|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:3184 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | 12220969 CV EXPL 26-137 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Gedaagde huurt in Enschede een woning van Domijn. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Domijn voldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde zich niet als een goed huurder heeft gedragen en dat gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. De kantonrechter wijst de gevorderde ontruiming toe, maar zij bepaalt dat gedaagde langer de tijd krijgt om de woning te ontruimen. De kantonrechter wijst het door Domijn gevorderde contactverbod grotendeels toe. Het gevorderde gebiedsverbod wijst de kantonrechter af. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | eieren | | | huurovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12220969 \ CV EXPL 26-1374
Vonnis in kort geding van 5 juni 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING DOMIJN,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: Domijn,
gemachtigde: mr. W.B. te Woerd,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1.
[gedaagde] huurt in Enschede een woning van Domijn. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Domijn voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen en dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. De kantonrechter wijst de gevorderde ontruiming toe, maar zij bepaalt dat [gedaagde] langer de tijd krijgt om de woning te ontruimen. De kantonrechter wijst het door Domijn gevorderde contactverbod grotendeels toe. Het gevorderde gebiedsverbod wijst de kantonrechter af.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 mei 2026 met producties 1 – 22;
- het bericht van 18 mei 2026 aan de zijde van Domijn, waarmee zij de producties 23 en 24 in het geding brengt;
- de e-mail van [gedaagde] aan deze rechtbank van 18 mei 2026;- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarbij partijen zijn verschenen en Domijn is bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht mede aan de hand van spreekaantekeningen. Domijn heeft de originele betekende dagvaarding met producties ter zitting overgelegd. Deze is aan het procesdossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
Domijn (een toegelaten instelling in de zin van artikel 19 Woningwet) en [gedaagde] hebben met ingang van 6 oktober 2017 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten voor een woning in Enschede. De woning maakt deel uit van een complex. De Algemene Huurvoorwaarden Zelfstandige Woonruimte van Domijn zijn op de huurovereenkomst van toepassing. In artikel 8 van de Algemene Huurvoorwaarden is bepaald:
‘1. Huurder zal het gehuurde gebruiken zoals het een goed huurder betaamt. […]
[…]
6. Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, […].’
3.2.
Na aanvang van de huurovereenkomst heeft Domijn meerdere meldingen ontvangen van en over [gedaagde]. De meldingen zijn ook opgenomen in het leefbaarheidsdossier. Domijn heeft [gedaagde] door de jaren heen meerdere keren aangesproken op zijn gedrag jegens omwonenden en medewerkers van Domijn.
3.3.
Op 28 oktober 2025 heeft een incident plaatsgevonden tussen [gedaagde] en de heer [naam 6], een hulpverlener van een aantal huurders in het complex. [gedaagde] heeft de heer [naam 6] onder meer in het gezicht geslagen.
3.4.
Domijn heeft aan [gedaagde] aangeboden om op 18 december 2025 in gesprek te gaan over de door Domijn ontvangen meldingen. [gedaagde] is niet bij dit gesprek aanwezig geweest.
3.5.
Domijn heeft op 14 januari 2026 een melding ontvangen dat [gedaagde] zijn buurman, de heer [naam 1], en diens huisgenoot zou bedreigen en dat [gedaagde] met zijn vuisten op de ramen van de woning van de heer [naam 1] heeft geslagen.
3.6.
Domijn heeft op 13 maart 2026 met [gedaagde] gesproken over de meldingen over omwonenden die zij van [gedaagde] heeft ontvangen en de meldingen over [gedaagde] die Domijn van omwonenden heeft ontvangen.
3.7.
Op 16 maart 2026 heeft Domijn een melding ontvangen van een omwonende. In het leefbaarheidsdossier is hierover opgenomen dat deze omwonende op 14 maart 2026 in de gang van de portiek van het complex is geïntimideerd door [gedaagde] en dat [gedaagde] agressief gedrag jegens de omwonende heeft vertoond, doordat [gedaagde] onder meer met zijn schouder tegen de omwonende duwde.
3.8.
Domijn heeft op 24 maart 2026 een melding ontvangen over een incident tussen [gedaagde] en de heer [naam 1]. De heer [naam 1] heeft van dit incident bij de politie aangifte gedaan.
3.9.
De heer [naam 2], een omwonende die schuin onder [gedaagde] woont, heeft op 3 april 2026 bij Domijn een melding ingediend. In het leefbaarheidsdossier staat dat [gedaagde] bij de heer [naam 2] aan de deur is geweest en dat hij tegen hem heeft gezegd dat hij zijn ramen wil ingooien.
3.10.
[gedaagde] is op 13 april 2026 bij het kantoor van Domijn geweest. Een front officemedewerker van Domijn heeft [gedaagde] daar te woord gestaan. [gedaagde] is daarna weer naar zijn woning gegaan en heeft in het complex twee medewerkers van Domijn getroffen, [naam 3] (hierna: [naam 3]) en [naam 4] (hierna: [naam 4]). [naam 3] heeft aangifte gedaan van mishandeling. In het proces-verbaal staat onder meer:
(...)
