Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:3692 
 
Datum uitspraak:14-04-2026
Datum gepubliceerd:17-06-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:784359
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Het enkele feit dat de last onder dwangsom (zowel als het invorderingsbesluit, de aanmaning en het - door de deurwaarder openbaar betekende - dwangbevel) niet aan het BRP adres van eiser is (zijn) geadresseerd, leidt niet tot het voorlopig oordeel dat sprake is van een kennelijke misslag waardoor de gemeente misbruik van haar executiebevoegdheid maakt.
Trefwoorden:rijksmonument
 
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/784359 / KG ZA 26-155 KB/GR


Vonnis in kort geding van 14 april 2026


in de zaak van



[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. H.J.M. van Schie,

tegen


DE GEMEENTE WORMERLAND,
te Wormer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. J.P. Groen.





1De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 30 maart 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. De gemeente heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

[eiser] met mr. Van Schie,
de gemeente werd vertegenwoordigd door mevrouw mr. J.E. Hamann met mr. Groen.
Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.




2De feiten


2.1.

[eiser] is een ervaren (vastgoed)ondernemer.



2.2.
Op 22 december 2022 heeft [eiser] het pand aan [adres 1] verworven met de intentie dat te renoveren. Het pand betreft een oude kaasboerderij met een monumentale status (hierna: het rijksmonument).



2.3.
Op 23 december 2022 heeft [eiser] het rijksmonument verkocht en ondergebracht in de besloten vennootschap [bedrijf] B.V., gevestigd aan [adres 2] (hierna: [bedrijf] ), waarvan hij (via zijn holdingvennootschap; eveneens gevestigd aan [adres 2] ) indirect bestuurder was.


2.4.
Vanwege de staat van het rijksmonument heeft de gemeente [bedrijf] bij brief van 24 april 2024 een last onder dwangsom opgelegd. Deze last zag er op het dak van het rijksmonument wind- en waterdicht te maken en te houden. In de brief werd vermeld dat indien [bedrijf] de geconstateerde overtreding niet binnen zes weken zou beëindigen aan haar een dwangsom zou worden opgelegd van € 20.000 ineens. Bij brief van 24 januari 2025 heeft de gemeente aan [bedrijf] laten weten dat zij deze dwangsom had verbeurd. De dwangsom is door [bedrijf] betaald.



2.5.
Bij brief van 8 juli 2025 heeft de gemeente aan [bedrijf] en aan [eiser] persoonlijk deze last nogmaals opgelegd, zij het onder een dwangsom van € 80.000 (hierna: dwangsom I). Bij brief van 7 oktober 2025 heeft de gemeente laten weten dat [eiser] dwangsom I had verbeurd (hierna: het invorderingsbesluit).



2.6.
De besluiten van 8 juli en 7 oktober 2025 zijn aan het adres van [bedrijf] ( [adres 2] ) verstuurd. [bedrijf] noch [eiser] zijn tegen deze besluiten in bezwaar gegaan.



2.7.
Bij brief van 7 februari 2025 heeft de gemeente aan [bedrijf] en aan [eiser] een gecombineerde last onder dwangsom opgelegd ter grootte van € 162.000. De bedoeling daarvan was dat het herstel van de dakbedekking en kap- en gebintconstructie, de ondersteuningsmaatregelen voor de vloerconstructie en de ontkoppeling of keuring van de elektrische installatie ter hand zouden worden genomen (hierna: dwangsom II). Daarbij valt te lezen:

Ons besluit geldt ook tijdens de bezwaarprocedure. Als u wilt dat het besluit niet meteen ingaat, dan kunt u om een voorlopige voorziening vragen bij de rechtbank. De voorzieningenrechter geeft dan een voorlopige beslissing om een bepaalde handeling uit te stellen of juist door te laten gaan. Dit kan alleen indien u al een bezwaarschrift heeft ingediend. De voorlopige voorziening dient u aan te vragen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland.

