|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2026:1357 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-06-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 24/1558 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht
Geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht die nopen tot afwijken van de forfaitaire proceskostenvergoeding. Het opleggen van een aanslag erfbelasting naar een geschatte verkrijging van € 1.000.000 is niet vergaand onzorgvuldig gelet op het uitblijven van informatie van belanghebbende. Evenmin heeft de inspecteur in de bezwaarfase tegen beter weten in gehandeld door herhaaldelijk informatieverzoeken te doen. Belanghebbende heeft dan ook geen recht op een integrale proceskostenvergoeding. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | inkomstenbelasting | | | legitieme portie | | | schenkbelasting | | | successiewet | | | tarieven | | | testament | | | vaststellingsovereenkomst | | Wetreferenties | : | Besluit proceskosten bestuursrecht 2
| | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1558
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 september 2024, nummer BRE 23/9480 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft op 4 september 2020 een aanslag erfbelasting opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting twee maal nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen als gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] en, namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2Feiten
2.1.
De vader van belanghebbende (verder: de vader) is op [datum] 2017 overleden. De vader had een testament opgesteld waarin hij zijn echtgenote (verder: de erfgename) tot enig erfgename heeft benoemd. In zijn testament heeft de vader verder een aantal legaten ten behoeve van belanghebbende en zijn zus opgenomen.
2.2.
De legaten aan belanghebbende en zijn zus zijn in het testament als volgt omschreven:
"Ik legateer aan:
a. mijn zoon, te weten [belanghebbende] , niet vrij van erfbelasting en kosten, aandelen en/of certificaten in de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid: [ Vennootschap 1] B. V (...) onder de verplichting voor hem om de aandelen en/of certificaten van de dochtervennootschap [dochtervennootschap] over te dragen aan zichzelf en mijn dochter [naam 1] , gezamenlijk en voor gelijke delen:
b. mijn beide genoemde kinderen, niet vrij van rechten en kosten, tezamen en voor gelijke delen:
- mijn aandelen en/of certificaten in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Vennootschap 2] B. V.' gevestigd te [vestigingsplaats] , met adres: [adres] [vestigingsplaats] , ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] , en
- mijn gehele belang, zijnde tien procent, dat ik als aandeelhouder, certificaathouder, dan wel middellijk als begunstigde houdt in een of meer van mijn kinderen bekende trusts, in onder andere de rechtspersonen ' [bedrijf 1] ' en ' [bedrijf 2] ', gevestigd te [plaats] , zulks onder de verplichting voor hen om voor hun rekening te nemen, tezamen en voor gelijke delen en als eigen schulden te voldoen: alle vorderingen die de hiervoor onder a. en b. genoemde rechtspersonen en/of hun dochtermaatschappijen op mij hebben ten tijde van mijn overlijden. "
2.3.
Bij brief met dagtekening 25 mei 2018 heeft de adviseur van belanghebbende de inspecteur onder meer onder het brievenhoofd “melding inzake aangifte erfbelasting” als volgt bericht:
“Uit het gedeeltelijke testament dat in mijn bezit is en de toelichting van de notaris daarop, maak ik op dat de heer [belanghebbende] geen erfgenaam is maar legataris.
Het is tot op heden nog niet bekend of de legaten ook daadwerkelijk kunnen worden uitgekeerd omdat de omvang van de boedel nog niet vaststaat. De boedel wordt afgewikkeld door de heer [naam 2] van [kantoor] . Van hem werd door ons nog geen bericht ontvangen over deze zaken. Kunt u aangegeven of er door u al van [naam 2] bericht werd ontvangen, en zo ja, wat de inhoud van deze berichtgeving is geweest?
U zult begrijpen dat het indienen van een aangifte erfbelasting voor ons op dit moment dan ook nog niet mogelijk is.
Voor zover ik kan overzien zal het naar mijn mening niet komen tot heffing van erfbelasting
mochten de legaten worden uitgekeerd.
Het leek ons goed om u hierover te berichten.”
2.4.
Op 19 november 2019 heeft de notaris van belanghebbende [notaris] de Belastingdienst om kopieën van de aangiften en aanslagen van de inkomstenbelasting, erfbelasting en/of schenkbelasting van de afgelopen vijf jaar van erflater verzocht in verband met het opstellen van een boedelbeschrijving.
2.5.
De inspecteur heeft op 4 september 2020 aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd van € 183.730. In de aanslag is de belaste verkrijging van belanghebbende uit de nalatenschap van de vader gesteld op € 1.000.000.
Op het aanslagbiljet heeft de inspecteur de volgende toelichting bij de aanslag
gegeven:
“
Toelichting
Bij het vaststellen van de aanslag ben ik uitgegaan van de thans mij beschikbare informatie; het bestaan van diverse aanmerkelijk belangpakketten en het bestaan van trustvermogen. Omdat er op dit moment nog geen beeld bestaat van de nalatenschap (geldt zowel voor de samenstelling van het vermogen als voor de waarderingen) heb ik de aanslag als bovenstaand vastgesteld.”
