Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:4279 
 
Datum uitspraak:01-06-2026
Datum gepubliceerd:05-06-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB-24_5160
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Weigering door het UWV om het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) uit te keren, omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. UWV heeft aanvraag niet geheel conform toetsingskader beoordeeld. Tijdens zitting alsnog voldoende gemotiveerd. Toepassing 6:22 Awb. UWV heeft terecht geconcludeerd dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Gezien herhaaldelijk te laat komen op het werk kon redelijkerwijze niet worden gevergd van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. UWV heeft terecht gesteld dat eiser de dringende reden voor ontslag in overwegende mate kan worden verweten. Persoonlijke omstandigheden zijn geen reden om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Geen sprake van dringende redenen in de zin van artikel 24, achtste lid, van de WW, omdat niet is gebleken dat maatregel tot onaanvaardbare consequenties heeft geleid. Het onderzoek van UWV is zorgvuldig geweest. Beroep op evenredigheid slaagt niet. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/5160
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.S. Winkel).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering door het UWV om eisers recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) uit te keren, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Eiser is het niet eens met de weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Het UWV heeft met het besluit van 20 februari 2024 geweigerd de WW-uitkering aan eiser uit te keren. Met het bestreden besluit van 19 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dit besluit gebleven.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, vergezeld door zijn oom [naam oom] , en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.





Beoordeling door de rechtbank


De feiten

3. Eiser was sinds 9 juni 2017 – en per 1 april 2018 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd – in dienst bij zijn werkgever. Hij is met ingang van 8 mei 2023 wegens dringende redenen op staande voet ontslagen door zijn werkgever. Eiser heeft op 28 augustus 2023 een aanvraag voor een WW-uitkering en een toeslag ingediend.


3.1.
Eiser heeft per 1 februari 2024 een nieuwe dienstbetrekking.


Totstandkoming van het (bestreden) besluit

4. Met het besluit van 20 februari 2024 heeft het UWV eiser per 8 mei 2023 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering en bepaald dat deze wegens verwijtbare werkloosheid niet tot uitbetaling komt. Omdat eiser geen WW-uitkering krijgt, heeft hij ook geen recht op een toeslag van het UWV. Dit recht is namelijk gekoppeld aan een WW-uitkering.



4.1.
Met het besluit van 19 juni 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eisers WW-uitkering wordt niet uitbetaald, omdat hij verwijtbaar werkloos is (geworden). Eiser is namelijk op staande voet ontslagen, vanwege herhaaldelijk te laat komen op het werk. Dit is een dringende reden voor ontslag. Ondanks meerdere schriftelijke waarschuwingen en aankondiging voor passende maatregelen bij herhaaldelijk te laat komen, heeft er geen verbetering plaatsgevonden. Volgens het UWV is sprake van een dringende reden voor ontslag in zowel objectieve als subjectieve zin. In objectieve zin is sprake van een dringende reden, omdat sprake is van ontslag wegens ongeoorloofd te laat op werk verschijnen. In subjectieve zin is sprake van een dringende reden, omdat uit het handelen van de werkgever voldoende duidelijk is geworden dat de werkgever het verweten gedrag als zwaar verwijtbaar heeft beoordeeld. Er zijn volgens het UWV geen omstandigheden gebleken die maken dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het UWV heeft geen stukken ontvangen die onderbouwen dat er sprake is van een onveilige situatie en omstandigheden.


Toetsingskader

5. Ingevolge artikel 24, eerste lid en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos wordt.



5.1.
Ingevolge artikel 24, tweede lid en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.



5.2.
Ingevolge artikel 7:677, eerste lid, van het BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.



5.3.
Ingevolge artikel 7:678, eerste lid, van het BW worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van het eerste lid van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.



5.4.
Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW brengt het UWV een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.


Wat is in geschil?

6. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser zijn beroepsgrond dat er geen wettelijke grondslag is voor het in het geheel niet uitbetalen van het recht op een uitkering op grond van de WW niet langer handhaaft, zodat de rechtbank daar verder niet op in zal gaan.



6.1.
In geschil is de vraag of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, omdat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag heeft gelegen en hem ter zake een verwijt valt te maken. Om deze vraag te kunnen beantwoorden zal de rechtbank hierna eerst beoordelen of aan het ontslag een dringende reden ten grondslag lag en zo ja of eiser ter zake daarvan een verwijt kan worden gemaakt.


