Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:3861 
 
Datum uitspraak:25-02-2026
Datum gepubliceerd:05-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:23_7447 23_7448 23_7449 e 23_7447 23_7448 23_7449 e
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Bpm - Ter zake van vier auto’s zijn naheffingsaanslagen Bpm opgelegd. Niet in geschil is dat twee naheffingsaanslagen verminderd dienen te worden. Voor verdere vermindering bestaat geen aanleiding. Voor één auto maakt eiser niet aannemelijk dat deze meer schade had dan door DRZ is onderkend. Aan de andere auto’s kleven essentiële gebreken zodat de taxatiemethode niet kan worden toegepast. Eiser maakt niet aannemelijk dat er gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn met een lagere CO2-uitstoot. De rechtbank verklaart twee beroepen gegrond en twee ongegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
naheffingsaanslag
taxatie
 
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 23/7447, SGR 23/7448, SGR 23/7449 en SGR 23/7450

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaken tussen


[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam], wonende te [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

en

de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.





Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser ter zake van een Seat Leon (auto 1), een Mercedes-Benz GLC (auto 2), een Mercedes-Benz GLE (auto 3) en een Mercedes-Benz C 400 auto 4) naheffingsaanslagen belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.

Eiser heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. Het eerste van deze bezwaren is door verweerder ontvangen op 14 april 2023.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroep dat ziet op auto 1 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 23/7447; het beroep dat ziet op auto 2 onder zaaknummer SGR 23/7448; het beroep dat ziet op auto 3 onder zaaknummer SGR 23/7449 en het beroep dat ziet op auto 4 onder zaaknummer SGR 23/7450.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026.
Namens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].





Overwegingen


Feiten



Auto 1

1. Eiser heeft op 27 december 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van auto 1. Eiser heeft auto 1 gekocht voor € 13.390.

2. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van Haaglanden Expertise (de taxateur). In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van auto 1 bepaald op € 54.265. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is aan de hand van de Eurotax koerslijst bepaald op € 23.517. De huidige inkoopwaarde is met inachtneming van een waardevermindering wegens schade bepaald op € 6.320.

3. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 6.320. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.936 en is op aangifte voldaan.

4. Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd. De schouw heeft plaatsgevonden op 3 januari 2023. DRZ heeft de historische nieuwprijs bepaald op € 55.485. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is aan de hand van de Autotelexpro koerslijst bepaald op € 30.329 en de huidige inkoopwaarde in beschadigde staat op € 27.637. Door DRZ is een waardevermindering van € 2.692, ofwel 72% van de door DRZ geconstateerde schade in aanmerking genomen. Tevens is door DRZ opgemerkt dat eiser in zijn koerslijst en consumentenprijsberekening is uitgegaan van een onjuiste uitvoering van een Seat Leon.

5. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van de forfaitaire tabel, omdat die gunstiger is voor eiser dan berekening op basis van de waardebepaling door DRZ. Verweerder heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 7.073. De nageheven belasting ter zake van auto 1 bedraagt € 5.137. Bij de naheffingsaanslag is € 23 aan belastingrente in rekening gebracht.


Auto 2

6. Eiser heeft op 9 februari 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van auto 2. Eiser heeft auto 2 gekocht voor € 32.899. Datum eerste toelating van de auto is 29 januari 2020.

7. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van de taxateur. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van auto 1 bepaald op € 78.106. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is aan de hand van de Xray koerslijst bepaald op € 35.755. De huidige inkoopwaarde is met inachtneming van een waardevermindering wegens schade bepaald op € 8.525.

8. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 8.525. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.791 en is op aangifte voldaan.

9. Auto 2 is door de RDW ingeschreven via versnelde inschrijving.

10. DRZ heeft een hertaxatie uitgevoerd. De schouw heeft plaatsgevonden op 17 februari 2022. DRZ heeft de historische nieuwprijs bepaald op € 83.063. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is aan de hand van de Xray koerslijst bepaald op € 40.472. Daarbij zijn door DRZ de volgende opmerkingen geplaatst:
“Het aangegeven voertuig is bij DRZ getoond in een gedeeltelijk herstelde staat. De opgegeven schadecalculatie wijkt af van de staat waarin het voertuig zich bevindt.
Het voertuig heeft scherp uitstekende delen door het ontbreken van onderdelen
aan de voorzijde en linker zijkant van het voertuig. Tevens is zichtbaar dat de velg
linksvoor een aanzienlijke afwijking vertoond. Het voertuig voldoet volgens DRZ
niet aan de regeling in hoofdstuk 5 voertuigeisen.
De schadecalculatie in de aangifte omvat onderdelen en werkzaamheden welke
wijzen op essentiële gebreken aan het voertuig;
-camera voorzijde
-actuator motorkap
-druksensor voor”

11. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van de waardebepaling door DRZ. Verweerder heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 8.001. De nageheven belasting ter zake van auto 2 bedraagt € 6.210. Bij de naheffingsaanslag is € 32 aan belastingrente in rekening gebracht.


Auto 3

12. Eiser heeft auto 3 gekocht voor € 32.399. Datum eerste toelating van de auto is 15 oktober 2018.

13. Auto 3 is op 14 april 2022 door de RDW goedgekeurd. De RDW heeft de CO2-uitstoot van auto 3 middels de NEDC2 meetmethode vastgesteld op 205 gram/kilometer.

14. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van de taxateur. De taxateur heeft auto 3 op 14 april 2022, na goedkeuring door de RDW, geschouwd. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van auto 3 bepaald op € 135.929. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is aan de hand van de Xray koerslijst bepaald op € 34.466. De huidige inkoopwaarde is met inachtneming van een waardevermindering wegens schade bepaald op € 8.760. Op foto’s in het taxatierapport is waarneembaar dat aan de passagierszijde van auto 3 een airbag is geactiveerd.

15. Eiser heeft op 15 april 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van auto 3. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 8.760 en een CO2-uitstoot van 205 gram/kilometer. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 2.878 en is op aangifte voldaan.

16. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 34.466. Verweerder heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 11.329. De nageheven belasting ter zake van auto 3 bedraagt € 8.451. Bij de naheffingsaanslag is € 24 aan belastingrente in rekening gebracht.


Auto 4

17. Eiser heeft op 21 april 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van auto 4. Eiser heeft auto 4 gekocht voor € 23.889. Datum eerste toelating van de auto is 2 mei 2019.

18. De RDW heeft de CO2-uitstoot van auto 4 middels de WLTP meetmethode vastgesteld op 203 gram/kilometer.

19. Tot de stukken van het geding behoort een taxatierapport van de taxateur. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van auto 4 bepaald op € 90.556 . De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is aan de hand van de Xray koerslijst bepaald op € 32.976. De huidige inkoopwaarde is met inachtneming van een waardevermindering wegens schade bepaald op € 6.250.

20. Eiser heeft op 21 april 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van auto 4. In de aangifte is uitgegaan van een huidige inkoopwaarde van € 6.250 en een CO2-uitstoot van 203 gram/kilometer. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 1.428 en is op aangifte voldaan.

21. DRZ heeft een hertaxatie uitgevoerd. De schouw heeft plaatsgevonden op 29 april 2022. DRZ heeft de historische nieuwprijs bepaald op € 88.509. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat is aan de hand van de Xray koerslijst bepaald op € 34.128. Daarbij is geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. Door DRZ is opgemerkt dat de auto essentiële gebreken vertoont. DRZ noemt de aanwezigheid van scherpe delen en het gevaar van losraken van onderdelen als de bumper en spiegels. Daarbij vermeldt DRZ dat de voorbumper vastzit met ductape.

22. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van de forfaitaire tabel, omdat die gunstiger is voor eiser dan berekening op basis van de individuele waardebepaling door DRZ. Verweerder heeft de verschuldigde bpm berekend op € 7.979. De nageheven belasting ter zake van auto 4 bedraagt € 6.551. Bij de naheffingsaanslag is € 16 aan belastingrente in rekening gebracht.


Geschil

23. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en naar juiste bedragen zijn opgelegd. Niet langer in geschil is dat de ter zake van auto 2 en auto 4 opgelegde naheffingsaanslagen tenminste dienen te worden verminderd tot € 5.984 respectievelijk € 6.362.

24. Eiser stelt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Daarbij doet eiser een beroep op de taxatiemethode en stelt hij dat de aangiften moeten worden gevolgd. Subsidiair stelt eiser dat de naheffingsaanslagen naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Ter zitting heeft eiser zijn stellingen dat verweerder het mandaatverbod heeft geschonden en dat ter zake van auto 1 een waardevermindering wegens schadeverleden in aanmerking moet worden genomen, ingetrokken.

25. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslagen terecht en, met inachtneming van bovengenoemde vermindering van de naheffingsaanslagen die zien op auto 2 en auto 4, niet naar te hoge bedragen zijn opgelegd.


Beoordeling van het geschil

26. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025, slaagt de beroepsgrond van eiser met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.

27. De bewijslast met betrekking tot de gestelde waardevermindering wegens schade rust op eiser. Hij heeft daartoe gewezen op de taxatierapporten die ten grondslag zijn gelegd aan de aangiften. Verweerder heeft de door eiser bepleite waardevermindering wegens schade gemotiveerd betwist. Ter zake van auto 2, auto 3 en auto 4 stelt hij dat sprake is van essentiële gebreken zodat geen vermindering vanwege schade in aanmerking dient te worden genomen.


Auto 1

28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat auto 1 ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door DRZ is onderkend. De in het taxatierapport opgenomen schade strookt niet met de bevindingen van DRZ en wordt niet ondersteund door reparatiefacturen. Daar komt bij dat de door eiser bepleite handelsinkoopwaarde niet valt te verenigen met de eigen aankoopprijs, die een factor twee hoger ligt dan de door de taxateur getaxeerde waarde. Dat, zoals eiser stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en verdergaande schade en dat de beoordeling door DRZ daarvan afwijkt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat volgens eiser binnen de branche zou zijn ontwikkeld.

29. Tussen partijen is niet langer in geschil dat DRZ van een te lage historische nieuwprijs is uitgegaan en dat de historische nieuwprijs van auto 1 € 57.523 bedraagt. Dit resulteert echter niet in vermindering van de naheffingsaanslag. Ook indien van een historische nieuwprijs van € 57.523 wordt uitgegaan is toepassing van de forfaitaire tabel gunstiger.


Essentiële gebreken auto 2, auto 3 en auto 4

30. Krachtens artikel 10, achtste lid, onderdeel b, van de Wet Bpm komt de taxatiemethode niet in aanmerking als het motorrijtuig een essentieel gebrek kent, dat wil zeggen dat het niet voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde eisen zodat er niet mee mag worden gereden op de weg.

31. In het rapport van DRZ is geconstateerd dat auto 2 niet voldoet aan de in hoofdstuk 5 van de Regeling Voertuigen opgenomen voertuigeisen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze constatering, die is onderbouwd met foto’s en strookt met de schadecalculatie die door de taxateur is opgesteld. Daarom wordt niet voldaan aan het in artikel 5.2.48. van de Regeling Voertuigen geformuleerde vereiste dat de auto geen scherpe delen mag hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren en het in artikel 7.1, vijfde lid van de Regeling Voertuigen geformuleerde vereiste dat aanwezige elektronische veiligheidssystemen goed moeten functioneren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van essentiële gebreken en mocht eiser bij het doen van aangifte geen gebruik maken van de taxatiemethode. Dat de auto wel door de RDW is goedgekeurd doet aan dit oordeel niet af. De auto is middels versnelde inschrijving ingeschreven, hetgeen betekent dat de RDW de auto niet fysiek heeft beoordeeld

32. Ten aanzien van auto 3 voert verweerder aan dat ten tijde van de taxatie door de taxateur een airbag was geactiveerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze stelling, die bevestiging vindt in foto’s van de taxateur. Daarom wordt niet voldaan aan het in artikel 7.1, achtste lid van de Regeling Voertuigen geformuleerde vereiste dat op plaatsen waar zich een airbag bevindt een niet geactiveerde airbag aanwezig mag zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een essentieel gebrek en mocht eiser bij het doen van aangifte geen gebruik maken van de taxatiemethode. Dat een andere auto ondanks een geactiveerde airbag door de RDW is goedgekeurd, maakt het voorgaande niet anders.