2.6.
Bij brief met dagtekening 22 september 2020 heeft belanghebbende bezwaar
gemaakt tegen de aanslag.
2.7.
In de bezwaarfase heeft de inspecteur in verband met het legaat verzocht om een kopie van het testament en/of andere uiterste wilsbeschikkingen, de jaarstukken van vennootschappen, taxatierapporten van vastgoed van vennootschappen, stukken en verslagen die zien op het aan belanghebbende gelegateerde belang in de trusts, een afschrift van de boedelbeschrijving, en aangiften inkomstenbelasting van de vader van belanghebbende en diens partner.
2.8.
Belanghebbende heeft als reactie op dat verzoek een aantal jaarrekeningen van Nederlandse B.V.’s en WOZ-beschikkingen aan de inspecteur toegestuurd.
2.9.
De inspecteur heeft belanghebbende in de bezwaarfase vervolgens nogmaals verzocht om onder meer stukken en verslagen die zien op het aan belanghebbende gelegateerde belang in de trusts en de akte van verdeling.
2.10.
Gedurende de bezwaarprocedure heeft belanghebbende op 25 februari 2021 een aangifte erfbelasting ingediend. In de aangifte geeft belanghebbende een verkrijging uit de nalatenschap aan van nihil. Belanghebbende heeft bij de aangifte de concept-boedelbeschrijving overgelegd.
2.11.
Op het vervolgens gedane verzoek van de inspecteur om nadere informatie, overlegt belanghebbende een "deed of settlement” van “ [bedrijf 3] " en een vonnis van de kantonrechter inzake de benoeming van de vereffenaar van de nalatenschap van vader. Verder verzoekt belanghebbende de inspecteur om een hoorgesprek en inzage van de bij de inspecteur bekende stukken.
2.12.
[notaris] legt op 14 juni 2021 een concept-boedelbeschrijving over aan de inspecteur en een aanvulling daarop op 15 oktober 2021.
2.13.
Op 25 augustus 2021 legt de inspecteur aan de erfgename een aanslag erfbelasting op die nihil bedraagt.
2.14.
De inspecteur geeft belanghebbende een informatiebeschikking op 29 september 2022. De informatiebeschikking heeft betrekking op de openstaande vragen zoals door de inspecteur reeds opgenomen in zijn brieven van 13 november 2021, 27 januari 2022 en 30 juni 2022. Tegen de informatiebeschikking maakt belanghebbende bezwaar. In bezwaar vernietigt de inspecteur de informatiebeschikking bij beslissing van 13 juli 2023. Voor de bezwaarfase tegen de informatiebeschikking kent de inspecteur belanghebbende een forfaitaire kostenvergoeding toe van € 444 (1 punt met een waarde van € 296 maal wegingsfactor 1,5). Hiertegen heeft belanghebbende geen beroep ingesteld.
2.15.
Vervolgens vernietigt de inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar van 9 augustus 2023 ook de aanslag erfbelasting. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van nihil. Voor de bezwaarfase tegen de aanslag erfbelasting kent de inspecteur een forfaitaire kostenvergoeding toe van € 444. Die kostenvergoeding bestaat conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand van door een beroepsmatige derde uit 1 punt met een waarde van € 296 voor het indienen van het bezwaarschrift maal wegingsfactor 1,5.
2.16.
Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de in 2.15. genoemde toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase tegen de aanslag erfbelasting.
2.17.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de inspecteur veroordeeld tot het betalen aan belanghebbende van € 50 aan griffierecht en € 1.750 aan proceskosten. Het verzoek van belanghebbende om een integrale proceskostenvergoeding is afgewezen.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een integrale kostenvergoeding omdat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag erfbelasting gegrond heeft verklaard.
In dat kader zijn de volgende vragen van belang:
I. Heeft de inspecteur dermate onzorgvuldig gehandeld dat een integrale kostenvergoeding moet worden toegekend:
a. doordat hij aan belanghebbende een aanslag erfbelasting heeft opgelegd naar een geschatte verkrijging van € 1.000.000, en/of
b. door zijn overige handelwijze gedurende de bezwaarfase?
II. Dient de door de rechtbank erkende schending van artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te leiden tot een gegrond beroep en een integrale proceskostenvergoeding?
III. Indien het antwoord op vraag I en/of II leidt tot de conclusie dat belanghebbende recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding: Heeft belanghebbende zijn gestelde proceskosten voldoende aannemelijk gemaakt?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging de uitspraak van de rechtbank en verzoekt het hof om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de integrale proceskosten die belanghebbende in de bezwaarfase heeft gemaakt. Tevens verzoekt belanghebbende de inspecteur ex artikel 8:75 Awb te veroordelen in de (werkelijke) kosten van dit geding [hof: kennelijk bedoelt belanghebbende de procedure bij de rechtbank] en van de hoger beroepsprocedure vanwege aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In zijn nader stuk in hoger beroep stelt belanghebbende dat de volledige kosten waarvoor hij vergoeding verzoekt in totaal € 48.132,58 bedragen.
