de schade vorderen als [de werknemer] de schade opzettelijk of bewust roekeloos heeft toegebracht. Daarbij rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en zo nodig de bewijslast van opzet of bewuste roekeloosheid op VCMI.
3.40
In het algemeen heeft [de werknemer] gesteld dat [de directeur-eigenaar] van alle aankopen op de hoogte was via inzage in de bankrekening of inzicht in het systeem Basecone. [de directeur-eigenaar] heeft dat, met de toelichting op de feitelijke gang van zaken en de rol van de boekhouder, naar het oordeel van het hof voldoende betwist. VCMI heeft verder voldoende gemotiveerd feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan opzet of bewuste roekeloosheid van [de werknemer] is aan te nemen voor het toebrengen van schade met de aanschaf van de iPhone en de Samsung-televisie. [de werknemer] heeft daar te weinig concrete betwisting tegenover gesteld. Dat deze gebrekkige betwisting zou zijn veroorzaakt door de medische gesteldheid van [de werknemer] is onvoldoende gebleken. In zijn verklaring van 12 mei 2025 (productie 32 eerste aanleg) gaat [de werknemer] namelijk concreet en gedetailleerd in op een aantal aspecten van de diverse aangeschafte zaken. Bovendien wordt pas voor het eerst in de verklaring van de psycholoog van november 2025 gesproken over geheugen- en concentratiestoornissen. Het voorgaande betekent dat het hof de schadeposten voor wat betreft de iPhone en de Samsung-televisie zal toewijzen. De betwisting rond de bureaustoel kan het hof niet goed volgen, zodat die als onvoldoende wordt gepasseerd. [de werknemer] heeft bij de bureaustoel nog een beroep gedaan op zijn retentierecht, net als met betrekking tot het bureau. Omdat, zoals hierna wordt toegelicht, zijn vordering rond vakantiegeld teniet gaat door verrekening, er geen vordering is voor de verlofdagen en onvoldoende is aangevoerd om een vordering rond de industriële koelkast aan te nemen, is geen sprake van aan [de werknemer] verschuldigde bedragen. VCMI heeft niet betwist dat [de werknemer] ’s privé bureaustoel op het kantoor in [plaats2] staat. Dat [de werknemer] eerder heeft gevraagd om afgifte daarvan is echter niet gesteld of gebleken. Het hof gaat er daarom van uit dat VCMI deze privé bureaustoel op eerste verzoek aan [de werknemer] zal teruggeven. Dat leidt ertoe dat aan [de werknemer] geen beroep toekomt op zijn retentierecht. De bureaustoel en het bureau waren bedoeld voor het thuiskantoor van [de werknemer] . VCMI heeft voldoende onderbouwd dat zij in dat licht geen belang heeft bij teruggave van die zaken. Ook de schadevorderingen met betrekking tot bureaustoel en het bureau worden daarom toegewezen. Ten aanzien van de TCL-televisie stelt [de werknemer] dat er geen schade is omdat de aanschaf daarvan al in contanten aan [de directeur-eigenaar] is terugbetaald. Dat is gemotiveerd betwist door VCMI. [de werknemer] heeft geen kwitantie overgelegd van de contante betaling en zijn stelling alleen ondersteund met de verklaring van zijn vrouw. Tegenover de gemotiveerde betwisting had van [de werknemer] mogen worden verwacht duidelijker het zakelijk gebruik van de televisie toe te lichten bijvoorbeeld met een foto van de tv in de gestelde zakelijke ruimte. Ook had hij beter de contante terugbetaling toe moeten lichten, bijvoorbeeld onderbouwd met een bankafschrift van opnamen van contant geld, of anderszins onderbouwing hoe het contante bedrag van ‘circa 1800 Euro’ voorhanden was. drones
3.41
VCMI vordert ook vergoeding van de aanschaf van zeven drones (DJI Mini 4 Pro).
[de werknemer] heeft deze zeven drones met toebehoren gekocht via Amazon en de prijs van € 15.755,18 voorgeschoten. De factuur is op naam van Advies gezet en is ter vergoeding aan [de werknemer] naar de boekhouder gestuurd. De aankoop van de drones past binnen de bevoegdheid van [de werknemer] en was volgens VCMI noodzakelijk omdat de drones die tot dan werden gebruikt niet voldeden aan de wettelijke eisen. De drones zijn echter verdwenen.[de werknemer] heeft verklaard dat deze drones blijkbaar voor Inspectiemedewerkers waren. Er waren meerdere drones ingekocht door schades of nieuwe wetgeving. Voor de rest kan hij zich niets herinneren. De aangekochte drones zijn in de bedrijfspanden van VCMI in [plaats2] .
