|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2026:1590 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-06-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | BK-24/653 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Invorderingskosten. Invorderingsambtenaar deelt mee dat belanghebbende niet verder wordt bemoeilijkt maar laat wel verrekeningsmogelijkheid gedurende drie jaar in stand. Belang bij procedure in beroep en bij het hoger beroep. Inmiddels is de termijn van drie jaar voor verrekening verstreken. Verzoek om immateriële schadevergoeding wegens lange duur van de procedure toegewezen. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/653
Uitspraak van 7 mei 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
en
de invorderingsambtenaar van Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling, de Invorderingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 10 mei 2024, nummer ROT 22/2773.
Procesverloop
1.1.
De Invorderingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanmaning tot betaling gezonden van de aan belanghebbende opgelegde aanslag lokale heffingen 2021 van de [gemeente] en heeft daarbij € 8 aanmaningskosten in rekening gebracht. Vervolgens is aan belanghebbende toen betaling uitbleef ter zake van dezelfde aanslag een dwangbevel tot betaling betekend, waarvoor € 57 kosten betekening dwangbevel in rekening zijn gebracht (invorderingskosten).
1.2.
De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de invorderingskosten ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Er is € 138 griffierecht geheven. De Invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 9 mei 2025 een verzoek om uitstel van de zitting van 20 mei 2025 gedaan, welk verzoek het Hof bij bericht van 12 mei 2025 heeft afgewezen. Belanghebbende heeft vervolgens een verzoek om wraking ingediend, dat door de kamer voor wrakings- en verschoningsverzoeken van het Hof (de wrakingskamer) bij uitspraak van 26 juni 2025, nr. 200.354.766/01, is afgewezen.
1.5.
Belanghebbende heeft na vervolgens te zijn uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 14 oktober 2025, op 1 oktober 2025 een verzoek om uitstel ingediend, welk verzoek het Hof op 2 oktober 2025 heeft afgewezen. Belanghebbende heeft daarop een verzoek om wraking ingediend, dat door de wrakingskamer bij uitspraak van 27 oktober 2025, nr. 200.360.262/01, is afgewezen. De wrakingskamer heeft daarbij bepaald dat volgende verzoeken tot wraking in de hoofdzaak niet in behandeling zullen worden genomen
1.6.
Belanghebbende is daarna uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van 27 november 2025. Het Hof heeft na bestudering van het dossier besloten tegemoet te komen aan het verzoek van belanghebbende om de behandeling van de zaak aan te houden tot de Hoge Raad arrest heeft gewezen in het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de beslissing van de wrakingskamer van dit Hof van 28 februari 2024, ECLI:NL:2024:2905. Aan belanghebbende, die voor de mondelinge behandeling naar het Hof was gekomen, heeft de voorzitter meegedeeld dat de zitting geen doorgang vond. Bij bericht van 27 november 2025 heeft het Hof dit schriftelijk aan belanghebbende meegedeeld.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 16 april 2026. Belanghebbende is verschenen. Van de zijde van de Invorderingsambtenaar is niemand verschenen. De Invorderingsambtenaar heeft op 27 maart 2026 het Hof bericht dat hij niets heeft toe te voegen aan zijn verweerschrift en daarom op de zitting niet aanwezig zal zijn. Belanghebbende heeft met dagtekening 13 april 2026 een nader stuk ingediend. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Vaststaande feiten
2.1.
Aan belanghebbende is op 26 februari 2021 de aanslag lokale belastingen 2021 opgelegd. Op 21 januari 2022 is aan belanghebbende een aanmaning tot betaling van deze aanslag verzonden. Op 18 februari 2022 is aan hem het dwangbevel tot betaling betekend waarbij aan belanghebbende de invorderingskosten in rekening zijn gebracht.
2.2.