Ten slotte verzoekt belanghebbende de inspecteur te gelasten het, door belanghebbende, betaalde griffierecht te vergoeden ex artikel 8:74 Awb.
De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
4Gronden
Vooraf
4.1.
In fiscale procedures vormt de hoogte van de forfaitaire kostenvergoeding een tegemoetkoming van de door een belanghebbende gemaakte kosten en dekt deze in het algemeen niet de daadwerkelijke kosten van een belastingplichtige. In artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald dat in het geval van bijzondere omstandigheden van de forfaitaire tarieven kan worden afgeweken. Van bijzondere omstandigheden is sprake als het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld of een besluit tegen beter weten in heeft genomen. In die situaties heeft een belastingplichtige recht op vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten.
Ten aanzien van het geschil
Ad I.a. Heeft de inspecteur onzorgvuldig gehandeld door aan belanghebbende een aanslag erfbelasting op te leggen naar een geschatte verkrijging van € 1.000.000?
4.2.
Belanghebbende voert, kort samengevat, aan dat de inspecteur plots uit het niets de aanslag ter hoogte van een verkrijging van € 1.000.000 heeft opgelegd. Er werd geen duidelijke onderbouwing of toelichting voor de hoogte van het bedrag gegeven. Hierdoor werd belanghebbende ernstig benadeeld, omdat hij niet in staat was de aanslag op een juiste manier te betwisten. Belanghebbende stelt dat zijn gemachtigde op 25 mei 2018 expliciet schriftelijk verzocht om duidelijkheid over eventuele fiscale verplichtingen voortvloeiend uit het overlijden van zijn vader en dat een reactie daarop van de inspecteur volledig uitbleef. De inspecteur heeft evenmin een uitnodiging tot het doen van aangifte aan belanghebbende gestuurd, terwijl aan zijn zus [naam 1] wél op 6 april 2019 een dergelijke uitnodiging werd verzonden. Nu de inspecteur reeds bekend was met de inhoud van het testament, had het op zijn weg gelegen om op zorgvuldige wijze alle potentieel belastingplichtige betrokkenen – waaronder belanghebbende – tijdig te informeren en in de gelegenheid te stellen om aan hun verplichtingen te voldoen.
4.3.
De inspecteur betwist gemotiveerd dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld. Er was sprake van een heffingsbelang. Gelet op de brieven in 2018 en 2019 van de adviseur respectievelijk de notaris van belanghebbende was het vermoeden gerechtvaardigd dat er eventueel erfbelasting verschuldigd was. Belanghebbende heeft verzuimd om te verzoeken om uitgenodigd te worden tot het doen van aangifte erfbelasting. Immers ingevolge artikel 6, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: Awr) en artikel 2, lid 2, Uitvoeringsregeling Awr is belanghebbende gehouden de inspecteur om een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. Zonder een uitnodiging kan er geen uitstel worden verleend en eindigde in dit geval de mogelijkheid om een aanslag op te leggen op 11 september 2020. Bij het vaststellen van de ambtshalve aanslag is geen nadere informatie van belanghebbende gekomen en is er uitgegaan van de op dat moment beschikbare informatie, namelijk het bestaan van aanmerkelijkbelangaandelen en trustvermogens. Omdat nog geen beeld bestond over de nalatenschap (zowel de samenstelling van het vermogen als de waardering) is de aanslag ter behoud van rechten vastgesteld op € 1.000.000, hetgeen op dat moment geen onredelijke inschatting was. Voorts is de situatie ten aanzien van de zus van belanghebbende niet vergelijkbaar met die van belanghebbende, aangezien de zus, anders dan belanghebbende, wel een uitnodiging tot het doen van aangifte heeft gekregen en later enige malen om uitstel van aangifte heeft gevraagd, die haar ook is verleend.
4.4.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6, lid 3, Awr en artikel 2, lid 2, Uitvoeringsregeling Awr de belastingplichtige die niet binnen de in artikel 45 Successiewet 1956 bedoelde termijn van acht maanden is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden is de inspecteur om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.
Voorts bepaalt artikel 11, lid 3, Awr dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien er uitstel is verleend voor het doen van aangifte, wordt deze termijn met de duur van het uitstel verlengd.
4.5.