3.42
VCMI heeft een akte van cessie in het geding gebracht waarin Advies haar vordering tot vergoeding van de koopprijs van de drones overdraagt aan VCMI. Uit de akte van cessie volgt dat VCMI de koopprijs al aan Advies heeft voldaan. Daaruit volgt dat de vordering die VCMI nu instelt moet worden beoordeeld op de grondslag die Advies daaraan ten grondslag heeft gelegd of heeft kunnen leggen, te weten onrechtmatige daad. Volgens VCMI schuilt de onrechtmatigheid van het handelen van [de werknemer] hier in dat hij de drones in zijn bezit had maar niet heeft afgegeven, dan wel dat hij er niet als goed huisvader voor heeft gezorgd en ze heeft kwijtgemaakt dan wel dat hij ze terug heeft gestuurd naar Amazon en van hen het aankoopbedrag heeft terugontvangen en gehouden.
3.43
Uit de verklaring van [de algemeen directeur] blijkt dat lege koffers en verpakkingsmaterialen van drones zijn gesignaleerd op kantoor en werknemer [collega3] heeft verklaard: ‘Op maandag 30 oktober 2023 ben ik na aanleiding van de nieuwe aangekochte drone’s ( DJI Mini 4) bezig geweest met het uitpakken uit de verpakking en instellen van deze drone’s. Wij werkte op dat moment met een online platvorm (Airhub). Dit is een online handboek voor het gebruik van de drone, die alles bijhoud. (…) Na de eerste (van de 7 drones) uit de verpakking te hebben gehaald aan het onderzoeken gegaan of ik hun app kon downloaden op de smart controller van de nieuwe DJI Mini 4 door middel van hun informatie. Helaas kwam er al vrij snel achter dat het online platvorm (Airhub) niet zou kunnnen werken op de DJI Mini 4. (…) Na mijn constatering heb dit meteen op 30 oktober 2023 in de middag terug gekoppelt aan Dhr [de werknemer] . Hij vond het raar dat dit niet kon en vroeg om de drone weer in de verpakking te doen en op Dhr. [de werknemer] bureau gezet samen met de andere 6 drones en gaf aan dat hij hier zelf thuis mee verder zal gaan en zou zelf contact opnemen met Airhub.
Op woensdag 1 november ben ik nog aanwezig geweest op kantoor en waren alle dozen met de aangekochte drone’s ook verdwenen. Enkel de nieuwe opberg koffers voor deze nieuwe drones waren nog aanwezig. De Dhr [de werknemer] gaf aan dat hij deze zelf mee naar huis had genomen voor verder onderzoek.’
3.44 Op 6 november 2023 mailt [de werknemer] aan zijn medewerkers over de nieuwe drones: ‘Ik ben druk met Airhub om alle instellingen te automatiseren’. In zijn verweerschrift in hoger beroep erkent [de werknemer] dat de Airhub-app op dat moment nog niet compatibel was met de DJI Mini 4. Uit verklaringen van diverse medewerkers volgt tenslotte dat [de werknemer] herhaaldelijk heeft gezegd dat de nieuwe drones er aan kwamen en dat zij van [de werknemer] nooit een DJI Mini 4-drone hebben ontvangen. Tegen deze achtergrond mocht van [de werknemer] worden verwacht beter dan nu duidelijk te maken wat er met de drones is gebeurd. Nu vast staat dat [de werknemer] de drones in bezit heeft gehad en niet vast staat dat ze zijn afgegeven aan VCMI of Advies of Inspectie en [de werknemer] evenmin concreet duidelijk heeft gemaakt wat er met de drones is gebeurd acht het hof hem verantwoordelijk voor de vermissing van de drones, waarmee hij niet heeft gehandeld conform de maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid die van hem verwacht mocht worden. Onbetwist is dat door dit onrechtmatig handelen een schade van € 15.755,18 is ontstaan zodat het hof die vordering van VCMI zal toewijzen.