Was er een dringende reden voor ontslag?

7. Eiser stelt dat het UVW te eenzijdig uitgaat van de visie van de werkgever. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Tijdens de zitting heeft eiser nog toegelicht dat zijn werkgever weliswaar in het verleden meerdere keren heeft gewaarschuwd, maar dat de werkgever nooit consequenties heeft verbonden aan het na die waarschuwingen toch weer te laat komen. Eiser stelt dat hij daarom niet had hoeven verwachten dat de werkgever nu wel zou doorpakken en hem zou ontslaan.



7.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaatsvinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(en) van de werknemer, de wijze waarop de werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie het verweten gedrag beoordeelt, de in dat verband voor de werknemer kenbare bedoeling van de werkgever, de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een beëindiging van het dienstverband voor hem zou hebben. Ook indien die gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de gedraging(en) tot de conclusie leiden dat beëindiging van de dienstbetrekking gerechtvaardigd is. Indien tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW ten slotte nog moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.


7.2.
Volgens vaste rechtspraak geldt dat het UWV is gehouden zich een eigen oordeel te vormen over de vraag of een aanvrager van een WW-uitkering verwijtbaar werkloos is geworden. Dat brengt mee dat het UWV gehouden is zelfstandig te onderzoeken of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag heeft gelegen en of de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Daarnaast moet het UWV na vergaring van de nodige kennis over de relevante feiten zijn beslissing deugdelijk motiveren.



7.3.
De rechtbank stelt vast dat het UWV in de besluitvorming de beoordeling of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt niet (geheel) heeft verricht in overeenstemming met het onder 7.1 genoemde toetsingskader dat de CRvB daarvoor heeft gegeven. Het UWV heeft volstaan met de beoordeling van de objectieve en subjectieve reden, maar de overige (individuele) elementen (zoals de aard en duur van de dienstbetrekking, het functioneren van eiser en de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband voor eiser) niet bij de beoordeling betrokken. Het bestreden besluit kent op dit punt een motiveringsgebrek. Dat heeft het UWV tijdens de zitting ook erkend. Maar dit betekent niet dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het motiveringsgebrek van het bestreden besluit kan namelijk met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. In het verweerschrift en tijdens de zitting heeft het UWV alsnog een volledige beoordeling gemaakt. Eiser heeft daar ook op kunnen reageren. Verder is van belang dat zonder het gebrek het UWV het bestreden besluit ook zou hebben genomen.



7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat aan de werkloosheid van eiser een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt. Daartoe is het volgende van belang.



7.5.
Uit de ontslagbrief van 8 mei 2023 volgt dat eiser op 4 mei 2021, 11 oktober 2021, 18 oktober 2021 en 6 februari 2023 officieel is gewaarschuwd door zijn werkgever, wegens te laat verschijnen op het werk. Bij de laatstgenoemde waarschuwing is door de werkgever duidelijk vermeld dat te laat komen onacceptabel is en dat (bij een volgende keer) ontslag de consequentie zal zijn. Op 5 mei 2023 was eiser opnieuw (fors) te laat omdat hij zich had verslapen. Ook staat in de ontslagbrief dat eiser een functie heeft waarvan het belangrijk is dat hij op de ingeroosterde uren aanwezig is. Eiser heeft de in de ontslagbrief genoemde gedragingen en feiten niet betwist.



7.6.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV deze gedragingen, gelet op de recidive en het gegeven dat eiser een functie had waar op tijd zijn van belang is, terecht dusdanig ernstig heeft geacht dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Op het te laat op het werk komen is eiser aangesproken en hij heeft meermalen een schriftelijke waarschuwing gehad, waarbij in de laatste waarschuwing de mogelijkheid van ontslag is genoemd. Het had voor eiser dan ook duidelijk moeten zijn dat zijn werkgever zwaar tilde aan het telkens te laat komen en het had dan ook voorzienbaar kunnen zijn dat het wederom te laat komen op werk tot ontslag zou kunnen leiden. Eiser had naar het oordeel van de rechtbank zijn gedrag hierop kunnen aanpassen om te voorkomen dat hij ontslagen zou worden.
Dat eiser in 2021 drie officiële waarschuwingen heeft gekregen voor te laat komen, zonder dat ontslag volgde, maakt, anders dan eiser tijdens de zitting heeft betoogd, niet dat het voor hem niet voorzienbaar zou zijn dat bij het wederom te laat komen ontslag zou (kunnen) volgen of dat de werkgever niet zwaar zou tillen aan het te laat komen. De werkgever heeft namelijk, zo blijkt uit de ontslagbrief, op 6 februari 2023 eiser gewaarschuwd en (anders dan in 2021, zo begrijpt de rechtbank) bij een volgende keer te laat komen ontslag aangezegd. Dat maakt dat eiser aan het feit dat hij in 2021 drie waarschuwingen heeft gehad zonder dat daar nadien consequentie aan werden verbonden, niet het vertrouwen kon ontlenen dat het opnieuw te laat komen wederom zonder consequenties zou blijven.