Het staat vast dat de inspecteur belanghebbende niet heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte en dat belanghebbende de inspecteur ook niet om een uitnodiging heeft verzocht. Als gevolg hiervan had de inspecteur er belang bij om voor 11 september 2020 (drie jaar na het overlijden van de vader) een aanslag erfbelasting op te leggen aan belanghebbende. In dit verband wijst het hof naar rechtsoverweging 4.11 van de rechtbank:
“De rechtbank acht - gelet op de toelichting op de aanslag - aannemelijk dat de inspecteur ter behoud van rechten een aanslag heeft opgelegd en vervolgens onderzoek is gaan doen naar de omvang van de nalatenschap. De inspecteur heeft de mogelijkheid om bij een vermoeden van een heffingsbelang een aanslag ter behoud van rechten op te leggen. Gelet op het feit dat belanghebbende als legataris dan wel legitimaris van de nalatenschap een vordering had op de nalatenschap van vader, is niet onredelijk dat de inspecteur vermoedde een heffingsbelang te hebben. Dat de waarde van de legaten en de omvang van de nalatenschap niet op voorhand duidelijk was en belanghebbende zelf dacht dat er geen erfbelasting door hem verschuldigd zou zijn, maakt niet dat de inspecteur over het gelegateerde geen vragen mocht stellen of een aanslag ter behoud van rechten mocht opleggen.”
Het hof maakt dit oordeel tot de zijne en voegt daar nog het volgende aan toe. Het enige wat belanghebbende in de drie jaar na het overlijden van de vader heeft medegedeeld aan de inspecteur is de brief van zijn professionele adviseur [gemachtigde 3] van 25 mei 2018 aan de Belastingdienst. In deze brief (waarvan de tekst letterlijk hiervoor is weergegeven onder 2.3) wordt medegedeeld dat nog niet bekend is of de legaten kunnen worden uitgekeerd omdat de omvang van de boedel nog niet vaststaat en dat een aangifte erfbelasting daarom niet mogelijk is. Het hof constateert dat in deze brief niet om een uitnodiging tot het doen van aangifte wordt verzocht. Het is dan ook niet onzorgvuldig van de inspecteur dat hij belanghebbende niet heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte erfbelasting. Tevens is het begrijpelijk dat de inspecteur naar aanleiding van deze brief ervan uitging dat het indienen van een aangifte zou volgen zodra de omvang van de boedel bekend was geworden. Gelet hierop was de inspecteur niet gehouden vóór het opleggen van de aanslag enige actie te ondernemen. Belanghebbende heeft echter daarna geen nadere informatie meer verstrekt aan de inspecteur. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet onzorgvuldig is dat de inspecteur voor het verstrijken van de termijn een aanslag heeft opgelegd ter behoud van rechten. Eveneens acht het hof het niet onzorgvuldig dat de inspecteur bij gebrek aan enige informatie over de waarde van de verkrijging bij de aanslag is uitgegaan van een waarde van € 1.000.000. Dat moge een tamelijk willekeurig bedrag lijken, maar dat valt de inspecteur niet te verwijten nu belanghebbende geen nadere informatie heeft gegeven over de samenstelling en waarde van de erfrechtelijke verkrijging en duidelijk was dat deze aanmerkelijkbelangaandelen en meerdere trustvermogens omvatte. De niet onderbouwde stelling in de brief van 25 mei 2018 dat het naar de mening van de adviseur niet zal komen tot de heffing van erfbelasting mochten de legaten worden uitgekeerd, hoefde voor de inspecteur dan ook geen aanleiding te zijn om geen, dan wel een lagere aanslag erfbelasting op te leggen.
4.6.
Evenmin heeft de inspecteur onzorgvuldig gehandeld door niet te reageren op de vraag van belanghebbende in de brief van 25 mei 2018, namelijk of de inspecteur bericht had ontvangen van [naam 2] die de boedel zou afwikkelen en zo ja, wat de inhoud daarvan is geweest. Immers het staat vast dat de concept-boedelbeschrijving pas gereed was op 14 juni 2021 zodat duidelijk is dat de inspecteur vóór het moment van de aanslag niet van de waarde van de boedel op de hoogte was of kon zijn. De inspecteur had hooguit op de brief van 25 mei 2018 kunnen antwoorden dat hij geen bericht had ontvangen en dus niks te melden had, maar dat hij dat niet heeft laten weten is in de gegeven omstandigheden niet onzorgvuldig.
Ook het feit dat de zus van belanghebbende wel een uitnodiging tot het doen van aangifte heeft ontvangen van de inspecteur en belanghebbende niet, kan belanghebbende niet baten. Weliswaar heeft de zus een uitnodiging tot het doen van aangifte gekregen, maar dat was naar aanleiding van het gesprek op 14 december 2017 dat op haar eigen initiatief plaatsvond en vervolgens is uitstel verleend voor het indienen van die aangifte.
Ook gaat het hof voorbij aan de stelling dat het op de weg van de inspecteur had gelegen om op zorgvuldige wijze alle potentieel belastingplichtige betrokkenen – waaronder belanghebbende – tijdig te informeren en in de gelegenheid te stellen om aan hun verplichtingen te voldoen, omdat de inspecteur reeds bekend was met de inhoud van het testament. Immers, kennis van het testament wil niet zeggen dat de omvang en de waarde van de erfrechtelijke verkrijgingen bekend waren; dat laatste was nu juist het probleem ten aanzien van de legaten.
Ad Ib. Heeft de inspecteur onzorgvuldig gehandeld door zijn overige handelwijze tijdens de bezwaarfase?