Rechtbank Noord-Holland
De Voorzieningenrechter van de sector Bestuursrecht
Postbus 1621
2003 BR Haarlem



2.8.
Tegen dwangsom II heeft [eiser] op 17 augustus 2025, na het doorlopen van de gemeentelijke bezwaarfase (met een beslissing op bezwaar van 8 juli 2025), beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Noord-Holland. De mondelinge behandeling van dat beroep staat gepland op 3 juni 2026.



2.9.
Bij brief van 7 oktober 2025 heeft de gemeente laten weten dat [eiser] dwangsom II had verbeurd.



2.10.
Medio oktober 2025 heeft [bedrijf] het rijksmonument verkocht aan derden. Op 7 november 2025 is het rijksmonument notarieel geleverd.



2.11.
Op 23 december 2025 is [bedrijf] ontbonden.


2.12.
Na aanmaningen op 8 december 2025 heeft de gemeente op 20 januari 2026 dwangbevelen ten aanzien van dwangsom I en dwangsom II (hierna: dwangbevel 1 en dwangbevel II) aan zowel [bedrijf] als [eiser] in privé naar [adres 2] verstuurd.



2.13.
De dwangbevelen bestemd voor [eiser] in persoon zijn op 4 februari 2026 openbaar betekend. De dienstdoende deurwaarder heeft in dat kader het volgende verklaard:

Ten tijde van de betekening van het dwangbevel ten laste van de heer [eiser] , op 26 januari 2026, heeft de gerechtsdeurwaarder moeten constateren dat de woning aan [adres 3] leeg stond. Nu de gerechtsdeurwaarder niet de overtuiging had dat het exploot de heer [eiser] zou bereiken, was het niet mogelijk het exploot op dat adres achter te laten en restte enkel een openbare betekening.



2.14.
De gemeente heeft ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de besloten vennootschap Yoursafe B.V. Dat betreft een beslag op de ‘managementfee’ die [eiser] uit hoofde van zijn werkzaamheden toekomt.



2.15.

[eiser] heeft de gemeente gesommeerd de tegen hem ingezette executie te staken.



2.16.
De gemeente heeft daaraan niet voldaan.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert – samengevat – de gemeente te bevelen de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen van 20 januari 2026 te schorsen totdat onherroepelijk is beslist op de ingestelde bestuursrechtelijke rechtsmiddelen; ook vordert [eiser] een bevel voor de gemeente om dwangsom I en het invorderingsbesluit binnen zeven dagen na dit vonnis aan hem bekend maken door toezending daarvan aan zijn woonadres aan [adres 3] . Daarnaast dient de gemeente het op 11 februari 2026 gelegde executoriale derdenbeslag onder Yoursafe B.V. op te heffen en dit ook aan Yoursafe B.V. te berichten. Dit alles versterkt met een dwangsom en een proceskostenveroordeling.



3.2.

[eiser] legt hieraan ten grondslag dat de gemeente, door thans (al) over te gaan tot (maximale) executiemaatregelen jegens hem in persoon, misbruik maakt van haar executiebevoegdheid; ten eerste omdat dwangsom I nooit aan hem bekend is gemaakt (en dus nooit in werking is getreden) en ten tweede omdat de beroepsprocedure aangaande dwangsom II nog loopt.



3.3.
De gemeente voert verweer.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
In kort geding gaat het om een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en
wat is toegelicht op de mondelinge behandeling. De gevraagde voorziening kan worden verleend als voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter die zal toewijzen. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van
partijen.

