Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:16167 
 
Datum uitspraak:12-05-2026
Datum gepubliceerd:15-06-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.34383 T
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Tussenuitspraak, asiel. Het bestreden besluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder wordt in de gelegenheid gesteld het gebrek in het besluit te herstellen.
Trefwoorden:aanmerkelijk belang
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.34383 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Latul).




Procesverloop

1. Eiser heeft op 17 januari 2022 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 december 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.


1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.P. Shanthan als tolk en de gemachtigde van verweerder. De behandeling van de zaak is ter zitting aangehouden, nadat de gemachtigde van verweerder had aangegeven dat eiser aanvullend gehoord had moeten worden.



1.3.
Eiser is op 26 mei 2025 aanvullend gehoord. Verweerder heeft op 1 juli 2025 een aanvullend besluit genomen. Op 6 oktober 2025 heeft eiser aanvullende gronden ingediend.



1.4.
Op 17 december 2025 heeft de rechtbank het beroep opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en A.P. Shanthan als tolk. De gemachtigde van verweerder is niet verschenen.





Overwegingen


Opvolgende aanvraag



2.1.
Eiser heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Op 17 januari 2022 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Dit betreft zijn vierde asielaanvraag.



2.2.
Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Hij heeft verzocht om een heroverweging van het besluit van 7 december 2007. Verder heeft hij aangegeven dat zijn moeder vanuit India is teruggekeerd naar Sri Lanka en doet hij een beroep op de politieke activiteiten die hij in Nederland bijwoont. Hij heeft meerdere documenten ingebracht om deze aanvraag te onderbouwen.


Bestreden besluit




3.1.
Het asielrelaas van eiser in de huidige asielprocedure bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- politiek asielmotief.



3.2.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook acht verweerder het geloofwaardig dat eiser een politieke overtuiging heeft en dat eiser in Nederland deelneemt aan activiteiten van de Tamils. Niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser of zijn familie in Sri Lanka in de negatieve aandacht zou staan vanwege de politieke activiteiten van eiser in Nederland. De geloofwaardig geachte elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g en j, van de Vw.



3.3.
Op 26 mei 2025 is eiser aanvullend gehoord over zijn politieke activiteiten. Vervolgens heeft verweerder met het aanvullend besluit van 1 juli 2025, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, het verzoek om een heroverweging van het besluit van 7 december 2007 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder verwijzing naar het besluit van 8 september 2008. Eiser heeft volgens verweerder geen nieuwe informatie naar voren gebracht waardoor hetgeen in de eerdere asielprocedures aan de orde is geweest op een andere wijze moet worden bekeken. Ten aanzien van eisers politieke asielmotief heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geloofwaardig wordt geacht dat eiser een politieke overtuiging heeft en dat hij in Nederland deelneemt aan activiteiten van de Tamils. Niet geloofwaardig is geacht dat eiser of zijn familie in Sri Lanka in de negatieve aandacht zou staan vanwege de politieke activiteiten van eiser in Nederland. Tot slot is niet aannemelijk geacht dat eiser prominent politiek actief is en hij bij terugkeer in Sri Lanka om deze reden te vrezen heeft.


Beoordeling door de rechtbank


4. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.



Voornemen

5. Eiser voert aan dat na het aanvullend gehoor eerst een voornemen moest worden uitgebracht. Er zijn nieuwe feiten en omstandigheden. Hij verwijst hierbij naar artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit heeft verweerder ten onrechte niet gedaan, aldus eiser.



5.1.
Uit artikel 3.119 van het Vb en het beleid van verweerder (paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000) volgt dat verweerder, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden bekend worden die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en verweerder voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, dit aan de vreemdeling wordt meegedeeld en hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verweerder, als eiser opnieuw wordt gehoord over een asielmotief, gehouden is een nieuw voornemen uit te brengen wanneer hij bij de afwijzing van de asielaanvraag blijft en de vreemdeling in staat moet stellen hierop zijn zienswijze uit te brengen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder na het aanvullend gehoor ten onrechte geen voornemen heeft uitgebracht waar eiser zijn zienswijze op kon uitbrengen.


Familieleden LTTE

6. Eiser heeft aangevoerd dat zijn broer lid is geweest van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: LTTE) en onder verwijzing naar het thematisch ambtsbericht aangevoerd dat familieleden van oud-LTTE-leden nog steeds in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten staan (paragraaf 5.1.3.3., p. 48). Dat maakt de situatie van eiser volgens hem anders dan de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, waar verweerder naar verwijst. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij gelet op zijn individuele omstandigheden in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.



