Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:1359 
 
Datum uitspraak:27-05-2026
Datum gepubliceerd:23-06-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:24/1561 24/1562 en 24/1563
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Beroepschriften tegen uitspraken op bezwaar zijn niet voor het einde van de wettelijke termijn, dus te laat, door de rechtbank ontvangen. Sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de beroepschriften zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd zijn ingediend. De termijnoverschrijding is niet aan belanghebbende toe te rekenen.
Trefwoorden:belastingrecht
inkomstenbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1561, 24/1562 en 24/1563


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] ,

wonend in [plaats] (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 september 2024, nummers BRE 21/4162, BRE 21/4163 en BRE 22/1572, in het geding tussen belanghebbende en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2016 en 2017 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor het jaar 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en is voor het jaar 2016 een verzuimboete opgelegd.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen bij uitspraken van 4 februari 2022 en 24 juni 2022 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken verzet gedaan.



1.4.
De rechtbank heeft het verzet bij uitspraak van 14 april 2023 gegrond verklaard en beslist dat de zaken opnieuw worden beoordeeld.



1.5.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 september 2024 de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.



1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.7.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.



1.8.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .



1.9.
Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van de bij de pleitnota van de inspecteur behorende bijlage, te weten Kamerstukken II 2002/03, aanhangsel van de Handelingen, 1219.



1.10.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.





2Feiten


2.1.
De inspecteur heeft, op basis van bevindingen van een fiscaal onderzoek naar belanghebbende over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017, de volgende aanslagen opgelegd:








Aanslag en belastingjaar




Dagtekening





Navorderingsaanslag IB/PVV 2014


3 augustus 2019




Navorderingsaanslag Zvw PVV 2014


20 juli 2019




Aanslag IB/PVV 2015


28 november 2019




Aanslag Zvw 2015


28 november 2019




Aanslag IB/PVV 2016


7 augustus 2019




Aanslag IB/PVV 2017


29 november 2019




Aanslag Zvw 2017


29 november 2019








2.2.
Belanghebbende heeft bij vier afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar gemaakt tegen bovenstaande (navorderings)aanslagen, de bijbehorende boetebeschikkingen en belastingrentebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2017.



2.3.
De inspecteur heeft in één uitspraak op bezwaar van 29 juli 2021 met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2017 het volgende geschreven (hierna: ‘de brief van 29 juli 2021’):

“Betreft: (kennisgeving) uitspraak bezwaarschriften 2014 tot en met 2017 (…)


Beslissing op uw bezwaren



IB/PVV 2014
(…) Het bezwaar tegen de beschikking bestuurlijke boete is gegrond.Deze brief vormt een onderdeel van de uitspraak op het bezwaar die u binnenkort ontvangt via mijn geautomatiseerd systeem.

IB/PVV 2015
Het bezwaar tegen de in geschil zijnde aanslag IB/PVV 2015 is gegrond.Het bezwaar tegen de beschikking belastingrente is gegrond.Deze brief vormt een onderdeel van de uitspraak op het bezwaar die u binnenkort ontvangt via mijn geautomatiseerd systeem.


IB/PVV 2016 en 2017 en Zvw 2014-2017
De bezwaren tegen de in geschil zijnde aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 zijn ongegrond.De bezwaren tegen de in geschil zijnde (navorderings)aanslagen Zvw 2014-2017 zijn ongegrond.
De bezwaren tegen de beschikkingen belastingrente zijn ongegrond. (…)


Toelichting op het beroep (...)
U kunt tegen de uitspraak in beroep gaan bij de rechtbank. Uw beroepschrift moet binnen zes weken na de datum op deze uitspraak door de rechtbank zijn ontvangen. (…)


Verder van belang
■ Als u na de uitspraak een aanvullende toelichting en/of cijfermatige uitwerking van de uitspraak ontvangt, schort die de termijn voor het indienen van het beroepschrift niet op. (…)”



2.4.
Belanghebbende heeft een beroepschrift met dagtekening 28 september 2021 ingediend tegen de beslissing op de bezwaar met betrekking tot de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 en de beschikking belastingrente (nummers 21/4163 en BRE 22/1572).



