|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2025:16030 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 17-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | 23/5385 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Omzetbelasting. Belanghebbende claimt aftrek van voorbelasting ter zake van de verhuur van een gedeelte van een onroerende zaak. Verweerder weigert die en legt aan belanghebbende een naheffingsaanslag die betrekking heeft op aansluitverschillen. De rechtbank oordeelt dat de aftrek van voorbelasting terecht is geweigerd omdat de desbetreffende huurovereenkomst niet aan de daarvoor gestelde eisen voldoet. Aangaande de naheffing ter zake van de aansluitverschillen oordeelt de rechtbank dat belanghebbende het tegendeel niet aannemelijk maakt. Beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | huurovereenkomst | | | huurovereenkomsten | | | inkomstenbelasting | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | wet op de omzetbelasting | | | | Uitspraak | Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 23/5385 en HAA 23/5386
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2025 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
HAA 23/5385 (naheffingsaanslag OB 2017)
Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 (hierna: de naheffingsaanslag OB 2017). Tevens heeft verweerder bij beschikkingen een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag OB 2017 en de beschikking belastingrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd.
HAA 23/5386 (naheffingsaanslag OB 2018)
Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (hierna: de naheffingsaanslag OB 2018). Tevens heeft verweerder bij beschikkingen een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag OB 2018 gehandhaafd, de beschikking belastingrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd.
Beide zaken
Eiser heeft beroepen ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2025.
Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , [naam 3] , mr. [naam 4] , mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en mr. [naam 7] .
De beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers HAA 23/5388, HAA 23/5389, HAA 23/5390 en HAA 23/5391. Deze zaken betreffen (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en gelijktijdig afgegeven beschikkingen. De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak.
De beroepen zijn eveneens gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer HAA 23/5392 (betreffende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor het jaar 2018). De rechtbank heeft in deze zaak de zitting geschorst teneinde de zaak gelijktijdig te behandelen met de in bezwaar aangehouden procedure inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2018.
Overwegingen
Feiten
Beide zaken
1. Eiser exploiteert een advocatenpraktijk.
2. Sinds 1 januari 2016 huurt eiser van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) bedrijfsruimte op de eerste, tweede en derde etage, inclusief het gebruik van de gemeenschappelijke ruimte op de begane grond, van een pand aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het pand). Het totaal gehuurde vloeroppervlak bedraagt (circa) 238m².
3. In de huurovereenkomst tussen [bedrijf] en eiser is – voor zover relevant – het volgende overeengekomen:
‘Huurprijs, omzetbelasting (…)
4.1
De aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt op de ingangsdatum op jaarbasis
€ 42.000,- exclusief BTW en servicekosten.
(…)
4.2
Partijen komen overeen dat Verhuurder wel omzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt. Indien géén met omzetbelasting belaste verhuur wordt overeengekomen is Huurder naast de huurprijs een afzonderlijke vergoeding aan Verhuurder verschuldigd, ter compensatie van het nadeel dat Verhuurder c.q. diens rechtsopvolger(s) lijdt dan wel zal lijden, omdat de omzetbelasting op de investeringen en exploitatiekosten van Verhuurder niet (meer) aftrekbaar is. (…)
4.3
Partijen verklaren onder verwijzing naar artikel 11 lid 1 aanhef onder b onderdeel 5 van de Wet op de omzetbelasting 1968 een met omzetbelasting belaste verhuur te zijn overeengekomen. Tevens wordt omzetbelasting in rekening gebracht over de vergoeding die Huurder verschuldigd is voor door of vanwege Verhuurder te verzorgen levering van zaken en diensten, zoals vastgelegd (…). Huurder verklaart door ondertekening van deze huurovereenkomst, mede ten behoeve van de rechtsopvolger(s) van Verhuurder, dat hij het gehuurde blijvend gebruikt of blijvend laat gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bestaat.
(…)’
4. De eerste en (een gedeelte van) de tweede etage van het pand is bij eiser in gebruik.
5. Per 1 mei 2016 verhuurt eiser aan [naam 8] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 875 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
‘(…)
(…) omzetbelasting, (…)
(…)
4.2
Partijen komen overeen dat verhuurder geen omzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.
(…)
4.8
Per betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:
- de huurprijs € 875,00
- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of
- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege
verhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief
€ 875,00
(…)’
6. Per 13 februari 2017 verhuurt eiser aan [naam 9] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 1.200 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
‘(…)
(…) omzetbelasting, (…)
(…)
4.2
Partijen komen overeen dat verhuurder geen omzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.
(…)
4.6
Per betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:
- de huurprijs € 1.200,00
- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of
- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege
verhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief
€ 1.200,00
(…)’
7. Per 1 mei 2017 verhuurt eiser aan [naam 10] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 1.125 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
‘(…)
(…) omzetbelasting, (…)
(…)
4.2
Partijen komen overeen dat onderverhuurder geen omzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.