Belanghebbende heeft bij brief van 31 maart 2022 pro forma bezwaar gemaakt tegen invorderingskosten. Bij brief van 25 april 2022 is het bezwaar nader gemotiveerd. Op 3 mei 2022 is uitspraak gedaan op het bezwaar. Het pro forma beroepschrift is met dagtekening 13 juni 2022 verzonden en op 14 juni 2022 bij de Rechtbank ingekomen. Bij brief van 13 juli 2022 is het beroep nader gemotiveerd.
2.3.
Bij brief van 5 januari 2023 heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbende bericht:
“Bevoegdheden
In al uw (pro forma) bezwaren, (pro forma) administratief beroepschriften en klachten komt u terug op of verwijst u naar de naar uw mening onterechte bevoegdheden en het handelen van diverse medewerkers die voor of namens SVHW werken. Wij hebben u al meerdere malen uitgelegd dat alle bevoegdheden bij SVHW correct zijn geregeld.
In april 2022 hebben wij u een brief gestuurd waarin wij u hebben laten weten niet meer in te gaan op deze (afgehandelde) zaken. Sindsdien stuurt u ons nog steeds allerlei correspondentie waarin u zaken aankaart die al afgehandeld zijn.
U blijft bezwaren, administratief beroepen en klachten indienen omdat u nog steeds van mening bent dat bepaalde bevoegdheden niet correct zijn geregeld. U dient geen bezwaar of administratief beroep in omdat u het inhoudelijk niet eens bent met bijvoorbeeld een uitspraak op een kwijtscheldingsverzoek, een gestuurde aanmaning of een dwangbevel.
Beantwoording van uw brieven
De afhandeling van uw brieven neemt onevenredig veel tijd in beslag. De kosten die daarmee gepaard gaan lopen daardoor ook onevenredig op. Wij stoppen daarom nu met het beantwoorden van uw brieven. Dit geldt óók voor eventuele toekomstige brieven.
Niet verder bemoeilijken
Ik heb besloten om u voor de nu nog openstaande aanslagen voorshands niet verder te bemoeilijken, ondanks dat er geen aanleiding bestaat om van verdere invordering af te zien.
Wij nemen daarom geen verdere invorderingsmaatregelen voor de hieronder genoemde aanslagen. Ik wil daarbij benadrukken dat dit niet betekent dat u in het gelijk gesteld bent. Wij doen dit omdat de kosten onevenredig oplopen.
Overzicht openstaande aanslagen
Jaar
Soort
Aanslagnr
Bedrag
Kosten
Betaald/Verminderd
Kwijtschelding
Nog verschuldigd
2021
Lokale belastingen
[…]
191,72
65,00
0,00
256,72
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
Wat betekent dat voor u?
Dat betekent dat u de bovenstaande aanslagen niet hoeft te betalen. Als wij in de toekomst echter bedragen aan u terug moeten betalen, verrekenen wij deze eerst met de aanslagen die wij nu buiten de invordering laten. Dit doen wij tot maximaal driejaar na de dagtekening van deze brief, of, als dit eerder is, voordat een van de aanslagen is verjaard.
(…)”
2.4.
Belanghebbende heeft op 5 juli 2023 kort voor de zitting bij de Rechtbank van 6 juli 2023 aanvullende gronden aan de Rechtbank gezonden. Belanghebbende heeft de behandelend rechter ter zitting gewraakt. De wrakingskamer van de Rechtbank heeft bij uitspraak van 21 september 2023, nummer C/10/661784/HA RK 23-690, het verzoek tot wraking ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de wrakingskamer hoger beroep ingesteld en verzocht om doorbreking van het appelverbod. De wrakingskamer van het Hof heeft bij uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:2024:2905 het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:236 het beroep in cassatie ongegrond verklaard.
2.5.
Belanghebbende heeft de rechter bij de Rechtbank nogmaals gewraakt bij brief van 7 februari 2024, binnengekomen op 8 februari 2024. Voordat de behandelend rechter op de hoogte was gebracht van het tegen hem ingediende nieuwe wrakingsverzoek is op 8 februari 2024 de zaak op zitting behandeld. Belanghebbende is daar niet verschenen. De meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank heeft het verzoek tot wraking van 7 februari 2024 op 30 april 2024 afgewezen. De Rechtbank heeft op 10 mei 2024 uitspraak gedaan.