7.7.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden niet in de weg staan aan beëindiging van de dienstbetrekking. Eiser werkte sinds 2017 bij zijn werkgever en is sinds 2021 meermalen gewaarschuwd vanwege het te laat komen. Op dat vlak heeft eiser kennelijk zijn leven (in dit dienstverband) niet gebeterd. Verder is van belang dat eiser nog jong is en, zoals hij tijdens de zitting heeft toegelicht, sinds 1 februari 2024 een nieuwe dienstbetrekking heeft. Dat eiser door het ontslag in financiële problemen is gekomen, heeft hij niet onderbouwd.


Is er sprake van verminderde verwijtbaarheid?

8. Eiser betoogt dat sprake was van een onveilige situatie op het werk. Ook had eiser last van psycho-sociale omstandigheden. Tijdens de zitting heeft eiser dit verder toegelicht door aan te geven dat hij psychische problemen/ADHD heeft, dat er op het werk tegen hem werd geschreeuwd en dat hij zich in december 2022 bedreigd voelde doordat een teamleider hem verplicht naar een consult stuurde bij de bedrijfsarts, terwijl hij net geopereerd was, en dat anders het consult in mindering zou worden gebracht op zijn loon. Eiser stelt dat deze omstandigheden maken dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de WW.



8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht gesteld dat de dringende reden voor het ontslag eiser in overwegende mate kan worden verweten. Voor verminderde verwijtbaarheid, zoals door eiser is betoogd, ziet de rechtbank geen grond. De rechtbank wil best geloven dat eiser – mede door zijn privésituatie – in een moeilijke periode verkeerde, maar eiser heeft verder niet onderbouwd dat zijn (psychische) toestand zodanig was, dat het meermalen te laat komen op zijn werk hem niet in overwegende mate kan worden verweten. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er een verband bestaat tussen de door hem genoemde bijzondere omstandigheden (zoals de bejegening door zijn leidinggevende, de sfeer op het werk en zijn psychische problemen) en de gedragingen van het (telkens) te laat komen. Zo blijkt uit de ontslagbrief dat het (fors) te laat komen op 5 mei 2023 is veroorzaakt doordat eiser zich had verslapen.


Had het UWV moeten afzien van de maatregel vanwege dringende redenen?

9. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser dat het UWV onvoldoende rekenschap heeft gegeven van zijn persoonlijke situatie en omstandigheden (ook) zo, dat hij daarmee een beroep doet op artikel 27, achtste lid, van de WW. In dit artikel staat dat het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.



9.1.
Van een dringende reden – niet te verwarren met de gelijknamige term ‘dringende redenen’ voor ontslag als bedoeld in artikel 7:678, eerste lid, van het BW – is sprake wanneer de gevolgen van de op te leggen maatregel tot voor betrokkene onaanvaardbare consequenties zouden leiden. Daarbij kan worden gedacht aan omstandigheden van financiële of immateriële aard. Het moet gaan om bijzondere omstandigheden, niet gelegen in de oorzaak en mate van verwijtbaarheid van de werkloosheid.



9.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Uit hetgeen eiser naar voren heeft gebracht en uit het dossier blijkt niet dat de maatregel tot onaanvaardbare consequenties voor eiser heeft geleid. De psycho-sociale omstandigheden bestonden al voor de maatregel en zijn daar dus niet het gevolg van. Verder is van belang dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij door de maatregel in de financiële problemen is geraakt.


Heeft het UWV onzorgvuldig onderzoek gedaan en onzorgvuldig gehandeld?