(…)
4.6
Per betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:
- de huurprijs € 1.125,00
- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of
- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege
onderverhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief
€ 1.125,00
(…)’
8. In een e-mailbericht van 14 maart 2022 stuurt eiser naar verweerder:
‘(…)
Per 1 juli 2017 zijn de huurders dus belast met 21% btw over het gehuurde, echter met uitzondering van onderstaande huurder.
(…)
Aan: [naam 10] (…)
(…)
Gelet op het feit dat mijn nieuwe accountant heeft gesteld, dat ik de kamers welke ik thans aan advocaten binnen dit pand (onder)verhuur, toch dien te belasten met 21% omzetbelasting, heb ik jou dit gemeld en voorgesteld om dit per omgaande te effectueren.
(…)’
9. In een e-mailbericht van 16 maart 2022 stuurt eiser naar verweerder:
‘(…)
De huurovereenkomst met [naam 8] [naam 11] is onvindbaar. Sluit als bewijs de e-mail aan [naam 8] [naam 11] van 22 juni 2017, waarin ik de BTW verhoging aankondig.
(…)
Aan: [naam 11] (…)
(…)
Ik ben sinds kort overgestapt naar een ander accountantskantoor (…).
De accountant heeft aangegeven, dat ik toch bovenop de huur, de btw dien door berekenen. Het blijkt dat alleen beroepsgroepen die zelf zijn vrijgesteld van btw (arts, psycholoog, etc.) btw-vrij kunnen huren.
Uiteraard kun je de door jou betaalde btw, verrekenen met je overige btw verplichtingen.
(…)’
Het boekenonderzoek
10. Bij brief met dagtekening 23 februari 2021 is een boekenonderzoek aangekondigd bij eiser. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 alsmede de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.
11. Bij brief met dagtekening 6 april 2021 is het boekenonderzoek uitgebreid naar de jaren/tijdvakken 2016 tot en met 2018.
12. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 24 oktober 2022. In het rapport zijn, voor zover van belang, de volgende passages opgenomen:
‘(…)
5.2
Omzetbelasting
(…) 2017 2018
Verschuldigd volgens administratie 35.453 31.005
Correctie omzetbelasting kort verhu 813 1.722
Correctie voorbelasting 10.086 9.245
Per saldo verschuldigd 46.352 41.972
Voorbelasting volgens administratie 20.537 20.939
Per saldo af te dragen 25.815 21.033
Afgedragen op aangifte
Verschil 25.815 21.033
(…)’
Naheffingsaanslag OB 2017
13. Met dagtekening 20 juli 2022 heeft verweerder aan eiser de naheffingsaanslag OB 2017 opgelegd ter hoogte van € 17.957. De beschikking belastingrente bedraagt € 3.059 en de boetebeschikking bedraagt € 4.489. De nageheven omzetbelasting bestaat onder meer uit een bedrag van € 7.057 (correctie voor een aansluitverschil) en een bedrag van € 10.086 (correctie aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand).
14. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2023 de naheffingsaanslag OB 2017 en de beschikking belastingrente verminderd tot een bedrag van respectievelijk € 17.700 en € 2.989. De correcties voor het aansluitverschil en de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand heeft verweerder in stand gelaten. Verweerder heeft de vergrijpboete vernietigd.
Naheffingsaanslag OB 2018
15. Met dagtekening 20 juli 2022 heeft verweerder aan eiser de naheffingsaanslag OB 2018 opgelegd ter hoogte van € 17.563. De beschikking belastingrente bedraagt € 2.289 en de boetebeschikking bedraagt € 4.390. De nageheven omzetbelasting bestaat onder meer uit een bedrag van € 8.349 (correctie voor een aansluitverschil) en een bedrag van € 9.245 (correctie aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand).
16. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2023 de naheffingsaanslag OB 2018 gehandhaafd en de beschikking belastingrente verminderd tot € 2.264. De correcties voor het aansluitverschil en de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand heeft verweerder in stand gelaten. Verweerder heeft de vergrijpboete vernietigd.
Beroepsfase
17. Tot de gedingstukken behoren documenten genaamd ‘Aansluitverschil 2017 grootboekrekening 195010’, ‘Aansluitverschil 2017 / grootboek 195310’, ‘Aansluitverschil 2017 / grootboek 195320’, ‘Aansluitverschil 2018 / grootboekrekening 195010’, ‘Aansluitverschil 2018 / grootboekrekening 195310’ en ‘Aansluitberekening 2018 / grootboekrekening 195320’.