4.7.
Belanghebbende stelt voorts, kort samengevat, dat de inspecteur in de bezwaarfase zeer onzorgvuldig heeft gehandeld. De opeenstapeling van onnodige, herhaalde en onjuist gerichte informatieverzoeken, het opnieuw opvragen van reeds bekende stukken, het opleggen van een informatiebeschikking en het negeren van feitelijke gegevens waaruit bleek dat geen sprake kon zijn van een belastbare verkrijging, maakt duidelijk dat de inspecteur niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die de wet vereist. Ook heeft de inspecteur niet toegelicht wat de relevantie was van de stukken die hij heeft opgevraagd. Deze handelwijze heeft ertoe geleid dat belanghebbende langdurig en intensief juridische bijstand moest inschakelen waardoor hij aanzienlijke kosten heeft moeten maken. Daarmee zijn precies die bijzondere omstandigheden aanwezig waarin, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, een integrale proceskostenvergoeding gerechtvaardigd is, omdat de noodzaak tot het voeren van procedures uitsluitend het gevolg is van het onzorgvuldig, disproportioneel en niet‑doelmatig handelen van de Belastingdienst.
Verder heeft de inspecteur geweigerd in de bezwaarfase een hoorgesprek te organiseren en ook om inzage te geven in de op de zaak betrekking hebbende stukken. Ook heeft de inspecteur ten onrechte buitensporig lang de aanslag erfbelasting in stand gelaten, wetende dat er geen heffingsbelang bestond ter zake van de erfbelasting bij belanghebbende.
Tot slot zijn de uiteindelijke beslissingen op bezwaar van de inspecteur niet of nauwelijks gemotiveerd. In de uitspraak op bezwaar van 9 augustus 2022 wordt slechts summier aangegeven dat het bezwaar gegrond wordt verklaard en de aanslag wordt vernietigd, zonder nadere toelichting. De handelwijze van de inspecteur is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel.
Belanghebbende voegt in zijn nader stuk van februari 2026 nog toe dat de inspecteur reeds op 25 augustus 2021 de aanslag erfbelasting aan de weduwe van de vader als erfgename heeft opgelegd, terwijl niet duidelijk was of belanghebbende en zijn zus de legaten zouden aanvaarden. In dat geval moet het kennelijk toen al voor de inspecteur duidelijk zijn geweest dat de legaten geen waarde hadden. In de aangifte van de weduwe werd geen melding gemaakt van legaten, zodat voor de inspecteur vaststond dat er geen uitkeerbare legaten waren dan wel het aan belanghebbende toegekende legaat feitelijk geen waarde vertegenwoordigde. Daarmee heeft de inspecteur de aanslag in stand gehouden, terwijl hij – gezien de aanslag die was opgelegd aan de erfgename – wist dat de aanslag geen stand zou houden.Voorts acht belanghebbende het willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat zijn zus als legataris 'met rust wordt gelaten' en belanghebbende rauwelijks een aanslag opgelegd krijgt voor een verkrijging van € 1.000.000 en vervolgens drie jaar door de inspecteur wordt bestookt met vragenbrieven en een aanvullende procedure in het kader van de informatiebeschikking.
De Belastingdienst heeft gedurende de gehele bezwaarprocedure structureel informatie bij belanghebbende opgevraagd die logischerwijs bij de erfgename thuishoorde, terwijl de inspecteur reeds sinds eind 2017 rechtstreeks contact had met de gemachtigde van die erfgename. Het valt niet in te zien waarom pas drie jaar later, bij belanghebbende informatie wordt opgevraagd die de inspecteur eenvoudig bij de erfgename had kunnen verkrijgen. Dit klemt temeer omdat de Belastingdienst zelfs het testament opnieuw heeft opgevraagd, ondanks het feit dat dit document drie jaar eerder al was ingezien. Het voortzetten van informatieverzoeken, het herhalen van vragen en het blijven suggereren dat een belastbare verkrijging aan de orde zou kunnen zijn, is onder deze omstandigheden onzorgvuldig en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:2 Awb.
4.8.
De inspecteur voert hiertegen aan dat het bezwaarschrift uitnodigde tot een aantal vragen, die door belanghebbende in de latere correspondentie steeds niet of niet voldoende beantwoord werden. De latere aangifte erfbelasting van 25 februari 2021 was vervolgens onjuist en onvolledig. Belanghebbende was niet als verkrijger vermeld noch de waarde van zijn verkrijging. Ook de bepaling over het algemeen particulier vermogen (artikel 16, lid 1, Successiewet 1956) was niet aangekruist. Informatie over de trustvermogens en over de waarde van de legitieme portie van belanghebbende bleef uit. Ondanks toezeggingen bleven ook daarna de door de inspecteur gestelde vragen onbeantwoord. De informatiebeschikking is dan ook terecht opgelegd. Voorts is steeds helder en duidelijk gecommuniceerd waarom het niet met zekerheid vaststond dat er sprake zou zijn van een onbelaste verkrijging en er zijn duidelijke vragen gesteld en duidelijke standpunten ingenomen. Er is geen sprake van een gebrekkige informatieverstrekking van de kant van de inspecteur dan wel dat tegen beter weten in is gehandeld.De inspecteur betwist de veronderstelling van belanghebbende dat voor hem duidelijk moet zijn geweest dat de legaten geen waarde hadden, toen hij de aanslag erfbelasting aan de weduwe als erfgename oplegde. De legaten zijn gewoon niet meegenomen bij de aanslag erfbelasting voor de weduwe omdat deze niet de verkrijging van de weduwe raken. Als de legaten verworpen zouden worden zou dat een nieuw feit zijn.
