|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:1368 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | 25/35 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Mijnbouwschade. Afwijzing aanvragen om schadevergoeding voor fysieke schade met toepassing van een vaste vergoeding zoals is neergelegd in artikel 2.8 van de Procedure en werkwijze van het IMG. De rechtbank komt tot het oordeel dat de regeling betreffende de vaste vergoeding, anders dan eiser betoogt, niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/35, LEE 25/36, LEE 25/37, LEE 25/38, LEE 25/39, LEE 25/40, LEE 25/41, LEE 25/42, LEE 25/43, LEE 25/44, LEE 25/45, LEE 25/46, LEE 25/47, LEE 25/48, LEE 25/49, LEE 25/50, LEE 25/51, LEE 25/52, LEE 25/53, LEE 25/54, LEE 25/55, LEE 25/56, LEE 25/57, LEE 25/58, LEE 25/59, LEE 25/60, LEE 25/61, LEE 25/62, LEE 25/63, LEE 25/64, LEE 25/65, LEE 25/66, LEE 25/67, LEE 25/68, LEE 25/69, LEE 25/70, LEE 25/71 en LEE 25/72.
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Kwint-Ocelikova),
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mrs. B.C. Rots en B. van der Togt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van 38 aanvragen van eiser om de vaste vergoeding voor het afhandelen van fysieke schade. Eiser is het niet eens met de afwijzingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beleid van het Instituut over de behandeling van een aanvraag tot schadevergoeding in verband met fysieke schade met toepassing van een vaste vergoeding, zoals dit is neergelegd in artikel 2.8 van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 (de Procedure en werkwijze), niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft 38 aanvragen ingediend voor de vaste vergoeding voor het afhandelen van fysieke schade. Het Instituut heeft deze aanvragen afgewezen met de besluiten van 12 augustus 2024 (LEE 25/42 en LEE 25/43), 14 augustus 2024 (LEE 25/37 en LEE 25/39), 16 augustus 2024 (LEE 25/35), 28 augustus 2024 (LEE 25/72), 19 augustus 2024 (LEE 25/38, LEE 25/40 en LEE 25/41) en 4 september 2024 (LEE 25/36, LEE 25/44, LEE 25/45, LEE 25/46, LEE 25/47, LEE 25/48, LEE 25/49, LEE 25/50, LEE 25/51, LEE 25/52, LEE 25/53, LEE 25/54, LEE 25/55, LEE 25/56, LEE 25/57, LEE 25/58, LEE 25/59, LEE 25/60, LEE 25/61, LEE 25/62, LEE 25/63, LEE 25/64, LEE 25/65, LEE 25/66, LEE 25/67, LEE 25/68, LEE 25/69, LEE 25/70 en LEE 25/71).
2.1.
Met de bestreden besluiten van 30 oktober 2024 op de bezwaren van eiser is het Instituut bij de afwijzing van deze aanvragen gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het Instituut heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader toegelicht bij brieven van 19 en 21 augustus 2025.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 september 2025 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en B.G. Becker (voormalig gemachtigde). Namens het Instituut zijn verschenen mrs. B.C. Rots en B. van der Togt.
Beoordeling door de rechtbank
3. Met de bestreden besluiten heeft het Instituut 38 aanvragen van eiser om een vaste vergoeding voor de afhandeling van fysieke schade afgewezen, omdat eiser al drie keer gebruik gemaakt heeft van de vaste vergoeding. Niet in geschil is dat de aanvragen van eiser om deze reden op grond van de Procedure en werkwijze niet voor toewijzing in aanmerking komen. Eiser betoogt dat de door het Instituut toegepaste bepaling uit de Procedure en werkwijze in strijd is met het in artikel 1 van de Grondwet verankerde verbod op discriminatie en het (ongeschreven) gelijkheidsbeginsel (hierna: het gelijkheidsbeginsel).
3.1.
Eiseres heeft ter zitting het beroep met nummer LEE 25/34 ingetrokken. De rechtbank laat dit beroep daarom in deze uitspraak buiten bespreking.
De regeling vaste vergoeding
4. De Procedure en werkwijze bepaalt dat een aanvraag tot schadevergoeding in verband met fysieke schade wordt behandeld met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling, een vaste vergoeding, of door toekenning van een recht op daadwerkelijk herstel.
4.1.