Geschil
18. In geschil is of de naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of:
- verweerder terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting heeft nageheven in verband met de correctie voor het aansluitverschil, en
- verweerder terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting heeft nageheven in verband met de correctie in de aftrek van voorbelasting.
19. Verder is in geschil of algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.
20. Op de zitting heeft eiser het beroep in de zaak met nummer HAA 23/5384 (betreffende een naheffingsaanslag omzetbelasting met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016) ingetrokken.
Beoordeling van het geschil
Aansluitverschillen
21. De naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 bestaan onder meer uit correcties vanwege door verweerder gestelde aansluitverschillen tussen de verschuldigde omzetbelasting volgens de eigen administratie van eiser en de op aangifte/suppletie verantwoorde bedragen. Volgens verweerder bestaat het te corrigeren aansluitverschil voor het jaar 2017 uit een bedrag van € 7.057 en voor het jaar 2018 uit een bedrag van € 8.349.
22. Eiser heeft slechts gesteld dat de correcte aangiftes zijn ingediend en dat hij tijdens de zitting hier uitvoerig op zal terugkomen. Tijdens de zitting heeft eiser zijn betoog over de (door verweerder gestelde) aansluitverschillen niet nader toegelicht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding niet uit te gaan van wat over de aansluitverschillen is vermeld in het controlerapport (zie onder12) en hetgeen verweerder daarover verder heeft gesteld en overgelegd (zie onder meer onder 17). Dit betekent dat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, de correcties aannemelijk heeft gemaakt. Een door eiser overgelegde beschrijving van vergoedingen verstrekt door de Raad voor Rechtsbijstand (door eiser overgelegd als ‘productie 14’) en een overzicht met gegevens over omzet(belasting) voor het aangiftetijdvak december 2016 (door eiser overgelegd als ‘productie 19’), leidt niet tot een ander oordeel omdat deze stukken evenmin specifieke argumenten tegen de correcties bevatten.
Aftrek van voorbelasting pand
23. Eiser stelt zich op het standpunt dat de correcties die zijn doorgevoerd in de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand, onjuist zijn. In het beroepschrift (zijnde de motivering van het bezwaarschrift dat als herhaald moet worden beschouwd) en het nader stuk van eiser is daartoe de volgende grief te vinden: ten aanzien van de (onder)verhuur aan [naam 11] , [naam 8] en [naam 9] (hierna tezamen: de onderhuurders) is sprake van belaste verhuur, als gevolg waarvan eiser het pand gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat en dus terecht is gekozen voor belaste verhuur in de huurverhouding met [bedrijf] .
24. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de correcties in de aftrek van voorbelasting terecht zijn gemaakt.
25. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de bewijslast rust voor het recht op aftrek van voorbelasting. Dat wil zeggen, voor zover verweerder zich op standpunt stelt dat hij niet aan de voorwaarden voor het recht op aftrek voldoet, is het aan eiser feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit volgt dat hij wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op aftrek. Nu het in de onderhavige situatie gaat om de (onder)verhuur van een onroerende zaak (het pand), is het in het bijzonder van belang of in de huurverhouding tussen eiser (als huurder) en [bedrijf] (als verhuurder) omzetbelasting in rekening had mogen worden gebracht (belaste verhuur). Indien in de laatstgenoemde huurverhouding ten onrechte omzetbelasting aan eiser in rekening is gebracht, bestaat geen recht op aftrek.
26. Voor het antwoord op de vraag of omzetbelasting in rekening gebracht had mogen worden aan eiser (als huurder), is bepalend of eiser het pand gebruikt voor prestaties waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Dit betekent dat eiser het pand voor ten minste 90% moet gebruiken voor belaste prestaties.
27. Vast staat dat het totaal door eiser gehuurde vloeroppervlak (circa) 238m² bedraagt. Volgens eiser verhuurt hij 47,42m² door aan de onderhuurders. Dit komt neer op een percentage van (bijna) 20%. Verweerder heeft het aantal verhuurde vierkante meters aan de onderhuurders bestreden bij gebrek aan onderbouwing door eiser. Nu het door eiser gestelde percentage van (bijna) 20% dusdanig meer is dan 10%, gaat de rechtbank in de volgende overwegingen uit van de situatie dat eiser in ieder geval meer dan 10% van het pand (onder)verhuurt aan de onderhuurders. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de beantwoording van de vraag of de verhuur aan de onderhuurders belast of vrijgesteld is.
28. De rechtbank stelt voorop dat van belaste verhuur sprake is indien de onroerende zaak wordt verhuurd aan personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg geheel recht op aftrek van de belasting bestaat (artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel b, aanhef, onder 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968, hierna: Wet OB). De voorwaarde daarbij is dat de verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke huurovereenkomst daarvoor (belaste verhuur) hebben gekozen of een gezamenlijk verzoek daartoe hebben gedaan bij de inspecteur. De bewijslast dat sprake is van belast gebruik van de verhuurde delen van het pand en dat (terecht) is gekozen voor belaste verhuur rust eveneens op eiser.
29. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde huurovereenkomsten (zie onder 5 tot en met 7) volgt dat partijen zijn overeengekomen dat geen omzetbelasting over de huurprijs in rekening wordt gebracht. De huurovereenkomst met [naam 11] is niet door eiser overgelegd (zie onder 9). De enkele verwijzing van eiser naar de onder 8 en 9 opgenomen e-mailberichten is onvoldoende om te kunnen concluderen dat uit de schriftelijke huurovereenkomsten volgt dat partijen(per 1 juli 2017) voor belaste verhuur hebben gekozen. Ook anderszins volgt niet uit de gedingstukken dat eiser en onderhuurders voor belaste verhuur hebben gekozen. Bovendien is geen informatie voorhanden waaruit volgt dat partijen een gezamenlijk verzoek voor belaste verhuur hebben gedaan bij verweerder.
30. Als gevolg van het hiervoor vermelde en overwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet geslaagd is aannemelijk te maken dat is gekozen voor belaste verhuur in de huurverhouding met de onderhuurders. Reeds daarom is de verhuur door eiser aan de onderhuurders vrijgesteld van omzetbelasting op basis van artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van de Wet OB.
31. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat eiser (als huurder) het pand van [bedrijf] (als verhuurder) niet kon huren met een optie belaste verhuur omdat hij het pand niet gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. [bedrijf] heeft derhalve ten onrechte omzetbelasting aan eiser in rekening heeft gebracht.
32. Het hiervoor overwogene heeft tot gevolg dat eiser op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wet OB geen recht heeft op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting door [bedrijf] . Het gelijk is aan verweerder.
33. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij recht heeft op een gedeeltelijke aftrek van voorbelasting overeenkomstig het (werkelijk) gebruik van het pand, dit standpunt niet slaagt. Nu in de huurverhouding met [bedrijf] ten onrechte omzetbelasting in rekening is gebracht, komt het gehele bedrag aan voorbelasting niet voor aftrek in aanmerking.
Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
34. Eiser heeft betoogd dat tijdens een kantoorbezoek op 3 februari 2022 een bedreiging door een controleambtenaar zou hebben plaatsgevonden. Op de zitting heeft eiser zijn betoog aangevuld met de klacht dat hij de aanleiding van het boekenonderzoek niet vertrouwt. Eiser zou zich gedurende meerdere jaren in het openbaar negatief hebben uitgelaten over verweerder en/of Dienst Toeslagen. Bij eiser bestaat het vermoeden dat de negatieve uitlatingen aanleiding zijn geweest voor het boekenonderzoek.
35. Wat betreft de gestelde bedreiging op het kantoor van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Eiser en [naam 1] hebben tijdens de zitting een nadere toelichting gegeven op het handelen van de controleambtenaar tijdens het boekenonderzoek. Uit diens verklaringen valt af te leiden dat onenigheid bestond over het samenvoegen van twee administraties. Eiser zou hebben gezegd dat een afspraak bestond over de aftrekbaarheid van loonkosten (relevant voor de inkomstenbelasting), waarna de controleambtenaar gezegd zou hebben dat een dergelijke afspraak niet bestond.
36. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiser en [naam 1] beschreven ervaringen niet dat de gedragingen van de controleambtenaar van zodanige aard waren, dat deze (voor zover al relevant voor de onderhavige zaken betreffende omzetbelasting) in de weg staan aan het opleggen van de naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 met als basis het controlerapport. Dat eiser het hiervoor beschreven gesprek over een afspraak die al dan niet zou zijn gemaakt als onredelijk en intimiderend heeft ervaren, maakt dit niet anders. Van bedreiging is geenszins sprake.
37. De aanname van eiser dat verweerder het boekenonderzoek is gestart omdat eiser zich negatief zou hebben uitgelaten over verweerder en/of Dienst Toeslagen, is – tegenover de betwisting door verweerder – niet aannemelijk geworden.
38. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het door eiser in beroep overgelegde bezwaarschrift (dat als herhaald moet worden beschouwd) gronden bevat inhoudende dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden. Nu deze gestelde schendingen niet of nauwelijks zijn toegespitst op de huidige stand van het geding, en dus onvoldoende zijn onderbouwd, gaat de rechtbank hier aan voorbij.
Beschikkingen belastingrente
39. Nu de naheffingsaanslagen niet worden verminderd, worden de bijbehorende beschikkingen belastingrente ook niet verminderd. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen belastingrente aangevoerd.
Slotsom
40. De slotsom luidt dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.
Proceskosten
41. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|