4.9.
Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om te concluderen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, in de vorm van (vergaand) onzorgvuldig handelen van de inspecteur, die maken dat een integrale proceskostenveroordeling aan de orde zou zijn. Het hof zal dat hieronder toelichten.
4.10.
De inspecteur heeft het recht en de taak om vragen te stellen en nadere informatie te vergaren ten behoeve van de door hem op te leggen aanslag erfbelasting indien de belastingplichtige onvoldoende informatie heeft verschaft. Dat de vragen van de inspecteur niet relevant of bij voorbaat nutteloos waren heeft belanghebbende niet dan wel onvoldoende onderbouwd en is het hof ook overigens niet gebleken. De meeste vragen gingen over de trusts. Dat de trusts er mogelijk niet meer zouden zijn of dat er geen jaarstukken van de B.V.’s zouden blijken te zijn, kon de inspecteur niet op voorhand weten, derhalve mocht de inspecteur daar vragen over (blijven) stellen. Het is aan belanghebbende om daar tijdig voldoende helderheid over te verschaffen. Ook het verzoek om het testament te overleggen, in een situatie dat de inspecteur kennelijk al langs andere weg op de hoogte was van de inhoud van het testament, acht het hof niet vergaand onzorgvuldig. Belanghebbende had kunnen volstaan met mede te delen dat hij als legataris geen recht heeft op het volledige testament en dat dus ook niet kan (laten) opvragen. Met deze mededeling zijn weinig tijd en kosten gemoeid.
Dat de inspecteur meermaals en vaak ook dezelfde vragen heeft gesteld is evenmin onzorgvuldig, omdat belanghebbende niet alle vragen heeft beantwoord of volledig heeft beantwoord, noch in een eerder stadium voldoende duidelijk heeft kunnen maken waarom de vragen niet konden worden beantwoord. Herhaaldelijk heeft belanghebbende immers toegezegd dat de verlangde informatie nog zou komen. De inspecteur wijst in dit verband op de bespreking van 21 november 2021 en de brief van de adviseur belanghebbende van 12 juli 2022. De aangifte erfbelasting van belanghebbende van 22 februari 2022 was vervolgens onjuist en onvolledig, welk standpunt van de inspecteur belanghebbende niet dan wel onvoldoende heeft betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat de informatiebeschikking van 29 september 2022 op dat moment dan ook terecht is gegeven.
4.11.
Het hof verwerpt voorts het standpunt dat de inspecteur tegen beter weten in de informatieverzoeken en de informatiebeschikking in stand heeft gelaten en dat hij tegen beter weten in getalmd zou hebben om het bezwaar gegrond te verklaren. Belanghebbende stelt dat uit het feit dat de erfgename reeds op 25 augustus 2021 een nihilaanslag erfbelasting kreeg de conclusie voortvloeit dat de inspecteur op dat moment ervan op de hoogte was dat de waarde van de legaten nihil bedroeg. De verklaring ter zitting van de inspecteur dat de nihilaanslag van de erfgename betrekking had op de nalatenschap exclusief de legaten en dat eventuele verwerping van de legaten dan een nieuw feit zou zijn, acht het hof, gelet op alle onduidelijkheid die op dat moment bestond over de samenstelling en omvang van de legaten alsook over de vraag of de legatarissen deze al of niet zouden aanvaarden, niet onbegrijpelijk of onlogisch. Immers indien de legaten van waarde zouden zijn, is aannemelijk dat deze door de legatarissen wel geaccepteerd zouden worden waardoor de verkrijging van de erfgename niet zou toenemen. Indien de legaten waardeloos zouden blijken te zijn, ligt in de rede dat deze zouden worden verworpen, in welk geval de waarde van de verkrijging van de erfgename ook niet zou toe nemen. In beide gevallen levert dat geen dwingende reden op om de erfgename niet op 25 augustus 2021 een nihilaanslag op te leggen zonder rekening te houden met de legaten. Het standpunt dat de inspecteur met het opleggen van de nihilaanslag aan de erfgename kennelijk al op 25 augustus 2021 zou hebben geweten dat de legaten geen waarde hadden, volgt het hof derhalve niet.
4.12.
