|
|
|
| ECLI:NL:OGEAC:2026:80 | | | | | Datum uitspraak | : | 12-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-06-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Curaçao | | Zaaknummers | : | CUR202501949 en CUR202501 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Het geschil spitst zich toe op de aftrekbare kosten die kunnen worden toegerekend aan de opbrengst uit vermogen. Het Gerecht overweegt dat aftrekbaar zijn de als zodanig genoemde kosten en lasten die causaal samenhangen met de opbrengst, in dit geval inkomsten uit dividenden. Beide partijen hebben de kosten die volgens hen een causaal verband houden met de opbrengst uit vermogen niet aannemelijk gemaakt. Het Gerecht bepaalt de kostenaftrek in goede justitie. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | formeel belastingrecht | | | inkomstenbelasting | | | uitkering | | | verliesverrekening | | | | Uitspraak | Uitspraak van 12 juni 2026
BBZ nrs. CUR202501949 en CUR202501950
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], woonachtig te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1PROCESVERLOOP
1.1
Op 29 februari 2024 is aan belanghebbende voor het jaar 2019 een definitieve aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 240.798, resulterend in een aanslag IB van NAf 43.024 en een premie-inkomen van NAf 239.354, resulterend in een aanslag premie AVBZ van NAf 4.748
1.2
Belanghebbende heeft op 11 maart 2024 daartegen bezwaar gemaakt.
1.3
Belanghebbende heeft op 6 juni 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Cg 50.
1.4
De Inspecteur heeft op 25 november 2025 een verweerschrift ingediend.
1.5
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A], verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur is mr. [B] verschenen. Na afloop van de zitting is de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om nadere stukken te wisselen en te onderzoeken of een compromis kan worden bereikt.
1.6
Op 8 december 2025 heeft belanghebbende nadere stukken gestuurd aan het Gerecht en de wederpartij. Op 11 december 2025 heeft de Inspecteur op de nadere stukken gereageerd.
Partijen zijn niet tot een compromis in de zaak gekomen.
1.7
Het Gerecht heeft op 26 mei 2026 het onderzoek gesloten en een uitspraak aangekondigd.
2FEITEN
2.1
Belanghebbende heeft op 26 augustus 2020 de aangifte IB en premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ 2019 ingediend naar een belastbaar inkomen van NAf 3.835.
2.2
Bij aanslagregeling is door de Inspecteur afgeweken van de aangifte. Daarbij is het belastbaar inkomen 2019 door de Inspecteur vastgesteld op NAf 240.798 en het premie-inkomen op NAf 239.354.
2.3
In 2019 heeft belanghebbende de volgende inkomsten genoten: AOV-uitkering van NAf 3.835, rente op binnenlandse spaartegoeden van NAf 1.444 en inkomsten uit dividenden van NAf 253.635.
2.4
Belanghebbende bezit een effectenportefeuille waarvan het vermogensbeheer plaatsvindt door [Y]. Wereldwijd wordt belegd in voornamelijk aandelen en obligaties en op kleinere schaal in alternatieve vermogenscategoriën.
2.5
Per ultimo 2019 bedraagt het belegd vermogen van belanghebbende € 14.674.486,58. In het jaar 2019 heeft belanghebbende een resultaat op haar vermogen behaald van € 1.689.539,21.
2.6
In 2019 heeft belanghebbende aan [Y] in totaal een bedrag aan (directe) kosten van beheer betaald van € 99.226,73. Daarnaast is aan coupon- en dividendbelasting een bedrag van € 18.869,55 van belanghebbende ingehouden.
2.7
Het onder 2.5 vermelde behaalde resultaat van € 1.689.538,21 kan als volgt worden berekend:
Netto inkomsten € 108.310,66
Koersresultaat € 1.680.455,28
Directe kosten € 99.226,73
Behaalde resultaat € 1.689,539,10
3GESCHIL
3.1
Tussen partijen is de hoogte van het belastbaar inkomen en het premie-inkomen in geschil. Het geschil spitst zich toe op de aftrekbare kosten die kunnen worden toegerekend aan de opbrengst uit vermogen.
3.2
Belanghebbende neemt het standpunt in dat naar het juiste bedrag aangifte is gedaan. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar bedrag van NAf 3.835, zijnde het bedrag van de AOV-uitkering.
Belanghebbende is van mening dat de inkomsten uit het door [Y] belegd vermogen niet leiden tot opbrengst uit vermogen, omdat die opbrengst (omgerekend NAf 253.635) worden gecompenseerd door de ter zake gemaakte kosten. Daarbij gaat belanghebbende uit van € 99.226,73 aan directe kosten en € 18.869,55 aan ingehouden coupon- en dividendbelasting, totaal € 118.096,28. Omgerekend in guldens bedraagt dit bedrag NAf 235.520.