Met de vaste vergoeding handelt het Instituut een aanvraag tot vergoeding van fysieke schade af door middel van het toekennen van een eenmalige vaste vergoeding van
€ 10.000,- of € 5.000,-. De regeling voor de vaste vergoeding voor de afhandeling van fysieke schade is neergelegd in artikel 2.8 tot en met 2.10 van de Procedure en werkwijze en vormt een uitzondering op het uitgangspunt dat aanvragen om fysieke schade door het Instituut worden afgehandeld met toepassing van de individuele maatwerk-beoordeling. In de toelichting op de Procedure en werkwijze is overwogen dat met de vaste vergoeding is beoogd relatief kleine schades op een snelle en kostenefficiënte manier af te handelen en daarmee particuliere eigenaren te ontlasten.
4.2.
De voorwaarden waaronder een vaste vergoeding voor de afhandeling van fysieke schade kan worden aangevraagd en toegekend zijn vastgelegd in artikel 2.8 en 2.8a van de Procedure en werkwijze. Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder f van de Procedure en werkwijze biedt het Instituut een aanvrager de mogelijkheid om een vaste vergoeding aan te vragen, indien de aanvrager nog geen drie keer van een vaste vergoeding (…) gebruik heeft gemaakt (…). Artikel 2.8, zesde lid, aanhef en onder b, bepaalt dat het Instituut een aanvraag van een vaste vergoeding afwijst indien de aanvrager (…) inmiddels al drie keer van een vaste vergoeding (…) gebruik heeft gemaakt (…).
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder f, van de Procedure en werkwijze waarin is bepaald dat maximaal drie keer gebruik gemaakt kan worden van de vaste vergoeding, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat deze bepaling particuliere eigenaren en beleggers met onroerende zaken in het effectgebied ongelijk behandelt zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Ter onderbouwing wijst eiser op een uitspraak. Hij stelt dat de beleidsregel primair onverbindend is en subsidiair buiten toepassing dient te worden verklaard.
5.1.
Partijen onderschrijven dat artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder f, van de Procedure en werkwijze een -indirect- onderscheid maakt tussen enerzijds professionele beleggers, niet zijnde rechtspersonen (hierna verder aan te duiden als: beleggers), en anderzijds particuliere eigenaren. De rechtbank overweegt dat uit de toelichting op dit artikel blijkt dat met het maximum van drie vaste vergoedingen is beoogd particuliere eigenaren te ontlasten en dat de vaste vergoeding niet is bedoeld om (professionele) beleggers te ontlasten. Daaruit volgt dat met het maximum van drie vergoedingen ook is beoogd een onderscheid tussen particuliere eigenaren en beleggers te maken door particulieren eigenaren, in tegenstelling tot beleggers, te ontlasten voor alle onroerende zaken die zij redelijkerwijs in eigendom hebben (gehad).
5.2.
De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of het onderscheid discriminerend is, en daarom in strijd komt met artikel 1 van de Grondwet -en het (ongeschreven) gelijkheidsbeginsel-, ten eerste van belang is of beleggers en particuliere eigenaren met het oog op de vaste vergoeding als gelijke gevallen zijn te beschouwen. Zo ja, is ten tweede van belang of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling. Indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt, komt een verschil in behandeling tussen gelijke gevallen neer op een door artikel 1 van de Grondwet verboden discriminatie.
5.3.
Omdat de toegepaste bepalingen uit de Procedure en werkwijze beleidsregels zijn zoals bedoeld in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan de rechtbank de toegepaste bepalingen exceptief toetsen aan het gelijkheidsbeginsel. Niet in geschil is dat de regeling vaste vergoeding is gebaseerd op de bevoegdheid van het Instituut om een procedure en werkwijze vast te stellen met een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt en dat de toegepaste bepalingen daarmee kwalificeren als binnenwettelijk beleid.
Is sprake van een onderscheid in gelijke gevallen?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat artikel 2.8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Procedure en werkwijze ten onrechte onderscheid maakt naar de hoedanigheid van de aanvrager van de vaste vergoeding. Beleggers bevinden zich volgens eiser met het oog op de vaste vergoeding in een gelijke situatie als particuliere eigenaren. Daartoe is volgens eiser van belang dat panden van beleggers en particuliere eigenaren in het effectgebied in gelijke mate fysieke schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten kunnen hebben opgelopen. Het herstel van die schade kost volgens eiser, ongeacht de hoedanigheid van de aanvrager, dezelfde inspanning, tijd en middelen. Daarbij is volgens eiser van belang dat schadeafhandeling niet behoort tot het dagelijkse takenpakket van een belegger. Deze afhandeling vereist ook voor de belegger gespecialiseerde bijstand en expertise. Ook wijst eiser erop dat een particuliere eigenaar die een onroerende zaak van hem in eigendom verkrijgt en die nog niet drie keer van de vaste vergoeding gebruik heeft gemaakt, voor de afhandeling van de fysieke schade aan deze onroerende zaak wel een vaste vergoeding krijgt toegekend.