33. Ten aanzien van auto 4 is door DRZ geconstateerd dat de auto niet voldoet aan de in hoofdstuk 5 en hoofdstuk 7 van de Regeling Voertuigen opgenomen voertuigeisen. DRZ noemt de aanwezigheid van scherpe delen en het gevaar van losraken van onderdelen als de bumper en spiegels. Daarbij vermeldt DRZ dat de voorbumper vastzit met ductape. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze constatering, die is onderbouwd met foto’s en strookt met de schadecalculatie die door de taxateur is opgesteld. Daarom wordt niet voldaan aan het in artikel 5.2.48. van de Regeling Voertuigen geformuleerde vereiste dat de auto geen scherpe delen mag hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren, het in artikel 7.1, vijfde lid van de Regeling Voertuigen geformuleerde vereiste dat aanwezige elektronische veiligheidssystemen goed moeten functioneren en het in artikel 7.1, negende lid van de Regeling Voertuigen geformuleerde vereiste dat het voertuig van deugdelijke bouw en inrichting moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van essentiële gebreken en mocht eiser bij het doen van aangifte geen gebruik maken van de taxatiemethode. Dat de auto wel door de RDW is goedgekeurd doet aan dit oordeel niet af.

34. Eiser heeft gesteld dat ook bij essentiële gebreken een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen. Hij verwijst naar hetgeen daarover is bepaald in het Kaderbesluit BPM 2021 en doet een beroep op het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt. Uit het standpunt van de kennisgroep volgt dat indien een aangifte Bpm, ingediend voor 26 maart 2021, nog niet onherroepelijk vaststaat ook een beroep kan worden gedaan op de inmiddels ingetrokken goedkeuring die was opgenomen in artikel 6.5 van voornoemd Besluit van de Staatssecretaris. Deze goedkeuring hield onder meer in dat bij motorrijtuigen met een essentieel gebrek niet zal worden teruggekomen op de door belastingplichtige gemaakte keuze voor de gehanteerde afschrijvingsmethodiek. Dat de goedkeuring niet van toepassing is op onderhavige gevallen is volgens eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel en artikel 110 van het VWEU.

35. Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Anders dan eiser bepleit is namelijk niet sprake van gelijke situaties. De handelswijze van verweerder waar eiser zich op beroept vond plaats ten tijde dat wetgeving gold die met ingang van 1 januari 2022 is gewijzigd. Auto’s die na die 1 januari 2022 zijn geïmporteerd bevinden zich dan ook in een rechtens andere situatie dan auto’s die voor die datum zijn geïmporteerd. Dat de datum eerste toelating van de auto’s is gelegen voor 1 januari 2022 doet daar niet aan af. Dat er gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn ter zake waarvan na 25 maart 2021 aangifte Bpm is gedaan en waarbij een beroep op de ingetrokken goedkeuring is gehonoreerd, is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Ook het beroep van eiser op artikel 110 van het VWEU slaagt niet. Dat voor 1 januari 2022 auto’s zijn geïmporteerd onder een gunstiger regime dan gold ter zake van daarna geïmporteerde auto’s houdt alleen een verschil in behandeling in tussen vergelijkbare geïmporteerde auto’s, maar niet een voor artikel 110 van het VWEU betekenend verschil tussen op de buitenlandse en de binnenlandse markt verworven gebruikte auto’s.

36. Nu aan de auto’s 2, 3 en 4 essentiële gebreken kleven kan de taxatiemethode voor deze voertuigen niet worden toegepast. De vraag of DRZ ten aanzien van auto 4 terecht geen waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen behoeft geen behandeling.


WLTP/NEDC2-methode auto 3 en auto 4

37. Eiser stelt dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van bpm. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 110 van het VWEU.

38. Eiser heeft in dit kader gewezen op onderzoek door JATO, Bovag, KPMG en onderzoek door het kantoor van de gemachtigde (de onderzoeken) waaruit volgens haar volgt dat de uitstoot volgens de WLTP/NEDC2-methode hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC1-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige gevallen teveel Bpm is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto’s. De rechtbank ziet op basis van voornoemde onderzoeken dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangiften is vermeld.

39. Hoewel de transitieregeling op zichzelf niet een op grond van artikel 110 van het VWEU verboden onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse personenauto’s, kan onder omstandigheden toch sprake zijn van een schending van die bepaling. Het kan immers zo zijn dat de CO2-uitstoot van een buitenlandse personenauto en een gelijksoortige binnenlandse personenauto die is geregistreerd in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 vanwege de restantvoorraadregeling volgens verschillende methoden wordt, respectievelijk is, vastgesteld en dat daardoor voor de buitenlandse personenauto een hoger bedrag aan bpm wordt geheven dan is geheven voor de binnenlandse personenauto.

40. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Personenauto’s gelden als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.

41. Eiser heeft aangevoerd dat er (technisch bezien) gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn die een lagere CO2-uitstoot hebben. Daartoe heeft gegevens overgelegd van auto 3 en vier andere Mercedes-Benz GLE’s en van auto 4 en een andere Mercedes-Benz C 400. De referentieauto’s beschikken blijkens deze gegevens over een lagere gemeten CO2-uitstoot. Volgens eiser wordt dit verschil enkel veroorzaakt door de WLTP/NEDC2-meetmethode.

42. Verweerder heeft weersproken dat sprake is van gelijksoortige auto’s. Daarbij heeft hij erop gewezen dat een aantal van de aangedragen referentievoertuigen een datum eerste toelating hebben die is gelegen vóór 1 september 2018, dat niet duidelijk is of de referentievoertuigen nieuw of gebruikt waren en zij op diverse technische punten zoals spoorbreedte en massa afwijken van auto’s 3 en 4.

43. Gelet op het voorgaande heeft eiser zijn stelling dat er gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn die op essentiële punten identiek zijn maar een lagere CO2-uitstoot hebben die enkel wordt veroorzaakt door een andere meetmethode, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

44. Eiser stelt voorts dat hij recht heeft op een teruggaaf van Bpm op grond van het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de Staatssecretaris van Financiën heeft gesteld dat de nieuwe meetmethode niet mag leiden tot een hogere belastingdruk. De uitlatingen van de Staatssecretaris waarop eiser zich beroept, heeft de Staatssecretaris echter gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever. Eiser kan aan die uitlatingen dan ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.

45. Voor zover eiser zich in meer algemene zin beroept op het rechtszekerheidsbeginsel kan dat beroep evenmin slagen. Belastingplichtigen kunnen in het algemeen in redelijkheid niet erop vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven. Er bestaat geen grond om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.

46. Eiser stelt subsidiair dat de CO2-uitstoot op basis van onderzoek door TNO dient te worden verminderd met 1 gram voor benzineauto’s en 7 gram voor dieselauto’s. Ook voor het onderzoek door TNO geldt dat een dergelijk algemeen onderzoek niet kan worden toegepast op de onderhavige auto’s. De rechtbank ziet dus ook in dat onderzoek geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot.

47. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de naheffingsaanslagen die zien op de auto’s 1 en 3 niet te hoog vastgesteld en bestaat geen aanleiding om de naheffingsaanslagen die zien op de naheffingsaanslagen 2 en 4 verder te verminderen dan tot de in overweging 23 genoemde bedragen.

48. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dienen de rentebeschikkingen die zijn gegeven bij de naheffingsaanslagen die zien op auto 2 en auto 4 te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslagen.


49. De rechtbank zal de beroepen SGR 23/7447 en SGR 23/7449 ongegrond en de beroepen SGR 23/7448 en SGR 23/7450 gegrond verklaren.

50. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar toekomt aan de bezwaarfase en anderhalf jaar aan de beroepsfase. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

51. De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen in dit verband aan als samenhangende zaken nu zij gezamenlijk behandeld zijn en in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Verweerder heeft het eerste bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslagen ontvangen op 14 april 2023 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De rechtbank doet op 25 februari 2026 uitspraak, waarmee twee jaar en (ruim) tien maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met 10 maanden. Eiser heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 (2 maal € 500). De termijnoverschrijding dient geheel aan de beroepsfase te worden toegerekend.



Proceskosten

52. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, wegingsfactor 1 en factor 1 omdat sprake is van minder dan vier gegronde beroepen).


Beslissing

De rechtbank
- verklaart de beroepen SGR 23/7447 en SGR 23/7449 ongegrond;
- verklaart de beroepen SGR 23/7448 en SGR 23/7450 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de auto’s 2 en 4;
- vermindert de naheffingsaanslag die ziet op auto 2 tot € 5.984 en vermindert de bij die naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de naheffingsaanslag die ziet op auto 4 tot € 6.362 en vermindert de bij die naheffingsaanslag in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).


Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.


Staatscourant 2021, nummer 43482.


Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5


Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.8.5.


Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2 en r.o. 7.


Vgl. Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000, r.o. 3.3.


Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3.


Vgl. HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700, r.o. 2.2.2.


Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7294, r.o. 3.6.
Link naar deze uitspraak