Vervolgens begon de heer [gedaagde] tegen ons te schreeuwen en zei: “Nu mee, stelletje idioten. Jullie lopen nu mee, jullie gaan nu ruiken!”. Ik zei tegen de heer [gedaagde] dat wij dit gedrag niet accepteerden en dat wij daarom niet meeliepen.
Hierop kwam de heer [gedaagde] agressief dichtbij. Vervolgens voelde ik dat hij mij twee keer tegen mijn schouder duwde. Hij zei vervolgens: “Kom maar naar buiten”. (...)
Vervolgens hoorde ik dat de heer [gedaagde] schreeuwde: “Jullie kunnen hier niet meer veilig werken”. (...)
Vervolgens zag mijn collega dat de heer [gedaagde] tegen het achterwiel van mijn fiets reed. Ik kwam hierdoor ten val. (...)
De schriftelijke verklaring van [naam 4] ondersteunt deze gang van zaken.
3.11.
Domijn heeft op 24 april en 4 mei 2026 aan [gedaagde] een brief gestuurd, waarin staat dat zij [gedaagde] de mogelijkheid biedt de huurovereenkomst uit eigen beweging op te zeggen. [gedaagde] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en hij woont tot op heden in de woning.
4Het geschil
4.1.
Domijn vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van de woning aan [adres 2] onmiddellijk na betekening van dit vonnis dan wel binnen drie dagen na dit vonnis.
Verder vordert Domijn dat [gedaagde] wordt verboden om zich op te houden in een gebied met een straal van 1 kilometer rond het kantoor van Domijn gelegen aan de [adres 1], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] het gebiedsverbod overtreedt, met een maximum van € 15.000,00. Daarnaast vordert Domijn dat [gedaagde] wordt verboden contact te zoeken met medewerkers van Domijn en in het bijzonder de heer [naam 3], de heer [naam 4] en de heer [naam 5], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per gebeurtenis waarbij [gedaagde] het contactverbod overtreedt, met een maximum van € 15.000,00.
Tot slot vordert Domijn dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) als [gedaagde] deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft betaald.
4.2.
Volgens Domijn is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst (artikel 6:265 lid 1 BW). Ontruiming van de woning is gerechtvaardigd, omdat [gedaagde] zich niet als een goed huurder in de zin van artikel 7:213 BW en artikel 8 lid 1 en 6 van de Algemene Huurvoorwaarden heeft gedragen. Volgens Domijn gedraagt [gedaagde] zich richting medewerkers en huurders van Domijn agressief en heeft hij hen geïntimideerd, beledigd, bedreigd en mishandeld. Domijn stelt dat onder meer de volgende incidenten hebben plaatsgevonden, met [gedaagde] als veroorzaker:
28 oktober 2025: [gedaagde] heeft de heer [naam 6] geïntimideerd en mishandeld door de heer [naam 6] meerdere keren in het gezicht te slaan, waarbij de heer [naam 6] letsel heeft opgelopen;
14 januari 2026: [gedaagde] heeft de heer [naam 1] geïntimideerd en hij heeft vervolgens eieren op het raam van de woning van de heer [naam 1] gegooid;
16 maart 2026: [gedaagde] heeft een complexbewoner bedreigd, geïntimideerd en mishandeld. [gedaagde] heeft deze bewoner geduwd en uitgescholden;
24 maart 2026: [gedaagde] heeft de heer [naam 1] bedreigd en vervolgens mishandeld. [gedaagde] heeft hem op zijn linkeroog geslagen. De heer [naam 1] heeft daarbij letsel opgelopen en moest uit veiligheidsoverwegingen noodgedwongen zijn woning (tijdelijk) verlaten;
1 april 2026: [gedaagde] heeft tegen de heer [naam 2] gezegd dat hij zijn ramen in zou gooien;
13 april 2026: [gedaagde] heeft twee medewerkers van Domijn, de heer [naam 3] en de heer [naam 4], uitgescholden, bedreigd, geïntimideerd en mishandeld. [gedaagde] heeft doelbewust een van beide medewerkers aangereden met letsel bij deze medewerker tot gevolg. Bovendien heeft [gedaagde] tegen hen gezegd dat zij ‘hier niet meer veilig [kunnen] werken’. Tenslotte heeft [gedaagde] telefonisch contact proberen te zoeken met de aangereden medewerker van Domijn. Domijn heeft van het incident bij de politie aangifte gedaan.
Ter onderbouwing van haar stelling heeft Domijn onder meer (onderdelen van) het leefbaarheidsdossier van [gedaagde], verklaringen en processen-verbaal van aangifte van de bij de incidenten betrokken medewerkers en complexbewoners, en foto’s en videobeelden overgelegd.
4.3.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van Domijn.
5De beoordeling
Domijn heeft een spoedeisend belang
5.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van Domijn.
Toetsingskader ontruiming
5.2.