6.1.
Het Instituut stelt dat het onderscheid tussen particuliere eigenaren en beleggers niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat beleggers en particuliere eigenaren van onroerende zaken met het oog op de vaste vergoeding geen gelijke gevallen zijn. Dit verschil volgt, aldus het Instituut, uit de hoedanigheden van deze eigenaren. Een belegger bezit vaak meerdere panden als zakelijke investering en deze panden worden professioneel beheerd met een zakelijke en meer afstandelijke houding. Een particuliere eigenaar daarentegen bezit doorgaans één woning, die hij zelf bewoont en waarmee hij een emotionele band heeft. Gelet hierop bestaat volgens het Instituut een verschil in schaal, doel, betrokkenheid, emotionele waarde en beheerwijze van onroerende zaken tussen een belegger en een particuliere eigenaar.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat particuliere eigenaren en beleggers met het oog op de vaste vergoeding geen gelijke gevallen zijn. Met de vaste vergoeding is beoogd om relatief kleine schades op een snelle en kostenefficiënte manier af te handelen en om particuliere eigenaren daarmee te ontlasten. Deze doelstelling geldt in mindere mate voor beleggers, omdat het vastgoed voor beleggers een bron van inkomsten is en het beheer daarvan onderdeel uitmaakt van dagelijkse werkzaamheden. Daarnaast is een belegger, anders dan een particuliere eigenaar, in de regel niet woonachtig in de onroerende zaken die hij in eigendom heeft. Het maximum van drie is gekozen omdat een eigenaar kan zijn verhuisd en/of een extra woning kan hebben. Het Instituut heeft deugdelijk gemotiveerd dat de verlichting die de vaste vergoeding biedt vooral bedoeld is voorparticuliere eigenaren, omdat beleggers daarbij minder belang hebben. Zij verhouden zich op andere wijze tot het vastgoed, bijvoorbeeld doordat zij zijn ingericht voor zakelijk beheer en administratie. Gelet hierop verhouden beleggers zich ten opzichte van particuliere eigenaren op relevante andere wijze tot de onroerende zaken waaraan fysieke schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten kan zijn opgetreden. Voorts is van belang dat beleggers voor de onroerende zaken een aanvraag om vergoeding van fysieke schade kunnen doen waarop door het Instituut met toepassing van de individuele maatwerkbeoordeling wordt beslist. Het niet meer dan drie keer in aanmerking komen voor de vaste vergoeding staat er om die reden niet in de weg aan een ruimhartige afhandeling van eventuele fysieke schade. Dat de individuele maatwerkbeoordeling voor panden van beleggers die al drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik hebben gemaakt ook meer capaciteit vergt van het Instituut, zoals eiser stelt, doet hier niet aan af.
6.3.
Het betoogt van eiser slaagt niet.
7. Omdat geen sprake is van gelijke gevallen, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de vraag of voor het onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
8. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het betoog van eiser dat een fundamenteel beginsel van aansprakelijkheidsrecht is geschonden door aan hem niet meer dan drie vaste vergoedingen toe te kennen geen doel treft. Daartoe is van belang dat eiser door middel van de individuele maatwerkprocedure een vergoeding van fysieke schade kan aanvragen voor de panden waarvoor de vaste vergoeding is afgewezen.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het Instituut de aanvragen van eiser terecht heeft afgewezen, omdat eiser al drie keer van een vaste vergoeding als bedoeld in artikel 2.8 van de Procedure en werkwijze gebruik heeft gemaakt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, voorzitter, en mr. M.R. Gans en mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr. D.A. Bekking, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Procedure en werkwijze
Artikel 2.8
1. Het Instituut kan de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade afhandelen door middel van het toekennen van een eenmalige vaste vergoeding van € 10.000, dan wel van € 5.000 indien het een object als bedoeld in artikel 2.8a betreft.
