Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGEAC:2026:79 
 
Datum uitspraak:11-06-2026
Datum gepubliceerd:15-06-2026
Instantie:Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Zaaknummers:CUR202400737
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:De door belanghebbende betaalde premies voor een ziektekostenverzekering komen naar het oordeel van het Gerecht als buitengewone lasten in aftrek nu het gaat om op belanghebbende drukkende uitgaven ter zake van ziekte. Voor de door de Inspecteur voorgestane (beperkte) uitleg van artikel 16a lid 1 LIB bestaat geen grondslag in de wet. Het gelijk is aan belanghebbende.
Trefwoorden:belastingrecht
formeel belastingrecht
ingezetene
inkomstenbelasting
tarieven
 
Uitspraak
Uitspraak van 11 juni 2026
BBZ nr. CUR202400737


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO


UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:



[Belanghebbende]
, wonende te Curaçao,
belanghebbende,

gericht tegen:


DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.





1PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is op 14 april 2022 een aanslag inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2019 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 588.117.



1.2
Belanghebbende heeft daartegen op 13 juni 2022 bezwaar gemaakt.



1.3
Belanghebbende heeft op 28 februari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.



1.4
Partijen zijn op 14 augustus 2024 uitgenodigd voor de behandeling van de zaak ter zitting op 20 september 2024.



1.5
Op 21 augustus 2024 is door het Gerecht via e-mail aan partijen medegedeeld dat de belastingzitting wordt verschoven naar 18 september 2024. De e-mail bestemd voor de Inspecteur, met als onderwerp “Belastingrol 18 september 2024” is verstuurd naar het e-mailadres van [email 1] en [email 2].



1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2024 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen [A]. Namens de Inspecteur is, zonder berichtgeving, niemand verschenen. De rechter heeft het onderzoek gesloten.



1.7
De Inspecteur heeft op 18 september 2024 na afloop van de zitting de volgende e-mail aan het Gerecht gestuurd:


“Geachte (…),


Ik krijg net een mailtje van mevrouw [B] van [X] dat ik niet aanwezig was bij deze zaak. Maar gisteren heb ik in het systeem gecontroleerd en daar stond dat de zaak op de rol van 20/9 stond. Ik was ook nog in gesprek met de adviseur en had twee vragen uitstaan.


Graag zou ik nog de kans willen om, ook als is het schrifftelijk mijn standpunt, naar voren te brengen.


(…)”




1.8
Het Gerecht heeft naar aanleiding van de e-mail van de Inspecteur van 18 september 2024 het onderzoek heropend. Aan de Inspecteur is de gelegenheid geboden om binnen drie weken te reageren op het beroepschrift en het ter zitting overgelegde stuk.



1.9
In reactie op een e-mail van belanghebbende over het heropenen van het onderzoek stuurt het Gerecht het volgende bericht:


“(…) Uw e-mail geeft het Gerecht aanleiding om u als volgt te informeren.



Deze zaak stond eerder gepland op een zitting op 20 september 2024.


De behandeling is naar een eerder datum verschoven, doch in het Belastingportaal is de zittingsdatum per abuis niet gewijzigd.


De rechter moet de goede procesorde bewaken. In dit verband is besloten de behandeling van de zaak te heropenen."




1.10
Op 30 september 2024 heeft de Inspecteur gereageerd op het beroepschrift van belanghebbende. Belanghebbende heeft daar vervolgens op 4 december 2024 op gereageerd. Het Gerecht heeft hierna het onderzoek gesloten.





2FEITEN

2.1
Belanghebbende is gehuwd met [C]. Hij is gepensioneerd (vanaf 2010) en verblijft met zijn echtgenote gedurende het jaar voor langere periodes in de Verenigde Staten (VS) omdat zijn kinderen en kleinkinderen aldaar woonachtig zijn.