Voor zover die inkomsten meer bedragen dan de ter zake gemaakte kosten, stelt belanghebbende dat recht bestaat op verliescompensatie vanwege geleden verliezen uit renten en dividenden uit de jaren 2014 tot en met 2018.
Daarnaast verzoekt belanghebbende om een vergoeding van geleden immateriële schade.
3.3
De Inspecteur meent, bij nader inzien, dat het belastbaar inkomen als volgt dient te worden vastgesteld:
AOV-uitkering NAf 3.835
Rente binnenlandse spaartegoeden NAf 1.444
Rente buitenlandse spaartegoeden NAf 1
Dividenden NAf 253.635
Af: aftrekbare kosten ter zake van dividenden NAf 13.923 -/-
Belastbaar inkomen NAf 244.992
Het premie-inkomen dient volgens de Inspecteur te worden berekend op het belastbaar inkomen van NAf 244.992 verminderd met NAf 1.444, is NAf 243.548.
De Inspecteur is derhalve van mening dat zowel het belastbaar inkomen als het premie-inkomen te laag zijn vastgesteld.
3.4
De aftrekbare kosten ter zake van het inkomen uit vermogen heeft de Inspecteur als volgt berekend.
Voor wat betreft de omrekening van de euro naar de gulden hanteert de Inspecteur een koers van 1,9943.
Het netto dividend van € 108.310,66 wordt door de Inspecteur ‘gebruteerd’ door de ingehouden coupon- en dividendbelasting van NAf 18.869,55 daarbij op te tellen, met als gevolg een ‘bruto’ dividend van € 127.180,21.
Van de directe kosten van € 99.226,73 is volgens de Inspecteur aftrekbaar, het aandeel in het totaal behaalde brutoresultaat van € 1.807.635,49, voor zover dat toerekenbaar is aan het dividendinkomen van € 127.180,21.
Ofwel: (€ 99.226,73 x 127.180,21/1.807.635,49 =) € 6.981,31 x 1,9943 = NAf 13.923.
4OVERWEGINGEN
Beroep niet tijdig beslissen
4.1
Het bezwaarschrift tegen de aanslagen IB en premie AVBZ voor het jaar 2019 is op 11 maart 2024 door de Inspecteur ontvangen.
4.2
Ingevolge artikel 30, lid 2, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift, in dit geval dus uiterlijk op 11 december 2024, een uitspraak heeft gedaan.
4.3
Ingevolge artikel 31, lid 1, ALL kan binnen twaalf maanden, in dit geval dus uiterlijk op 11 december 2025, beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
4.4
Belanghebbende heeft op 6 juni 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Dit beroep is tijdig ingesteld.
4.5
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op het bezwaar genomen. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht ziet evenwel om proces-economische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar. Partijen hebben immers over en weer hun inhoudelijke standpunten uitgewisseld en ter zitting het Gerecht verzocht in de zaak te voorzien.
Inhoudelijk
4.6
Artikel 9, lid 1 van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna: LvIB) bepaalt:
De opbrengst in de vorige artikelen omschreven wordt ter berekening van het zuiver bedrag verminderd met de kosten tot verwerving, inning, en behoud der opbrengst en met de op de opbrengst rustende lasten, zoals:
de ondernemingskosten (…)
de volgende kosten, voor zover zij niet reeds als ondernemingskosten in aanmerking komen:
renten van schulden, alsmede kosten van geldlening, kosten vallende op de verzilvering van coupons en kosten van beheer.
4.7
Naar het oordeel van het Gerecht wordt met de term ‘opbrengst (…) ter berekening van het zuiver bedrag’ gerefereerd aan hetgeen is bepaald in artikel 3, lid 4 van de LvIB, alwaar ‘inkomen’ wordt gedefinieerd als het gezamenlijk bedrag van hetgeen de belastingplichtige zuiver geniet als opbrengst van: a. onroerende zaken, b. vermogen, c. onderneming en arbeid en d. rechten op periodieke uitkeringen. Ter zake van deze opbrengst komen in aftrek de kosten tot verwerving, inning en behoud van de opbrengst en de op de opbrengst rustende lasten, waaronder (expliciet) worden gerekend: kosten van beheer. Na aftrek van de genoemde kosten en lasten resteert een zuiver bedrag aan opbrengst.
Kortom, aftrekbaar zijn de als zodanig genoemde kosten en lasten die causaal samenhangen met de opbrengst die deel uitmaakt van het belastbaar inkomen. Dit betekent dat kosten van beheer die niet causaal samenhangen met de tot het belastbaar inkomen te rekenen opbrengst, niet in aftrek komen.