Domijn vraagt in dit kort geding aan de kantonrechter om een beslissing te nemen over de gevraagde ontruiming. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming is in een kortgedingprocedure geen plaats voor een – diepgaand – onderzoek naar de bestreden feiten en omstandigheden. Een vordering tot ontruiming in kort geding kan alleen worden toegewezen als het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en de ontruiming zal worden toegewezen, terwijl verder sprake moet zijn van een zodanige ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
[gedaagde] heeft zich niet als een goed huurder gedragen
5.3.
De kantonrechter stelt voorop dat een huurder zich als een goed huurder dient te gedragen (artikel 7:213 BW). Dit houdt – onder meer – in dat een huurder niet alleen zorgvuldig moet omgaan met de woning, maar ook met de omgeving van de woning. Dat laatste betekent meer concreet dat een huurder rekening moet houden met zijn buren en geen overlast mag veroorzaken of zich onrechtmatig mag gedragen. Die verplichtingen staan ook in de huurovereenkomst en de Algemene Huurvoorwaarden. Domijn moet erop kunnen rekenen dat huurders haar personeel geen geweld aandoen en niet bedreigen. Zonder voldoende veiligheid voor haar medewerkers kan Domijn haar werk niet doen en dit raakt niet alleen de interne organisatie van Domijn, maar ook haar dienstverlening aan (andere) huurders.
5.4.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Domijn voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen (waarmee hij tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst).
Domijn heeft de hiervoor onder 4.2 weergegeven incidenten deugdelijk onderbouwd en [gedaagde] heeft deze, met uitzondering van het aanrijden van een van de medewerkers van Domijn, onvoldoende gemotiveerd betwist. (Zelfs) als niet zou komen vast te staan dat [gedaagde] [naam 3] heeft aangereden, doet dit niet af aan (de ernst van) het daaraan voorafgegane gedrag van [gedaagde] jegens [naam 3] en [naam 4].
De tekortkoming rechtvaardigt de ontruiming van de woning
5.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter maken de aard en ernst van de [gedaagde] verweten gedragingen dat het zeer waarschijnlijk is dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure wordt ontbonden. Hoewel [gedaagde] ontegenzeggelijk belang heeft bij het behoud van zijn woning, is dat tegenover het zwaarwegende belang bij Domijn bij ontruiming onvoldoende om de vordering niet toe te wijzen. Domijn is als toegelaten instelling immers verplicht bij te dragen aan de leefbaarheid en veiligheid van (de omgeving van) haar woongelegenheden en dient als werkgever te waken voor de veiligheid van haar werknemers. Daarbij heeft de kantonrechter meegewogen dat ondanks diverse pogingen (door de jaren heen) van Domijn om met [gedaagde] in gesprek te gaan over de impact van zijn gedrag jegens zowel omwonenden als haar medewerkers, geen effect hebben gehad; de situatie is zelfs verslechterd. Dat volgens [gedaagde] Domijn niets met zijn klachten over (onder meer) stankoverlast doet – hetgeen Domijn overigens ontkent – kan niet als rechtvaardiging voor zijn gedrag dienen.
5.6.
De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen, waarbij de ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen.
Het contact- en gebiedsverbod
5.7.
De kantonrechter stelt voorop dat zowel een contact- als een gebiedsverbod, zoals Domijn vordert, een ingrijpende maatregel is die een ernstige inbreuk vormt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen in beginsel heeft zich vrij te verplaatsen, te gedragen en te communiceren. Een contact- en gebiedsverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. De kantonrechter moet alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dat verbod, zoals gevorderd, kan worden gerechtvaardigd. Het is daarbij aan Domijn om haar belang bij het gevorderde contact- en gebiedsverbod aannemelijk te maken.
5.8.
Voor de vaststelling dat [gedaagde] zich richting de heer [naam 3] en de heer [naam 4] dermate ernstig heeft misdragen dat een contactverbod als gevorderd gerechtvaardigd zou zijn, heeft de kantonrechter voldoende aanknopingspunten. Domijn heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] tegen deze medewerkers heeft gezegd dat zij ‘hier niet meer veilig [kunnen] werken’. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom toewijzen en zij zal daarbij bepalen dat [gedaagde] een (gematigde) dwangsom moet betalen als [gedaagde] dit contactverbod overtreedt.
Hoewel voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] zich schriftelijk op ongepaste wijze uitlaat tegen andere medewerkers van Domijn, vormt dat (vooralsnog) geen aanleiding voor het opleggen van een verder strekkend contactverbod. Dit geldt ook voor het gevorderde gebiedsverbod.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
5.9.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Domijn worden begroot op:
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.148,00
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Domijn zijn, en de sleutels af te geven aan Domijn;
6.2.
verbiedt [gedaagde] om contact te zoeken met de heer [naam 3] en de heer [naam 4] voor de duur van twee jaar, vanaf de datum van dit vonnis;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Domijn een dwangsom te betalen van € 250,00 per gebeurtenis dat hij niet aan de in dictumonderdeel 6.2 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.148,00, te betalen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening;
6.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|