2. Het Instituut biedt een aanvrager de mogelijkheid om een vaste vergoeding aan te vragen, indien:
a. de aanvraag betrekking heeft op:
i. een volledig object, zijnde een onroerende zaak met een eigen kadastrale aanduiding met ten minste één adres als bedoeld in de BAG, en
ii. indien van toepassing, de aangrenzende onroerende zaken met een eigen kadastrale aanduiding die aanhorig zijn aan het object;
b. de aanvrager:
i. een natuurlijk persoon is die de eigendom heeft van het object en, indien van toepassing, de aanhorige onroerende zaak, tenzij die eigendom is belast met een beklemrecht, een recht van opstal of een recht van erfpacht; of
ii. een natuurlijk persoon is die het beklemrecht, het recht van opstal of het recht van erfpacht op het object en, indien van toepassing, op de aanhorige onroerende zaken, heeft;
c. de aanvraag is ingediend namens alle natuurlijke personen die recht hebben op de vergoeding, als dat meerdere personen zijn;
d. (i) zich op het adres van het object, sinds de bouw van ten minste één pand, als gevolg van een aardbeving uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, een trillingssnelheid heeft voorgedaan van ten minste 2 mm/s, te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%;
(ii) het object in een door het Instituut aangewezen gebied ligt waar schade kan zijn opgetreden als gevolg van indirecte effecten van diepe bodemdaling, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk; of
(iii) het object binnen zes kilometer van de grens van het Groningenveld of de gasopslag
Norg of de gasopslag bij Grijpskerk ligt, en een bouwjaar van 2012 of eerder heeft,
zoals opgenomen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen.
e. voor het gebouw niet eerder:
( i) schade is behandeld door de NAM, het CVW of de burgerlijke rechter, ongeacht de wijze waarop de schade is afgehandeld; of
(ii) een besluit op een aanvraag tot schadevergoeding is genomen door de TCMG of het Instituut; en
f. de aanvrager nog geen drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, of, indien de aanvraag wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, waarbij geldt dat bij de bepaling van dit maximum niet meetelt een aanvullende vaste vergoeding van € 5.000 voor een object waarvoor al de vaste vergoeding van € 5.000 is toegekend.
3. Als de aanvrager een vaste vergoeding aanvraagt, verzoekt het Instituut de aanvrager om alle schade aan het object op te nemen of te laten opnemen op de wijze zoals beschreven in artikel 2.9.
4. Als de aanvrager alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in artikel 2.9, en nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden uit het tweede lid, doet het Instituut de aanvrager een definitief aanbod om de schade door middel van een vaste vergoeding af te handelen. Onderdeel van het aanbod is het bepaalde met betrekking tot de finaliteit in artikel 2.10. Als de aanvrager het aanbod accepteert, komt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW tot stand.
5. Nadat de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het vierde lid tot stand is gekomen, neemt het Instituut een besluit op de aanvraag en keert het de vaste vergoeding uit.
6. Het Instituut doet geen definitief aanbod als bedoeld in het vierde lid en/of wijst een aanvraag van een vaste vergoeding af indien:
a. niet meer aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden is voldaan;
b. de aanvrager of één van de gezamenlijke aanvragers inmiddels al drie keer van een vaste vergoeding of daadwerkelijk herstel gebruik heeft gemaakt, waarbij geldt dat bij de bepaling van dit maximum niet meetelt een aanvullende vaste vergoeding van € 5.000 voor een object waarvoor al de vaste vergoeding van € 5.000 is toegekend;
c. op 14 december 2023 of later de keuze voor een vaste vergoeding is aangeboden en niet voor een vaste vergoeding is gekozen, tenzij de aanvrager voor de opname van de schade alsnog aangeeft in aanmerking te willen komen voor de vaste vergoeding;
d. de aanvrager niet alle schade aan het object heeft opgenomen of heeft laten opnemen op de wijze zoals beschreven in artikel 2.9;
e. uit de opname als bedoeld in artikel 2.9 niet blijkt van schade die naar zijn aard kan zijn ontstaan of verergerd als gevolg van mijnbouwactiviteiten;
f. de aanvrager het definitieve aanbod als bedoeld in het vierde lid, niet heeft aanvaard; of
f. het vermoedt dat er sprake is van fraude of misbruik.
7. Het zesde lid, aanhef en onderdeel c, is niet van toepassing op aanvragen die zijn ingediend tot en met 8 januari 2024, en waarop het Instituut nog geen beslissing heeft genomen. De vorige volzin geldt niet indien het een object betreft als bedoeld in artikel 2.8a.
Zoals bedoeld in artikel 2.8 van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022 (de Procedure en werkwijze).
Zie artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder f, van de Procedure en werkwijze.
Zie artikel 2.1 van de Procedure en werkwijze.
Stcrt. 2022, 18235. Zie ook de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 6 oktober 2023 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 33 529, nr. 1175).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
Zie artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|