2.2
Belanghebbende heeft op 2 juni 2022 aangifte IB 2019 gedaan. In zijn aangifte heeft hij onder meer een bedrag van NAf 55.476 (voor toepassing van de drempel) aan buitengewone lasten in aftrek gebracht, bestaande uit premies voor ziektekostenverzekeringen. Volgens de aangifte van belanghebbende bedraagt het totale inkomen van belanghebbende – zonder rekening te houden met de buitengewone lasten – NAf 588.495. Het belastbaar inkomen volgens de aangifte bedraagt NAf 554.207.



2.3
Bij het opleggen van de aanslag is de Inspecteur afgeweken van de aangifte. De Inspecteur heeft voornoemde premies voor de ziektekostenverzekeringen niet als buitengewone lasten in aftrek toegestaan. Het gaat om een bedrag van NAf 23.329 aan premie ziektekosten bij [Y] en een bedrag van NAf 31.967 aan premie ziektekosten bij [Z] Insurance Company (hierna: [Z] verzekering).



2.4
Tot het procesdossier behoren een tweetal bankafschriften van NAf 11.664,50 (totaal NAf 23.329). Het gaat om premies betaald voor een ziektekostenverzekering bij [Y]. Tot het procesdossier behoort verder een verlenging van een polis (‘Renewel Notice’) voor een ziektekostenverzekering (‘health insurance policy’) bij [Z] verzekering van 5 maart 2019 voor zowel belanghebbende als zijn echtgenote. Het totaal te betalen bedrag bedraagt Naf 31.967 (US$ 17.959). Uit een e-mail van [Z] verzekering volgt dat belanghebbende voornoemd bedrag op 8 mei 2019 heeft betaald.



2.5
Ter zitting is door de gemachtigde een schriftelijke verklaring van belanghebbende van 15 mei 2024 overgelegd. Belanghebbende heeft als volgt verklaard:


“De vraag van de Inspectie waarin de ziektekostenverzekeringen bij [Z] en [Y] van elkaar verschillen en waarom het - voor mij - noodzakelijk is om beide te hebben.

Sinds mijn pensionering eind 2010 verblijven mijn echtgenote en ik tussen de 4 tot 8 maanden per jaar in de Verenigde Staten ("VS") waar ons gehele gezin woonachtig is. Om te beginnen vergoedt [Y] enkel de medische behandelingen buiten Curaçao tot een bedrag dat geljjk is aan wat de betrokken behandeling in Curaçao zou hebben gekost, terwijl de medische kosten in de VS veel hoger zijn dan in Curaçao.
(…)
Vanwege persoonlijke reden (o.a. familie in de VS), heb ik een aantal keer ervoor gekozen om chirurgische ingrepen (drie nieroperaties, verwijdering van een bijniertumor en ook van mijn schildklier) in de VS te doen plaatsvinden.
(…)
[Z] ziekteverzekering dekt geen medische onkosten in het land waar de verzekerde ingezetene is, in mijn geval Curaçao. [Y] dekt de onkosten in de VS tegen Curaçaose tarieven en [Z] dekt de onkosten in de VS tegen de ter plaatse geldende tarieven – na een eigen risico op de [Z]-verzekeringspolis van US$ 20.000.
Overigens is [Z] niet alleen geldig in de VS maar overal ter wereld, en mijn echtgenote en ik reizen nogal veel en hebben in de afgelopen decennia alle continenten bezocht waardoor de [Z]-dekking ook goed overeenkomt met onze gepensioneerde levensstijl. (…)



2.6
In de beroepsfase (reactie 30 september 2024) heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat alleen de [Z] verzekering in geschil is.





3GESCHIL

3.1
Tussen partijen is in geschil de vraag of de premies voor de ziektekostenverzekering bij [Z] verzekering als buitengewone lasten in aftrek komen.



3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en verzoekt om vermindering van de aanslag tot een belastbaar inkomen van NAf 562.931.