Het hof verwerpt, mede gelet op het voorgaande, het standpunt dat de inspecteur buitensporig lang gewacht heeft met het geven van de beslissing op bezwaar. Na het opleggen van de informatiebeschikking op 29 september 2022 heeft [bedrijf 4] namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. Na enige maanden heeft belanghebbende [Advocatenkantoor] ingeschakeld om zijn belangen verder te behartigen zowel in de bezwaarprocedure tegen de informatiebeschikking als in onderhavige procedure. Dit heeft kennelijk geleid tot meer informatie van belanghebbende aan de inspecteur alsmede tot meer duidelijkheid over de vraag wat wel of niet aan informatie verstrekt kan worden door belanghebbende. Voorts is er daarna nog nader telefonisch contact geweest tussen [Advocatenkantoor] en de inspecteur. Zo vermeldt de vooraankondiging op de uitspraak op bezwaar van 7 juli 2023 (productie 20 verweerschrift van de inspecteur in beroep) als toelichting op het voornemen om het bezwaar volledig gegrond te verklaren:
“Zoals telefonisch besproken ben ik met u van mening dat uw cliënt niet alle gevraagde informatie kan verstrekken. Daarnaast heeft uw cliënt alsnog nadere stukken verstrekt.”
Het hof constateert dat na het opleggen van de informatiebeschikking er door belanghebbende stappen zijn gezet waardoor er weer voortgang in de procedure is gekomen met als resultaat dat circa negen maanden later het bezwaar volledig gegrond is verklaard. Het hof is dan ook van oordeel dat de lange duur van de bezwaarprocedure niet het gevolg is van onzorgvuldig handelen van de inspecteur. Voorts is naar het oordeel van het hof de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd, gelet op de hierboven weergegeven toelichting en de langdurige gang van zaken rondom de informatieverzoeken.
4.13.
Voorts is het hof van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur niet is geschonden doordat de inspecteur, anders dan aan belanghebbende, de zus wel een uitnodiging tot het doen van aangifte erfbelasting gestuurd en haar geen talloze informatieverzoeken heeft gedaan en geen informatiebeschikking heeft opgelegd. Weliswaar is de erfrechtelijke positie van belanghebbende en zijn zus als legataris in beginsel hetzelfde, maar de feitelijke omstandigheden waren in het geval van de zus geheel anders. Uit de door de inspecteur in hoger beroep overlegde bijlagen 14 en 15 blijkt dat de zus reeds gedurende vele jaren goed in contact stond met de Belastingdienst gelet op het feit dat er reeds in 2015 in het kader van de inkomstenbelasting een vaststellingsovereenkomst met haar was gesloten waarbij haar aanspraak op het trustvermogen op nul was gewaardeerd. Voorts heeft zij op 14 december 2017, drie maanden na het overlijden van de vader, op eigen initiatief een gesprek gehad met de Belastingdienst over de ontstane situatie, samen met de gemachtigde van de erfgename. Uit het gespreksverslag blijkt onder meer dat niet duidelijk was waar belanghebbende toen woonde; België of [plaats] worden genoemd. Gelet hierop is het begrijpelijk dat de inspecteur wel aan de zus en niet aan belanghebbende een uitnodiging tot het doen van aangifte heeft gestuurd. Voorts blijkt uit bijlage 1 bij het verweerschrift in hoger beroep dat de zus herhaaldelijk om uitstel van aangifte heeft verzocht en verkregen. Zij heeft uiteindelijk pas op 6 augustus 2024, derhalve nog een jaar later dan belanghebbende, een nihilaanslag erfbelasting ontvangen. Bovendien komt uit de email-correspondentie naar voren dat de zus, anders dan belanghebbende, op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken was bij de ondernemingen en zakelijke belangen van de vader en ook geen kennis of inzicht had in enig trustvermogen. Het is dan ook logisch dat de inspecteur niet bij haar maar bij belanghebbende getracht heeft de nodige informatie binnen te halen, temeer daar belanghebbende bij de in het legaat genoemde [ Vennootschap 1] werkzaam was.
Aan de suggestie dat het verschil in behandeling tussen belanghebbende en zijn zus voortkomt uit het feit dat belanghebbende woonachtig is in [plaats] en is opgenomen in de illegitieme fraudelijst ' [naam 3] ' van de Belastingdienst, wat daar overigens ook van zij, gaat het hof voorbij nu belanghebbende dat op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.
4.14.
Aangezien de inspecteur volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar van belanghebbende en het bezwaar gegrond heeft verklaard, was de inspecteur op grond van artikel 7:3 Awb niet gehouden een hoorgesprek te organiseren. Voorts is het hof van oordeel dat de inspecteur ook niet gehouden was om belanghebbende eerder in de bezwaarprocedure uit te nodigen voor een hoorgesprek. Het is aan de inspecteur om te bepalen of en wanneer in de bezwaarprocedure een hoorgesprek gehouden moet worden. Het hof acht het niet onzorgvuldig wanneer de inspecteur het hoorgesprek uitstelt omdat hij dat niet zinvol vindt zolang de belanghebbende niet de relevante stukken heeft aangeleverd. Aangezien uiteindelijk het bezwaar volledig gegrond is verklaard, is het niet onzorgvuldig dat er nooit een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Nu de inspecteur heeft kunnen afzien van het houden van een hoorgesprek was hij evenmin gehouden om op grond van artikel 7:4 Awb alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende ter inzage te geven.
