|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:6948 | | | | | Datum uitspraak | : | 26-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | FT RK 25/1892 | | Rechtsgebied | : | Insolventierecht | | Indicatie | : | Wsnp toegewezen. Toepassing van de hardheidsclausule. Verzoek eerdere ingangsdatum afgewezen. | | Trefwoorden | : | inkomstenbelasting | | | zorgtoeslag | | Wetreferenties | : | Faillissementswet 284
| | | | Uitspraak | Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 26 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 15 januari 2025. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1De procedure
1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 18 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker],
- [naam], dochter van [verzoeker],
- mevrouw L. Middelburg, de heer G. de Jong en mevrouw A. Zoughagh,
schuldhulpverleners van de gemeente Rotterdam,
- mevrouw C.A. van den Broek, beschermingsbewindvoerder.
2De beoordeling
De toelating
2.1.
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan de Belastingdienst en Hef Wonen die binnen de driejaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald gelaten.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat zij een overzicht van de schuld bij de Belastingdienst heeft opgevraagd. Dit overzicht heeft zij echter niet ontvangen. [verzoeker] heeft ter zitting te kennen gegeven dat de stukken inzake de schuld aan de Belastingdienst tijdens zijn verhuizing zijn weggegooid door derden, waardoor hij hier ook geen inzicht in heeft. Volgens de beschermingsbewindvoerder zou de vordering betrekking hebben op te laat gedane aangiften inkomstenbelasting. Omdat een overzicht van de vorderingen van de Belastingdienst ontbreekt, kan de rechtbank niet controleren wanneer en waardoor de vorderingen zijn ontstaan en waar deze vorderingen op zien.
De schuld aan Hef Wonen is ontstaan doordat de zus van een goede vriendin een periode bij [verzoeker] heeft ingewoond. Zij heeft aan Hef Wonen verklaard daarvoor huur aan [verzoeker] te hebben betaald, waardoor [verzoeker] is ontruimd vanwege het feit dat hij zijn woning zou hebben onderverhuurd. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij altijd zelf de huur heeft betaald en dat hij is opgelicht.
Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.3.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. [verzoeker] staat sinds 25 juni 2024 onder beschermingsbewind. Sindsdien is de financiële situatie van [verzoeker] stabiel.
2.4.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. [verzoeker] wil graag van zijn schulden af. Hij heeft ter zitting blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding.
2.5.
[verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.7.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.8.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.9.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.10.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.11.
De rechtbank stelt vast dat door [verzoeker] is verzocht om een eerdere ingangsdatum vanaf 15 januari 2025 (datum saldoverzoek). Dit is gebaseerd op het ontbreken van afloscapaciteit. Ter zitting is vastgesteld dat dit niet juist is, omdat in de vtlb-berekening ten onrechte niet de toeslagen (huurtoeslag en zorgtoeslag) zijn opgenomen. Daarnaast heeft de beschermingsbewindvoerder ter zitting verklaard dat [verzoeker] maandelijks spaart. [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld om na de zitting aanvullende stukken toe te sturen met betrekking tot het verzoek voor de eerdere ingangsdatum. Deze stukken zijn niet ontvangen. Er is geen vtlb-berekening per januari 2025, gewijzigde vtlb-berekening per juli 2025 en vtlb-berekening per januari 2026 overgelegd met onderliggende stukken. Ook is geen overzicht overgelegd waaruit blijkt welke bedragen maandelijks zijn gespaard ten behoeve van de schuldeisers. De rechtbank kan om die reden niet vaststellen of in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan de afdrachtverplichting is voldaan.
2.12.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
3.1.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
3.6.
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum]-1954 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder mr. W.P. Groenendijk,
gevestigd te [postadres]
;
stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 26 februari 2026 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 26 augustus 2027;
draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, in samenwerking met mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|