Oordeel van de rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Invorderingsambtenaar als verweerder:
“Is eiser ontvankelijk in beroep?
5. In zijn brief van 5 januari 2023 en op de zitting van 6 juli 2023 heeft verweerder eiser in het gelijk gesteld en zich bereid verklaard het door eiser betaalde griffierecht te voldoen. Uit de daarbij door verweerder gebezigde bewoordingen maakt de rechtbank op, dat verweerder ook bereid is om de door eiser ter zitting opgegeven en met documenten gestaafde reiskosten à € 19,80 te vergoeden.
5.1.
Eiser vindt dat hij recht heeft op een uitspraak van de rechtbank over zijn inhoudelijke argumenten, met name de argumenten die hij baseert op de artikelen 8 en 13 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
5.2
De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of iemand procesbelang heeft. Wie geen belang meer heeft bij een zaak, is niet langer belanghebbende. De rechtbank wordt geacht niet inhoudelijk op de zaak in te gaan, wanneer dat belang ontbreekt of in de loop van de zaak is weggevallen. Op grond van vaste rechtspraak ontbreekt procesbelang als het gebruiken van een rechtsmiddel een partij niet in een gunstiger positie (meer) kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen.[1] Dit betekent dat een gegrondverklaring van het beroep niet tot een voor eiser gunstiger resultaat kan leiden. De enkele bespreking van argumenten van een partij in een uitspraak geldt niet als “gunstiger resultaat”. Nu de rechtbank niet van enig belang is gebleken, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. De beroepsgronden blijven in deze uitspraak daarom verder onbesproken.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is niet-ontvankelijk. Zoals onder 5 overwogen, vergoedt verweerder het door eiser betaalde griffierecht en de reiskosten ter hoogte van € 19,80. Overigens bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.
(…)
[1] HR 11 april 2014, ECLl:NL:HR:2014:878, r.ov. 3.4.2.”
Omschrijving geschil en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende belang heeft bij zijn hoger beroep en of hij recht heeft op een (immateriële) schadevergoeding. Belanghebbende beantwoordt die vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, zo begrijpt het Hof, primair tot terugwijzing naar de Rechtbank en subsidiair tot afdoening door het Hof met toekenning van een (immateriële) schadevergoeding en vergoeding van de bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierechten en voor het beroep en hoger beroep gemaakte reiskosten.
4.3.
De Invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Heeft belanghebbende belang bij een oordeel over de invorderingskosten?
5.1.
De Invorderingsambtenaar heeft in zijn brief van 5 januari 2023 belanghebbende laten weten dat hij voor wat betreft de invordering van de aanslag lokale heffingen 2021 niet wordt bemoeilijkt. Dat betekent dat de aanslag niet wordt ingevorderd en ook dat de invorderingskosten niet meer hoeven te worden betaald.
5.2.
De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het belang aan de beroepsprocedure die belanghebbende bij de Rechtbank had ingesteld tegen de invorderingskosten van de aanslag lokale heffingen 2021 is komen te ontvallen. Dit oordeel is niet juist gelet op het feit dat uit de brief van 5 januari 2023 blijkt dat ten tijde dat het beroep aanhangig was en ook ten tijde dat belanghebbende hoger beroep instelde een verrekeningsmogelijkheid bestond van de aanslag en de invorderingskosten met eventuele belastingteruggaven. Dat brengt mee dat de Rechtbank belanghebbende niet niet-ontvankelijk had mogen verklaren.
5.3.