II. Leidt (de door de rechtbank erkende) schending van artikel 8:42 Awb tot een gegrond beroep en een integrale proceskostenvergoeding?
4.15.
Belanghebbende verzoekt op de voet van artikel 8:42 Awb dat het hof de inspecteur beveelt alle op de zaak betrekking hebbende stukken alsnog in te brengen, waaronder stukken met betrekking tot de aanslagfase van de zus, de berekening die ten grondslag ligt aan de aanslag erfbelasting van de erfgename en stukken van intern beraad van de Belastingdienst over deze zaak. Het hof constateert dat de inspecteur in hoger beroep conform de beslissing van de rechtbank genoegzaam de op de zaak betrekking hebbende stukken van de zus heeft ingebracht, zodat belanghebbende daarvan kennis heeft kunnen nemen. Uit deze stukken blijkt echter niet dat deze informatie bevat die maakt dat de vragen van de inspecteur aan belanghebbende nodeloos zijn gesteld. Dat in het gespreksverslag van het gesprek op 14 december 2017 is terug te lezen dat in de vaststellingsovereenkomst van 2015, gesloten tussen de Belastingdienst en de zus, de aanspraak van de zus op het trustvermogen op nul was gewaardeerd, maakt dat niet anders, nu die afspraak gaat over de situatie ten tijde van het leven van de vader en het in casu om de waarde van het vermogen op het moment van overlijden van de vader.
De door de rechtbank geconstateerde schending van artikel 8:42 Awb heeft belanghebbende dan ook niet ernstig benadeeld in de motivering van zijn beroep. Derhalve ziet het hof geen aanleiding tot een gegrondverklaring van het beroep en een integrale kostenvergoeding.
Ten aanzien van de berekening die ten grondslag lag aan de aanslag erfbelasting van de erfgename is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat dit geen relevant stuk is, nu deze berekening geen betrekking heeft op de legaten. Voorts heeft de inspecteur verklaard dat er geen stukken van intern beraad in deze zaak zijn, zodat deze ook niet overgelegd kunnen worden. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De conclusie is dat op dat punt geen sprake is van schending van artikel 8:42 Awb. Gelet hierop wordt het verzoek van belanghebbende om de inspecteur alsnog te gelasten stukken in te brengen afgewezen.
III. Conclusie ter zake van de verzochte integrale proceskostenvergoeding
4.16.
De conclusie van al het voorgaande is dat de inspecteur niet vergaand onzorgvuldig heeft gehandeld, noch heeft hij belanghebbende ernstig benadeeld door schending van artikel 8:42 Awb. Gelet hierop heeft belanghebbende geen recht op een integrale kostenvergoeding.
4.17.
Het hof hecht eraan nog het volgende op te merken. Blijkens de overgelegde kostenstaten zijn verreweg de meeste proceskosten gemaakt door [Advocatenkantoor] om de vragen naar aanleiding van de informatiebeschikking te beantwoorden. In het nader stuk van 20 februari 2026 geeft belanghebbende een overzicht van de volledige kosten:
Categorie
Bedrag
Kosten bezwaar [bedrijf 4]
€ 1.865,25
Kosten bezwaar [Advocatenkantoor]
€ 24.401,44
Kosten beroep [Advocatenkantoor]
€ 13.104,64
Kosten hoger beroep [Advocatenkantoor]
€ 8.761,25
Totaal
€ 48.132,58
Blijkens dit overzicht zijn de kosten vrijwel alleen gemaakt door [Advocatenkantoor] om de vragen naar aanleiding van de informatiebeschikking te beantwoorden. Ter zitting is ook namens belanghebbende verklaard dat van [bedrijf 4] slechts enkele facturen zijn overgelegd en dat de kosten van [Advocatenkantoor] zijn gemaakt in verband met het opleggen van de informatiebeschikking.Als reactie hierop heeft de inspecteur er ter zitting op gewezen dat het bezwaar tegen de informatiebeschikking een afzonderlijke procedure is. Belanghebbende had tegen de toekenning van een forfaitaire kostenvergoeding in de beslissing op bezwaar inzake zijn bezwaar tegen de informatiebeschikking in beroep kunnen gaan, maar dat heeft hij nagelaten. De kosten van [Advocatenkantoor] horen dan ook niet thuis in de onderhavige procedure, aldus de inspecteur.
Het hof onderschrijft dit oordeel.
Tussenconclusie
4.18.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.19.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.20.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
5Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.C.E. Ackermans-Wijn, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J.C.E. Ackermans-Wijn
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.
Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, r.o. 3.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|