6.1.
Vaststaat dat eisers broer lid is geweest van de LTTE tussen 1995 en 2002, maar dat hij geen vooraanstaande positie had binnen de LTTE (dit staat onder andere op pagina 2 van het aanvullend besluit). Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het niet nodig is dat iemand een vooraanstaande positie heeft voordat familieleden problemen ondervinden. Eiser heeft daarbij verwezen naar zijn zienswijze, waarin staat dat uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat familieleden van oud-leden van de LTTE, die in het buitenland verblijven, door veiligheidsinstanties worden ondervraagd (p. 49). Uit het ambtsbericht volgt volgens eiser ook dat tijdens de verslagperiode ook andere familieleden van oud-leden van de LTTE te maken konden krijgen met monitoring door de autoriteiten en dat op de ‘watchlist’ mensen staan die in het buitenland actief zijn en banden hebben met LTTE of andere verboden organisaties (p. 70). Verweerder heeft in zijn besluitvorming ten onrechte niet betrokken wat het voorgaande betekent in het geval van eiser, nu hij familielid is van een oud-LTTE-lid. Dit dient verweerder alsnog te doen.


Gazette 2025

7. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij reeds 18 jaar in Nederland verbonden is geweest met de Eelam-beweging bij de in Nederland gevestigde organisatie Tamil Coordinating Committee (organisatie die de demonstraties, bijeenkomsten en Heldendagen van de Eelam-beweging organiseert, hierna: TCC). In de Gazette is de TCC als een terroristische organisatie aangemerkt. Hieruit volgt volgens eiser dat de Sri Lankaanse autoriteiten de Eelam-beweging in Nederland in beeld heeft. Ter zitting heeft eiser nog verwezen naar de nieuwe Gazette van oktober 2025, waaruit volgt dat nu de gehele organisatie TCC in Nederland verboden is. Ook op dit punt heeft verweerder in het bestreden besluit en in beroep niet gereageerd. Dit dient verweerder alsnog te doen.


Politieke activiteiten bij terugkeer

8. Verder heeft eiser ter zitting aangevoerd dat het niet nodig is dat hij in zijn land van herkomst een prominente rol speelt om in de negatieve aandacht van de autoriteiten te staan. Eiser is actief lid van de Eelam-beweging en op zijn Facebook-pagina zijn ook foto’s te zien van de leider van de LTTE. Indien eiser de activiteiten die hij nu in Nederland verricht ook in Sri Lanka zal verrichten, zal hij worden gearresteerd. Eiser verwijst hierbij naar pagina 57 van het thematisch ambtsbericht. Ook op dit punt heeft verweerder in het bestreden besluit en in beroep niet gereageerd. Dit dient verweerder alsnog te doen. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder hierbij eveneens de omstandigheid dient te betrekken dat hij familielid is van een oud-LTTE-lid.


Heroverweging

9. Eiser heeft aangevoerd dat hij in de zienswijze van 12 december 2024, paragrafen 42 tot en met 50, heeft verzocht om heroverweging van de eerdere besluiten op de asielaanvragen van 9 september 2008, 28 december 2009, 20 juni 2014 en 22 februari 2017. Hij heeft dit per besluit gemotiveerd en onder meer aangegeven dat de arresten van 17 februari 2009 (C-465/07, ECLI:EU:C:2009:94) en van 9 november 2023 (C-125/22, ECLI:EU:C:2023:843) nova waren. Verweerder is in het aanvullend besluit echter alleen ingegaan op de verklaring van eiser dat hij aanvankelijk uit angst niet had verteld dat hij bij de LTTE had gezeten en verwezen naar de Afdelingsuitspraak waarin is bevestigd dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder is in het bestreden besluit en in beroep niet ingegaan op de overige punten die naar voren zijn gebracht in de zienswijze. Dit dient verweerder alsnog te doen.





Conclusie en gevolgen


10.1.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en moet worden vernietigd. De verdere beroepsgronden hoeven niet beoordeeld te worden.



10.2.
Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan zij het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Hierbij is van belang dat de asielprocedure van eiser al lang loopt en dat toepassing van de bestuurlijke lus eraan kan bijdragen dat deze procedure sneller wordt afgerond.



10.3.
Verweerder dient binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak en de aanvullende gronden van eiser van 6 oktober 2025. Daarna zal de rechtbank bepalen hoe de procedure wordt voortgezet en partijen daarover informeren. Alle verdere stukken in de procedure moeten zodra zij beschikbaar komen in het digitale dossier worden geplaatst.


10.4.
De rechtbank verzoekt verweerder om binnen twee weken aan eiser en de rechtbank bekend te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Als verweerder van deze gelegenheid geen gebruik maakt, doet de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting einduitspraak.



10.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat zij over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.





Beslissing

De rechtbank:
- heropent het onderzoek;
- stelt verweerder in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Link naar deze uitspraak