10. Eiser stelt dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld. Het UWV heeft onvolledig onderzoek gedaan naar het ontslag en de persoonlijke omstandigheden. Ten onrechte staat in het bestreden besluit dat de onveilige situatie op het werk en de persoonlijke omstandigheden niet met stukken zijn onderbouwd. Daar is niet om gevraagd en die omstandigheden laten zich ook niet met stukken onderbouwen. Bovendien is op 13 mei 2024 in het telefoongesprek met het UWV namens het UWV aangegeven dat de informatie die voorhanden was voldoende was en dat aanwezigheid tijdens de hoorzitting geen toegevoegde waarde zou hebben. Eiser leidde daaruit af dat zijn bijzondere omstandigheden het UWV in voldoende mate duidelijk waren. Hem is door het UWV ten onrechte niet nadrukkelijk geadviseerd om bij de hoorzitting aanwezig te zijn.



10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door het UWV zorgvuldig geweest. Het UWV heeft toegelicht dat de ontslagbrief van de werkgever duidelijk was over de reden van het ontslag op staande voet en dat het niet nodig was om daarover nog contact te hebben met de werkgever. De rechtbank kan het UWV daarin volgen. Ook heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig gehandeld. Naar aanleiding van de aanvraag van eiser om een WW-uitkering, heeft het UWV eiser meermalen per brief gevraagd om nadere informatie te overleggen. Ook blijkt uit het bezwaarschrift dat er telefonisch contact is geweest met het UWV. Eiser heeft dus alle gelegenheid gehad om zijn persoonlijke en bijzondere omstandigheden naar voren te brengen. Dat heeft eiser in zijn bezwaarschrift en met het overleggen van zijn brief (‘bezwaar tegen mijn ontslag op staande voet’) van 19 juni 2023 ook gedaan. Verder is van belang dat eiser in zijn bezwaarschrift erkent dat hij voor het UWV moeilijk tot niet bereikbaar was. Uit de telefoonnotitie van 13 mei 2024 blijkt dat namens eiser is gezegd dat er geen aanvullingen zijn op het bezwaarschrift. Anders dan eiser stelt, is het niet aan het UWV om eiser nadrukkelijk te adviseren over zijn aanwezigheid bij de hoorzitting. Die afweging moet eiser zelf maken en uit de telefoonnotie blijkt duidelijk dat zijn moeder namens hem aangeeft dat geen gebruik wordt gemaakt van de hoorzitting Uit deze telefoonnotitie volgt verder dat de medewerker van het UWV vervolgens, naar aanleiding van het bezwaarschrift, vragen heeft gesteld over de onveilige situatie, zodat ook hierom niet gesproken kan worden van onvolledig of onzorgvuldig onderzoek. De beroepsgrond slaagt niet.


Evenredigheidsbeginsel

11. Eiser heeft, tot slot, een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. De artikelen van de WW zijn geen regels in absolute zin. Het recht op een uitkering staat niet ter discussie alleen de uitbetaling daarvan. Daarom had in het bestreden besluit ook een toets aan het evenredigheidsbeginsel moeten plaatsvinden, aldus eiser.


11.1.
De rechtbank overweegt dat het blijvend een bedrag in mindering brengen op de WW-uitkering dwingend voortvloeit uit artikel 27, eerste lid, van de WW. Dat is een wet in formele zin. Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staan dan artikel 11 van de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven (zogenoemde ‘contra-legemtoepassing’).



11.2.
De rechtbank is niet gebleken van dergelijke bijzondere omstandigheden. De wetgever heeft met de keuze van de verplichte maatregel in artikel 27, eerste lid, van de WW beoogd een volledige afweging te maken met betrekking tot de evenredigheid van die maatregel. De essentie van de dwingend geformuleerde maatregel is dat degene die niet verminderd verwijtbaar werkloos wordt geacht, geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Deze essentie kan de wetgever bij het vaststellen van de wet niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat de wetgever dit gevolg heeft bedoeld en voorzien. Verder is van belang dat met de toetsing aan artikel 27, achtste lid, van de WW de evenredigheid al voldoende is geborgd.

12. Gelet op het voorgaande heeft het UWV de WW-uitkering van eiser terecht blijvend geheel geweigerd.





Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om te bepalen dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die vergoed moeten worden.




Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3469 en 11 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3987.


Zie bijvoorbeeld CRvB 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:345.


Uitspraak van de CRvB van 12 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AL1415.


CRvB 30 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1091.


CRvB 6 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:428.
Link naar deze uitspraak