4.8
Belanghebbende heeft het totaal aan kosten, te weten de zogenoemde ‘directe kosten’ (€ 99.226,73), alsmede de ingehouden coupon- en dividendbelasting (€ 18.869,55), omgerekend in guldens NAf 235.520, integraal aangemerkt als aftrekbare kosten van beheer. Dit is naar het oordeel van het Gerecht onjuist, omdat de kosten van beheer niet alleen zijn gemaakt ter zake van de opbrengst die deel uitmaakt van het belastbaar inkomen, maar mede ziet, op de waardecreatie van de effectenportefeuille die niet leidt tot belastbaar inkomen. In dit verband wijst het Gerecht er mede op dat uit de stukken van het geding behorende ‘Rapportage Vermogensbeheer’, en dan in het bijzonder uit het ‘Mutatieoverzicht’ volgt, dat op grote schaal vermogensbestanddelen worden gekocht en verkocht. Ook de met die transacties gepaard gaande kosten vormen geen aftrekbare kosten van beheer.
Het Gerecht zal overigens belanghebbende vooralsnog volgen in haar keuze om de ingehouden coupon- en dividendbelasting aan te merken als aftrekbare kosten. Het Gerecht begrijpt belanghebbende aldus, dat belanghebbende heeft verzocht om op grond van artikel 8, lid 6, van het Landsbesluit voorkoming dubbele belasting (A°2022, N° 113) gebruik te maken van de mogelijkheid om in plaats van verrekening van buitenlandse bronbelasting te kiezen voor kostenaftrek.
4.9
Zoals vermeld onder 3.4 heeft de Inspecteur de kosten mathematisch gesplitst over de bruto dividenden van € 127.180,21 en de koersresultaten van € 1.680.455,28. Ook dit is in beginsel onjuist, omdat die verhouding niet per se gelijk is aan de belaste en onbelaste inkomsten. De door de Inspecteur gekozen methodiek leidt tot enigszins willekeurige uitkomsten. Het koersresultaat in het jaar 2019 is in vergelijking met de voorafgaande jaren waarover informatie is verstrekt bijzonder hoog met als gevolg dat volgens de methodiek van de Inspecteur voor het jaar 2019 slechts een zeer gering deel van de kosten van beheer in aanmerking kunnen worden genomen (7%). Het koersresultaat in de jaren 2013 en 2015 tot en met 2018 bedraagt € 841.611 (2013), € 470.247 (2015), € 392.842 (2016), € 857.477 (2017) en -/- € 647.037 (2018). In die jaren is volgens de door de Inspecteur gehanteerde methodiek het relatieve aandeel in de kosten dat toerekenbaar is aan het bruto dividend (veel) hoger dan in 2019. Als gevolg van het negatieve resultaat in 2018 zou volgens de door de Inspecteur gehanteerde methodiek zelfs het gehele bedrag aan kosten toerekenbaar zijn aan het bruto dividend (en dus aftrekbaar zijn)!
4.10
Beide partijen hebben de kosten die volgens hen een causaal verband houden met de opbrengst uit vermogen niet aannemelijk gemaakt. Het Gerecht zal de kostenaftrek in goede justitie bepalen. Daarbij merkt het Gerecht op dat uit de stukken van het geding geen verdeelsleutel kan worden afgeleid. Bij het bepalen van de kostenaftrek in goede justitie neemt het Gerecht in ogenschouw dat de inspanningen door [Y], de vermogensbeheerder, met betrekking tot het incasseren van het dividend relatief beperkt zijn ten opzichte van de inspanningen die moeten worden verricht om vermogensgroei te realiseren en waarbij [Y] namens belanghebbende met grote regelmaat effecten koopt en verkoopt. De inspanningen bij aan- en verkoop betreffen niet alleen de aan- en verkoop zelf, maar tevens het doorlopend analyseren van de financiële markten in de breedste zin van het woord, gegeven het feit dat belanghebbende wereldwijd belegt in verschillende vermogenscategorieën. Daarmee rekening houdend is het Gerecht van oordeel dat de kosten voor 20% dienen te worden toegerekend aan de bruto dividenden en voor 80% aan de koersresultaten.
4.11
Het bepalen van de kostenaftrek in goede justitie, als vermeld in 4.10, betekent dat 20% van € 99.226,73, is € 19.845,35 als aftrekbare kosten in aanmerking kan worden genomen, alsmede de ingehouden coupon- en dividendbelasting van € 18.869.55. In totaal bedragen de aftrekbare kosten € 38.714,90, ofwel omgerekend NAf 77.209,13. Alsdan dient het belastbaar inkomen als volgt te worden bepaald:
AOV-uitkering NAf 3.835
Rente binnenlandse spaartegoeden NAf 1.444
Rente buitenlandse spaartegoeden NAf 1
Dividenden NAf 253.635
Af: aftrekbare kosten ter zake van dividenden NAf 77.210 -/-
Belastbaar inkomen NAf 181.755
Het premie-inkomen bedraagt NAf 181.755 – NAf 1.444 = NAf 180.311.