ontvankelijkheid



4.2.
Voor zover [eiser] zijn vorderingen op de onrechtmatige tenuitvoerlegging van dwangbevel II baseert, dient [eiser] in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daargelaten de mededeling van de gemeente dat [eiser] een voorlopige voorziening bij de “Voorzieningenrechter van de sector Bestuursrecht” dient aan te vragen (zie 2.7), is daarvoor redengevend dat [eiser] niet heeft gesteld dat een ‘bestuursrechtelijk kortgeding’ hem onvoldoende rechtsbescherming biedt. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser] met betrekking tot dwangsom II de bezwaarfase bij de gemeente heeft doorlopen en ook al een bodemprocedure bij de bestuursrechter aanhangig heeft gemaakt. Daarmee voldoet [eiser] aan het zogeheten, bestuursrechtelijke ‘connexiteitsvereiste’. Bovendien wordt relevant geacht dat [eiser] , blijkens de dagvaarding, in het kader van de lopende beroepsprocedure (dwangsom II) een beroep op artikel 3:4 lid 2 Awb en jurisprudentie van de Raad van State doet en daarmee zelf kennelijk ook een bestuursrechtelijke toets van de door hem bestreden executiemaatregelen voorstaat.



4.3.
Omdat [eiser] ten aanzien van dwangsom I niet zonder meer een ingang bij de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht heeft (vgl. 4.2) en de voorzieningenrechter constateert dat de gemeente dwangsom I en II gecombineerd aan de executiemaatregelen ten grondslag legt, is [eiser] niettemin ontvankelijk in zijn vorderingen.


artikel 3:13 BW



4.4.

[eiser] beroept zich (ten aanzien van dwangsom I) op vaste rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt dat de executie kan worden geschorst indien de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid heeft om in afwachting van de uitslag van het (hoger) beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan, waardoor sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW.


procedurele misslag



4.5.
Het enkele feit dat dwangsom I (zowel als het invorderingsbesluit, de aanmaning en het dwangbevel) aan [adres 2] – en dus niet aan het BRP adres van [eiser] – is (zijn) geadresseerd, leidt niet tot het voorlopig oordeel dat sprake is van een kennelijke misslag waardoor de gemeente misbruik van haar executiebevoegdheid maakt. [eiser] heeft in zijn bezwaar- en beroepschrift van 19 maart respectievelijk 17 augustus 2025 zelf woonplaats gekozen aan [adres 2] . Dat de gemeente verder ook geen reden had om aan te nemen dat haar brieven [eiser] daar niet zouden bereiken blijkt onder meer uit de omstandigheid dat dwangsom II eveneens naar [adres 2] werd verstuurd en [eiser] daartegen wel bezwaar en – na beslissing op bezwaar – beroep heeft aangetekend. Bovendien zijn alle andere bedrijven van [eiser] ook op dat adres gevestigd, aldus [eiser] ter zitting, en zijn de dwangbevelen rechtsgeldig betekend. De deurwaarder heeft vastgesteld dat het adres [adres 3] leeg stond en dat hij niet de overtuiging had dat het exploot [eiser] daar zou bereiken. Van een kennelijke misslag is dus geen sprake.



4.6.

[eiser] heeft voorts niet gesteld waarom onverwijlde tenuitvoerlegging een noodtoestand aan zijn zijde doet ontstaan. Hij heeft volstaan met de verder niet onderbouwde stelling dat “executie vóórdat de bestuursrechtelijke procedures zijn doorlopen tot een situatie [leidt] waarin [eiser] financieel wordt ‘uitgeschakeld’, terwijl er twijfels zijn over de rechtmatigheid van de gemeentelijke inzet tegen [eiser] in privé.” [eiser] is naar eigen zeggen echter een succesvol internationaal ondernemer, die zich via zijn vennootschappen bezighoudt met onder meer projectontwikkeling en financiële dienstverlening. Zijn concern bestaat uit tientallen vennootschappen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volgt uit enkel de hoogte van de dwangsommen niet waarom executie tot een noodtoestand zal leiden.



4.7.
De overige verweren van de gemeente behoeven bij deze stand van zaken geen nadere bespreking.



4.8.

[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:









- griffierecht





735,00







- salaris advocaat





1.177,00







- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





2.101,00














5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.









Coll: MV



Vgl. HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:560, r.o. 3.2.


Artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb).


HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 ([naam 1] / [naam 2]), r.o. 3.2.


Vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (Strandhotel), r.o. 5.7.2.
Link naar deze uitspraak