Blijkens de brief van de Invorderingsambtenaar was die mogelijkheid tot verrekening beperkt tot drie jaar na dagtekening van de brief van 5 januari 2026 en verliep derhalve op 5 januari 2026. Deze termijn is ten tijde van het doen van de uitspraak in deze hogerberoepsprocedure verstreken. Belanghebbende heeft derhalve thans geen belang meer bij een uitspraak inzake het bestreden besluit, dat de invorderingskosten betreft.
Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb?
5.4.
Belanghebbende heeft kort voor de zitting van 6 juli 2023 bij de Rechtbank een stuk ingediend waarin hij een beroep heeft gedaan op de artikelen 8 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Rechtbank heeft dat stuk buiten behandeling gelaten. Belanghebbende komt daartegen op in hoger beroep. Belanghebbende voert aan dat de Invorderingsambtenaar een inbreuk maakt op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van belanghebbende door voor elk van de belastingjaren 2015, 2016, 2017, 2019 en 2021 eerst na (bezwaar)procedures belanghebbende de aanslagen kwijt te schelden of deze in ieder geval niet meer bij belanghebbende in te vorderen waardoor belanghebbende geen belasting en invorderingskosten meer hoeft te betalen. Belanghebbende stelt dat hij door de handelswijze van de Invorderiningsambtenaar schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.5.
Zoals de Invorderingsambtenaar ter zitting voor de Rechtbank heeft aangevoerd is de reden van het niet invorderen van de aanslag lokale heffingen 2021 en de onderhavige invorderingskosten echter gegrond op het feit dat de behandeling van de brieven van belanghebbende onevenredig veel tijd in beslag neemt en de kosten die daarmee gepaard gaan daardoor onevenredig oplopen en is dit niet gegrond op gronden van inhoudelijke aard, bijvoorbeeld dat ten onrechte aanslagen zijn opgelegd, ten onrechte geen kwijtschelding is verleend of ten onrechte zou zijn ingevorderd. Er is dus geen sprake geweest van een onrechtmatig genomen besluit. Reeds daarom heeft belanghebbende geen recht op schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb en is er geen reden tot terugwijzing naar de Rechtbank voor behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Voor zover belanghebbende zijn verzoek doet gronden op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geldt dat de belastingrechter niet bevoegd is hierover te oordelen.
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
5.6
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van zijn zaak. Het bezwaarschrift is ontvangen op 31 maart 2022, de Invorderingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 3 mei 2022 en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 10 mei 2024. De redelijke termijn in bezwaar en beroep die in beginsel is gesteld op twee jaar is met afgerond twee maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de Rechtbank toerekenbaar. De redelijke termijn is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak door de Rechtbank. De Rechtbank had ambtshalve moeten oordelen dat belanghebbende recht had op vergoeding van immateriële schade (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2). Het Hof zal belanghebbende voor de overschrijding € 500 schadevergoeding toekennen, te betalen door de Staat, de Minister van Justitie en Veiligheid.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep is voor wat betreft het verzoek om immateriële schadevergoeding gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Staat te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, overeenkomstig het verzoek van belanghebbende vast op € 40,80 aan reiskosten, Deze kosten bestaan uit het bedrag aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de Rechtbank (€ 19.80) en van de zitting van het Hof van 16 april 2026 (een retourticket [woonplaats] -Den Haag Centraal à € 11). In de omstandigheid dat de zitting van 27 november 2025 van het Hof is uitgesteld en het bericht daarvan belanghebbende niet tijdig heeft bereikt ziet het Hof aanleiding om, voor zover nodig met toepassing van artikel 2, lid 3, Bpb, ook voor de reiskosten die belanghebbende voor die uitgestelde zitting heeft moeten maken een vergoeding toe te kennen (een retourticket [woonplaats] Den Haag Centraal à € 10).
6.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 50, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 138 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
- bevestigt de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid (de Staat) tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 40,80;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding aan belanghebbende van de voor het beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 188, en
- wijst het verzoek om overige schadevergoeding af.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, H.A.J. Kroon en R.A. Bosman in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.
De griffier, de voorzitter,
Y. Postema M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 7 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag
. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|