andere zaken
3.45
VCMI heeft ten slotte nog gevorderd dat [de werknemer] alle andere zaken die hij nog vanwege het dienstverband onder zich heeft binnen vier dagen na betekening van dit arrest moet afgeven, op straffe van een dwangsom van € 7.500 ineens. Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat [de werknemer] de zeven zaken van VCMI die zijn genoemd in zijn verklaring van 12 mei 2025 (productie 32 eerste aanleg) nog niet heeft teruggegeven. De vordering van VCMI is alleen bepaalbaar voor deze zaken en dus slechts in zoverre toewijsbaar. Het hof zal daarom de teruggave gelasten van een laptop HP, een printer, een webcam, VCMI-kleding, een ladder, een EHBO-doos en pionnen. [de werknemer] heeft geen verweer gevoerd tegen de afgiftetermijn noch tegen de dwangsom zelf. Het hof zal de afgifte binnen vier dagen toewijzen maar, gelet op de geschatte waarde van de genoemde zaken, de dwangsom bepalen op het lagere bedrag van € 2.500. vi) de eindafrekening
3.46
[de werknemer] maakt aanspraak op voldoening van de eindafrekening. Concreet gaat het om € 6.066,89 bruto aan vakantiegeld (€ 5.395,67 (saldo december) + € 671,22 (januari)) en € 13.451,65 bruto aan vergoeding ter zake van 28 vakantie/verlofdagen (€ 10.405,97 / 21,66 x 28), vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging, onder afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie.VCMI heeft erkend vakantiegeld verschuldigd te zijn maar beroept zich op verrekening, zoals blijkt uit de verrekeningsverklaring die zij op 27 februari 2025 heeft uitgebracht. De (hoogte van de) vordering van niet-genoten vakantiedagen wordt betwist. [de werknemer] had als titulair directeur en feitelijk leidinggevende grote vrijheid bij het plannen en opnemen van zijn vakantiedagen. Uit hiaten in e-mailverkeer en uit appjes met de zoon van [de directeur-eigenaar] leidt VCMI af dat hij ook daadwerkelijk vakantie genoot. Omdat hij dat verlof niet doorgaf aan de administratie kon dat dus ook niet worden verwerkt, zodat VCMI niet is tegen te werpen dat zij geen sluitende vakantiedagenadministratie heeft. [de werknemer] moet daarom bewijzen dat hij een vordering uit hoofde van niet genoten vakantiedagen heeft. Voor zover hij die vordering zou hebben beroept VCMI zich op verrekening daarvan met hetgeen zij tegoed heeft van [de werknemer] .
3.47
Gelet op de erkenning van VCMI wijst het hof de vordering tot betaling van het vakantiegeld van € 6.066,89 bruto toe. De verschuldigdheid van de wettelijke rente en de wettelijke verhoging is niet betwist zodat ook die worden toegewezen, waarbij de wettelijke verhoging op 50% wordt gesteld. Ook wordt VCMI veroordeeld tot het opstellen en afgeven van een bruto/netto loonspecificatie over deze bedragen.
3.48
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt de bewijslast met betrekking tot het aantal vakantiedagen bij de werknemer. De werkgever moet een betwisting van het door de werknemer gestelde vakantietegoed - mede aan de hand van de door hem bijgehouden administratie - wel motiveren. Van een voldoende gemotiveerde betwisting kan ook sprake zijn als de werkgever concrete omstandigheden stelt waaruit kan volgen dat de werkgever niet over de gegevens kan beschikken in verband met de wijze waarop partijen aan de arbeidsovereenkomst invulling hebben gegeven. De arbeidsovereenkomst geeft [de werknemer] per jaar aanspraak op 28 vakantiedagen. Desgevraagd heeft hij ter zitting bij het hof verklaard dat het aantal van 28 vakantiedagen dat hij vordert is gebaseerd op de loonstrook. Uit de overgelegde loonstroken over december 2024 en over januari 2025 is echter het vakantiedagensaldo niet te halen en andere loonstroken zijn niet overgelegd. [de werknemer] heeft ook toegelicht dat over één jaar geen vakantie is opgenomen, en dat hij over het jaar ervoor nog acht dagen heeft meegenomen. Dat weet hij omdat hij dat naar eigen zeggen heeft bijgehouden, maar [de werknemer] heeft nagelaten om daarvan onderbouwing in het geding te brengen. [de werknemer] heeft niet betwist dat hij een grote vrijheid had om vakantiedagen op te nemen en dat hij de opgenomen dagen niet doorgaf aan de administratie. Ook heeft hij erkend dat hij vakantie heeft opgenomen. VCMI heeft gewezen op deze concrete omstandigheden zodat zij naar het oordeel van het hof de vordering van [de werknemer] voldoende heeft betwist. Omdat [de werknemer] heeft nagelaten zijn stelling van een tegoed van 28 vakantiedagen voldoende te onderbouwen, wordt deze vordering afgewezen.