3.3
De Inspecteur beantwoordt de vraag ontkennend en stelt zich op het standpunt dat een rechtstreeks causaal verband tussen de uitgaven voor de ziektekostenverzekering met een ziekte ontbreekt. De beslissing van belanghebbende om de ziektekostenverzekering bij [Z] verzekering af te sluiten hangt, aldus de Inspecteur, samen met zijn keuze om voor lange periodes in het buitenland te verblijven. Daarnaast is volgens de Inspecteur sprake van bovenmatige uitgaven in vergelijking met andere belastingplichtigen die er niet voor kiezen om langdurig in het buitenland te verblijven. Volgens de Inspecteur zijn de premies ook niet aftrekbaar omdat hij zich afvraagt of belanghebbende wel ingezetene is van Curaçao.



3.4
Indien belanghebbende gelijk krijgt is de hoogte van het bedrag aan aftrekbare premies niet in geschil.





4OVERWEGINGEN
Beroep niet tijdig beslissen

4.1
Het bezwaarschrift tegen de aanslag is op 13 juni 2022 door de Inspecteur ontvangen.



4.2
Ingevolge artikel 30, lid 2, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 13 maart 2023 een uitspraak heeft gedaan.



4.3
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 13 maart 2024, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.



4.4
Belanghebbende heeft op 28 februari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit beroep is mitsdien tijdig.



4.5
De Inspecteur heeft tot op heden nog geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar. Partijen hebben niet te kennen gegeven een terugwijzing te wensen en de procedure duurt al meer dan vier jaren. Het Gerecht zal zelf in de zaak voorzien.


Ingezetenschap



4.6
Het Gerecht stelt voorop dat indien geldt dat belanghebbende geen ingezetene is van Curaçao, de premies ziektekosten – ook de premies van [Y] – niet als buitengewone lasten in aanmerking kunnen worden genomen (artikel 18 Landsverordening op de inkomstenbelasting (LIB). Of iemand in Curaçao woont wordt op basis van artikel 4 ALL naar de omstandigheden beoordeeld. Het wonen of gevestigd zijn in Curaçao, veronderstelt een duurzame band met het land. In de Memorie van Toelichting op deze bepaling is vermeld dat factoren die van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of zodanige band bestaat onder meer zijn: de wil van de betrokkene (indien deze in feitelijkheden naar buiten komt), het aanvaard hebben van een dienstbetrekking, de plaats waar het gezin verblijft, het onderhouden van economische banden, het in het bevolkingsregister zijn opgenomen en dergelijke.



4.7
De Inspecteur heeft in zijn schrijven van 30 september 2024 de vraag opgeworpen of belanghebbende gelet op zijn langdurig verblijf in het buitenland wel ingezetene is van Curaçao. Voor zover hij de stelling inneemt dat belanghebbende niet als ingezetene van Curaçao kan worden aangemerkt rust op hem de bewijslast. Nu hij in dit verband enkel heeft verwezen naar de verklaring die belanghebbende in de beroepsfase (zie 2.6) heeft overgelegd, is sprake van een onvoldoende gemotiveerde stelling. De Inspecteur slaagt daarmee niet in zijn bewijslast. Het Gerecht neemt in aanmerking dat belanghebbende deze stelling heeft betwist en heeft aangevoerd dat belanghebbende en zijn vrouw in het onderhavige jaar voor maximaal vier maanden in de Verenigde Staten verbleven en dat hij in 2019 geen enkele andere duurzame band dan met Curaçao had.


Aftrek buitengewone lasten



4.8
Artikel 16a van de LIB luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Buitengewone lasten zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven:
a. ter zake van ziekte, invaliditeit, bevalling en overlijden van de belastingplichtige, diens echtgenoot, diens eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen en van diens bloed- of aanverwanten in de rechte linie of in de tweede graad van de zijlinie;
(…)
4. De in het eerste lid a, c en d, bedoelde uitgaven worden in aanmerking genomen voor zover zij gezamenlijk meer bedragen dan 5 procent van het inkomen, doch ten minste ƒ. 1.500.”



