|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:5060 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | AWB - 24 _ 5678 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | In geschil is of het perceel onder de cultuurgrondvrijstelling valt. Belanghebbende stelt dat de grond feitelijk en bedrijfsmatig voor landbouw wordt gebruikt. Verweerder betwist dit, onder meer vanwege de korte pachtperiode. De rechtbank oordeelt dat uit verklaringen, de pachtovereenkomst en luchtfoto’s blijkt dat de grond wordt gebruikt voor teelt van gewassen. Daarom is sprake van cultuurgrond. De vrijstelling moet worden toegepast, de WOZ-waarden worden op nihil gesteld en de beroepen zijn gegrond. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | gewassen | | | glasopstanden | | | landbouw | | | landbouwgrond | | | ozb | | | perceel | | | suikerbieten | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/5678 en HAA 24/6997
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
HAA 24/5678
Bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) met dagtekening 31 mei 2023 heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2023 (waardepeildatum 1 januari 2022) vastgesteld op € 2.117.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) 2023 bekendgemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 januari 2024 de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
HAA 24/6997
Bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet WOZ met dagtekening 23 februari 2024 heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2024 (waardepeildatum 1 januari 2023) vastgesteld op € 2.117.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag OZB 2024 bekendgemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2024 de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Gezamenlijk
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026 te Alkmaar.
Namens belanghebbende is verschenen haar bestuurder [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een perceel van 12.830 m2 (kadasternummer P [# 1] ) en een perceel van 25.392 m2 (kadasternummer P [# 2] ). Belanghebbende heeft de percelen in december 2022 aangekocht voor € 2.117.500.
Geschil
2. In geschil is of de onroerende zaak valt onder de cultuurgrondvrijstelling.
3. Belanghebbende stelt dat de onroerende zaak bedrijfsmatig geëxploiteerde landbouwgrond (cultuurgrond) is en daarom is vrijgesteld van OZB. Volgens belanghebbende wordt de grond feitelijk agrarisch gebruikt en is dat ook op beide waardepeildata het geval, zodat de waarde van het perceel buiten de heffingsmaatstaf moet blijven. Dat de grond is gekocht met het oog op mogelijke toekomstige woningbouw en dat de pachtovereenkomst pas op 1 mei 2023 is ingegaan, doet volgens belanghebbende niet af aan het feitelijke agrarische gebruik.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en verlaging van de aanslagen tot nihil.
4. Verweerder stelt dat de cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing is. Volgens verweerder blijkt uit de door belanghebbende overgelegde pachtovereenkomst dat deze pas op 1 mei 2023 is ingegaan en loopt tot 30 september 2023, terwijl de situatie op de waardepeildata 1 januari 2023 en 1 januari 2024 bepalend is. Daarnaast heeft belanghebbende volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie van de grond. Daarom is de waarde volgens verweerder juist vastgesteld en zijn de aanslagen OZB niet te hoog. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Beoordeling van het geschil
5. Op grond van artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ, in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, wordt bij de bepaling van de WOZ-waarde de waarde van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond buiten beschouwing gelaten.
6. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de (via internet beschikbare) Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2023 respectievelijk 2024 van de gemeente [gemeente] (hierna: de Verordening OZB), wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de WOZ-waarde, de waarde van voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, waaronder mede begrepen de open grond alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig wordt aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken.
7. De bewijslast dat sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van de cultuurgrond ligt bij belanghebbende. Daarvoor is nodig dat belanghebbende door te stellen en, tegenover de betwisting door verweerder, aannemelijk te maken dat de percelen op de waardepeildata ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerd werden. Dit bewijs heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geleverd.
8. Uit de stukken en de verklaringen ter zitting leidt de rechtbank af dat de onderhavige percelen in de relevante jaren feitelijk zijn gebruikt ten behoeve van landbouw. Daarbij acht de rechtbank van belang dat belanghebbende heeft verklaard dat de percelen altijd bedrijfsmatig zijn aangewend voor agrarische doeleinden en ook na de aankoop op de percelen steeds gewassen zijn geteeld, namelijk zonnebloemen, suikerbieten en maïs, en dat deze teelt telkens door dezelfde teler in de uitoefening van zijn bedrijf heeft plaatsgevonden. De verklaring van belanghebbende wordt ondersteund door de tot de gedingstukken behorende pachtovereenkomst voor de periode 1 mei tot en met 30 september 2023 die belanghebbende via een tussenpersoon heeft gesloten met [kwekerij] B.V. Naar de rechtbank begrijpt uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, is ook in de jaren 2024 en 2025 een dergelijke pachtovereenkomst gesloten met dezelfde teler. Dat de pachtovereenkomsten telkens een beperkte looptijd hadden staat er niet aan in de weg om te oordelen dat de percelen ook in de tussentijd - dus ook op de waardepeildata - in gebruik waren als landbouwgrond. De rechtbank begrijpt uit de door belanghebbende ter zitting gegeven uitleg dat de overeengekomen periode van pacht samenhangt met de feitelijke teeltcyclus, waarin wordt gezaaid, gewassen groeien en uiteindelijk worden geoogst. Naar het oordeel van de rechtbank brengt deze beperkte contractuele looptijd niet mee dat de grond buiten die periode een andere aanwending had of beschikbaar was voor andere doeleinden. Aannemelijk is voorts dat ook buiten de overeengekomen pachtperiode activiteiten hebben plaatsgevonden die samenhingen met de landbouwexploitatie, zoals het geschikt maken en beschikbaar houden van de grond voor landbouwexploitatie. In dit verband heeft belanghebbende bijvoorbeeld naar voren gebracht dat de genoemde teler buiten de pachtperiodes onder andere de sloten op en rondom de percelen heeft onderhouden. De verklaringen van belanghebbende worden ook ondersteund door de luchtfoto’s van de percelen van 22 maart en 1 juni 2022, 3 juni 2023, 22 juli 2024 en 8 april 2025. Zoals ter zitting besproken, is op de luchtfoto’s te zien dat in de jaren 2022-2025 gewassen groeiden op de percelen, dat de grond was bewerkt ten behoeve van landbouw en dat geen sprake was van grasland. Daarbij wijst de rechtbank op de waarneembare bewerkingssporen op de percelen, zoals stroken en lijnen, die duiden op het gebruik van landbouwmachines en daarmee op agrarische activiteiten.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie van de percelen als landbouwgrond. Verweerder heeft ten onrechte de cultuurgrondvrijstelling niet toegepast. De WOZ-waarden van de onroerende zaak voor de jaren 2023 en 2024 moeten derhalve worden vastgesteld op nihil met dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen OZB.
10. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel dient het griffierecht te worden vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
vermindert de vastgestelde WOZ-waarden tot nihil;
vermindert de aanslagen OZB tot nihil;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 voor het jaar 2023 aan belanghebbende te vergoeden;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 voor het jaar 2024 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Brons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|