vii) conclusie
3.49
Het voorgaande leidt ertoe dat [de werknemer] € 65.625 aan overgemaakte bedragen moet terugbetalen (€ 59.900 + € 5.725). Aan schadevergoeding is [de werknemer] een bedrag van € 24.263,95 aan VCMI verschuldigd (€ 1.359 + € 899 + € 399,99 + € 1.907,90 + € 3.942,88 + € 15.755,18). VCMI heeft op 27 februari 2025 de bedragen die zij tegoed heeft verrekend met de eindafrekening die nog aan [de werknemer] toekomt. [de werknemer] heeft de verrekeningsbevoegdheid van VCMI betwist, maar dat neemt het hof niet over. De vorderingen van VCMI en het door haar verschuldigde vallen (onder meer vanwege de cessies) immers in hetzelfde vermogen en betreffen wederkerige en gelijksoortige prestaties. Hiervoor is al vastgesteld dat [de werknemer] recht heeft op € 6.066,89 bruto aan vakantiegeld vermeerderd met de wettelijke verhoging van € 3.033,45 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente. Het netto-equivalent van het vakantiegeld en de wettelijke verhoging alsook de wettelijke rente komen door de verrekeningsverklaring van 30 juni 2025 in mindering op het door [de werknemer] te betalen bedrag (meer specifiek op het oudst verschuldigde bedrag van € 59.900). De wettelijke rente over het door [de werknemer] verschuldigde wordt eveneens toegewezen. Dat betekent ook dat het door VCMI al eerder aan [de werknemer] betaalde bedrag van € 32.881,96 onverschuldigd is betaald en moet worden teruggestort, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.
3.50
Het principaal hoger beroep van VCMI slaagt grotendeels, zodat [de werknemer] in de proceskosten zal worden veroordeeld. Het incidenteel hoger beroep van [de werknemer] slaagt niet, zodat [de werknemer] ook in de proceskosten daarvan zal worden veroordeeld.
3.51
Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen.
3.52
Vanwege de overzichtelijkheid zal het hof de hele beschikking van de kantonrechter vernietigen en opnieuw uitspraak doen. Voor zover VCMI al heeft voldaan aan waartoe de kantonrechter haar heeft veroordeeld en wat in hoger beroep overeind blijft, is zij daartoe niet opnieuw gehouden.
De beslissing
Het hof:
4.1
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 24 juni 2025;
4.2
veroordeelt VCMI om aan [de werknemer] te betalen:
- de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW van € 23.214,04 bruto,- de transitievergoeding van € 11.898,76 bruto,
4.3
veroordeelt VCMI tot het opstellen van een bruto/netto loonspecificatie van de hiervoor onder 4.3 genoemde bruto bedragen en die specificatie aan [de werknemer] af te geven binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking;
4.4
verklaart voor recht dat VCMI geen rechten kan ontlenen aan het overeengekomen concurrentiebeding;
4.5
veroordeelt [de werknemer] tot betaling aan VCMI binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking van een bedrag van € 59.900 netto verminderd met het netto-equivalent van het vakantiegeld van € 6.066,89 bruto en de wettelijke verhoging van € 3.033,45 bruto, en verminderd met de wettelijke rente over € 6.066,89 bruto en € 3.033,45 bruto, vanaf 28 februari 2025 tot 25 juli 2025;
4.6
veroordeelt [de werknemer] tot betaling aan VCMI binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking van een bedrag van € 5.000, een bedrag van € 725 en een bedrag van € 24.263,95;
4.7
veroordeelt [de werknemer] tot betaling aan VCMI binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking van de wettelijke rente: - over € 59.900 vanaf 1 januari 2024 tot aan 30 juni 2025 en - over het toegewezen bedrag onder 4.5, vanaf 30 juni 2025,- over € 5.000 vanaf 26 juli 2024 en - over € 725 vanaf 3 september 2024tot aan de dag van volledige voldoening;
4.8
veroordeelt [de werknemer] tot betaling aan VCMI binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking van een bedrag van € 32.881,96 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
4.9
veroordeelt [de werknemer] tot afgifte aan VCMI van een laptop HP, een printer, een webcam, VCMI-kleding, een ladder, een EHBO-doos en pionnen, binnen vier dagen na betekening van deze beschikking, zulks bij overtreding op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500;
4.10
veroordeelt [de werknemer] in het principaal hoger beroep tot betaling van de volgende proceskosten van VCMI:
€ 827 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van VCMI (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.11
veroordeelt [de werknemer] in het incidenteel hoger beroep tot betaling van de volgende proceskosten van VCMI:
€ 1.290 aan salaris van de advocaat van VCMI (2 procespunten x tarief II x 0,5);
4.12
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.
4.13
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.14
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mrs. G.A. Diebels, C. Hoogland en A.C.M. Kuypers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 120-121.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 4, p. 61; Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p. 113.
HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 8 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5569, rov 6.11.
Soms per abuis € 750 genoemd.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 200.
Verweerschrift in hoger beroep, randnr. 93.
Verweerschrift in hoger beroep randnr. 112-113.
HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8560. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|