4.12
Nu de opbrengsten uit vermogen (Dividenden) meer bedragen dan de ter zake gemaakte kosten, stelt belanghebbende dat recht bestaat op verliescompensatie vanwege geleden verliezen uit renten en dividenden uit de jaren 2014 tot en met 2018. Naar het Gerecht begrijpt, doet belanghebbende daarmee een beroep op artikel 9, lid 8 LvIB dat bepaalt:
8. Behoudens ten aanzien van de opbrengst van onderneming worden de kosten tot verwerving, inning en behoud van de opbrengst in aanmerking genomen tot en voor zover in een jaar tegenover die kosten positieve opbrengsten staan. De kosten tot verwerving, inning en behoud van de opbrengst van de opbrengst die op grond van het bepaalde in de vorige volzin buiten aanmerking zijn gebleven, kunnen slechts met de positieve opbrengsten van de vijf volgende kalenderjaren worden verrekend en wel in de volgorde waarin deze zijn ontstaan.
4.13
Belanghebbende heeft slechts volstaan met het toezenden van de door [Y] opgemaakte vermogensrapportages over de jaren 2014 tot en met 2018, maar heeft niet aangegeven tot welke bedragen in die jaren kosten op de voet van artikel 9, lid 8 LvIB buiten aanmerking zijn gebleven. Reeds om die reden dient een door belanghebbende verzochte verliesverrekening buiten aanmerking te blijven. Daarnaast is het zo dat indien ervan wordt uitgegaan dat 20% van de in aftrek te brengen kosten kunnen worden toegerekend aan de (belaste) opbrengst uit vermogen (Dividenden), het uitgesloten is dat in de jaren 2014 tot en met 2018 (aftrekbare) kosten buiten aanmerking zijn gebleven.
Verzoek om immateriële schadevergoeding
4.14
Belanghebbende heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. De wet- en regelgeving van Curaçao voorziet echter niet in de bevoegdheid van de belastingrechter tot het toekennen van een schadevergoeding. Alleen de burgerlijke rechter is daartoe bevoegd. Belanghebbende dient dit verzoek derhalve te richten aan de burgerlijke rechter (vergl. HR 24 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50).
4.15
De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 11 maart 2024 (datum indiening en ontvangst bezwaar) en geëindigd op 12 juni 2026 (datum uitspraak Gerecht). De redelijke termijn van twee jaar is derhalve overschreden. Het Gerecht zal volstaan met het constateren dat de redelijke termijn is overschreden met naar boven afgerond vier maanden.
Slotsom
4.16
Doende wat de Inspecteur behoorde te doen zal het Gerecht het bezwaar gegrond verklaren.Het belastbaar inkomen en premie-inkomen dienen verminderd te worden naar respectievelijk NAf 181.755 en NAf 180.311.
5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
5.1
Belanghebbende heeft verzocht om een (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.
Kosten bezwaarfase
5.2
Ingevolge artikel 32a, lid 1 ALL worden, op verzoek van belanghebbende, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet ingevolge artikel 32a, lid 2 ALL worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in artikel 6.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht.
5.3
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De aanslagen zijn niet door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht opgelegd.
Kosten beroepsfase
5.4
Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.5
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.6
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.7
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg 700, wegingsfactor 1).
Griffierecht
5.8
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg 50 aan belanghebbende te vergoeden.
6DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;
verklaart het bezwaar gegrond;
vermindert het belastbaar inkomen voor het jaar 2019 naar NAf 181.755 en het premie-inkomen naar NAf 180.311;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Cg 1.400, en
draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 50 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 12 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500
Het verschil van € 0,11 kan niet worden verklaard.
Naar het Gerecht begrijpt het ‘bruto’ dividend van € 127.180,21 (netto dividend van € 108.310,66 + ingehouden coupon- en dividendbelasting € 18.869,55).
Omrekenkoers 1,9943.
Het brutoresultaat is de som van het ‘bruto’ dividend van € 127.180,21 plus het koersresultaat van € 1.680.455,28 = € 1.807.635,49.
Ingevolge artikel 14 van het Landsbesluit treedt het landsbesluit in werking met ingang van de dag na der datum van bekendmaking en geldt dit reeds voor de inkomstenbelasting voor alle jaren waarvoor de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat.
Het deel dat derhalve aftrekbaar is, omdat het ziet op de belaste inkomsten.
Omrekenkoers 1,9943.
Zie vorige voetnoot. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|