4.9
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die aanspraak maakt op een aftrekpost, feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen dat hij voldoet aan de vereisten voor aftrek van de uitgaven.



4.10
Partijen zijn het erover eens dat premies van een ziektekostenverzekering tegen de dekking van het risico van ziektekosten die in Curaçao worden gemaakt als buitengewone lasten kunnen worden aangemerkt. De ziektekostenverzekering bij de [Z] verzekering betreft dekking van ziektekosten die in het buitenland worden gemaakt. De Inspecteur is van mening dat de premies om die reden niet aftrekbaar zijn. Volgens de Inspecteur ontbreekt een rechtstreeks causaal verband met ziekte aangezien de uitgaven samenhangen met de keuze van belanghebbende om voor lange periodes in het buitenland te verblijven.


4.11.1
Het Gerecht oordeelt als volgt. Voor de door de Inspecteur voorgestane (beperkte) uitleg van artikel 16a lid 1 LIB bestaat geen grondslag in de wet. Evenmin heeft het Gerecht daarvoor aanknopingspunten kunnen vinden in de wetsgeschiedenis. Anders dan de Inspecteur meent staat het een belastingplichtige vrij om in het buitenland als particulier medische hulp te zoeken. Naar algemeen aanvaarde opvatting is iemand immers vrij te beslissen hoe en door wie hij zich van medische hulp laat voorzien.



4.11.2
De stelling van de Inspecteur dat sprake is van bovenmatige kosten in vergelijking met andere belastingplichtigen die er niet voor kiezen om langdurig in het buitenland te verblijven, leidt bij het Gerecht niet tot een ander oordeel. Dat de kosten bovenmatig zouden zijn neemt immers niet weg dat de premies ‘uitgaven zijn ter zake van ziekte’ (zoals is vermeld in de wettekst) en om die reden aftrekbaar zijn. Het Gerecht merkt verder op dat met bovenmatige uitgaven in het stelsel van de buitengewone lasten rekening is gehouden. Uitgaven worden slechts als buitengewone lasten in aanmerking genomen voor zover zij een bepaalde grens (zie artikel 16a lid 4 LIB) overschrijden. Slechts dat gedeelte van de uitgaven dat de grens overschrijdt is ‘buitengewoon’ en aftrekbaar.



4.11.3
Gelet op het voorgaande dienen de betaalde premies te gelden als buitengewone lasten nu het gaat om op belanghebbende drukkende uitgaven ter zake van ziekte. Het gelijk op dit punt is aan belanghebbende.




4.12
Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de aftrek buitengewone lasten NAf 55.476 bedraagt met een bedrag aan drempel van NAf 29.912. Ook is tussen partijen niet in geschil dat het belastbaar inkomen in dat geval moet worden vastgesteld op een bedrag van NAf 562.931.



4.13
Het beroep is gegrond. Het Gerecht zal het belastbaar inkomen vaststellen op een belastbaar inkomen van NAf 562.931 (NAf 588.495-/- 25.564 (drempel)).





5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Kosten bezwaarfase

5.1
Ingevolge artikel 32a, lid 1 ALL worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist (artikel 32a, lid 2 ALL). De regels over de berekening van de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht.



5.2
Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De aanslagen zijn niet door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht opgelegd.


Kosten beroepsfase



5.3
Ingevolge artikel 15, lid 1, LBB worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.



5.4
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).



5.5
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor nader stuk, waarde per punt Cg 700, (wegingsfactor 1)).



5.6
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg 50 aan belanghebbende te vergoeden.





6BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar gegrond;
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vermindert de aanslag IB 2019 naar een belastbaar inkomen van Cg 562.931
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Cg 1.750; en
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en uitgesproken op 11 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.

De griffier, De rechter,




Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.



HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)


Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18


Willemstad


Curaçao


U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500
Link naar deze uitspraak