2.5.
Belanghebbende heeft een beroepschrift met dagtekening 29 september 2021 ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2016, de verzuimboete en de beschikking belastingrente (nummer BRE 21/4162).



2.6.
Beide beroepschriften zijn op 29 september 2021 ontvangen door de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepschriften niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat geen sprake is van gerede twijfel over het besluitkarakter van de brief van 29 juli 2021.



2.7.
Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met (afgerond) 36 maanden heeft de rechtbank aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend, voor 17/36e deel voor rekening van de inspecteur (€ 1.416,67) en de rest voor rekening van de minister (€ 1.583,33). De inspecteur en de minister zijn, ieder voor de helft, veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van in totaal € 98 en de proceskosten van € 218,75 aan belanghebbende.







3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de beroepschriften met betrekking tot de jaren 2016 en 2017 terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk zijn verklaard.



3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank omdat de beroepschriften verschoonbaar te laat zijn ingediend. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.





4Gronden


Ten aanzien van het geschil



4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de brief van 29 juli 2021 uitspraken op bezwaar zijn gedaan met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2017 (zie 2.3).
Tussen partijen is ook niet in geschil dat de beroepschriften met betrekking tot de jaren 2016 en 2017 niet voor het einde van de wettelijke termijn, dus te laat, zijn ingediend. Uitsluitend in geschil is of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.


Overschrijding beroepstermijn




4.2.
In de wet is bepaald dat indien een beroepschrift niet voor het einde van de wettelijke termijn is ontvangen, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De bewijslast hiervoor ligt bij belanghebbende.



4.3.
De Hoge Raad heeft overwogen en beslist dat, indien een beroepschrift niet voor het einde van de termijn is ontvangen, het beroep op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Volgens artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In geval van indiening van een beroepschrift is daarvan sprake indien:(i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een beroepschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens(ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, zal per geval moeten worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen. Verder moet ook de vraag of het beroepschrift na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Deze termijn verstrijkt in beginsel zes weken nadat de omstandigheid die het tijdig instellen van beroep verhinderde, zich niet langer voordoet.



4.4.
Belanghebbende heeft zich beroepen op artikel 6:11 Awb en stelt dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Het hof is van oordeel dat dit beroep slaagt.


Bezwaarfase




4.5.
Belanghebbende heeft in vier bezwaarschriften, van 28 november 2018, 23 augustus 2019, 30 augustus 2019 en 9 januari 2020, bezwaar gemaakt tegen (navorderings)aanslagen, boetebeschikkingen en belastingrentebeschikkingen voor de jaren 2014 tot en met 2017.



4.6.
De inspecteur heeft in de brief van 29 juli 2021 op deze vier bezwaarschriften beslist, waarbij de beslissing per jaar verschilt.


2014 en 2015




4.7.
Met betrekking tot de jaren 2014 en 2015 is het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond verklaard.
In de brief van 29 juli 2021 is daarbij duidelijk vermeld dat de brief een onderdeel vormde van de uitspraak op het bezwaar die belanghebbende binnenkort zou ontvangen via het geautomatiseerd systeem (zie 2.3).



4.8.
Vervolgens heeft belanghebbende met betrekking tot de jaren 2014 en 2015 nog een uitspraak op bezwaar ontvangen via het geautomatiseerde systeem, respectievelijk met dagtekening 12 en 20 augustus 2021. Hierin staat dat het beroep voor 23 september 2021 (jaar 2014) en 1 oktober 2021 (jaar 2015) moet zijn ingediend bij de rechtbank. Belanghebbende heeft dit tijdig gedaan.


2016 en 2017




4.9.
Voor de jaren 2016 en 2017 heeft belanghebbende een dergelijke uitspraak op bezwaar via het geautomatiseerde systeem niet ontvangen. Het hof is van oordeel dat belanghebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij ook voor de jaren 2016 en 2017 een dergelijke uitspraak op bezwaar zou ontvangen, net zoals voor de jaren 2014 en 2015.



4.10.
Dit volgt allereerst uit de tekst van de brief van 29 juli 2021, waarnaar belanghebbende verwijst. De aanhef van de brief luidt: “(kennisgeving) uitspraak bezwaarschriften 2014 tot en met 2017”. In de aanhef wordt geen onderscheid gemaakt tussen de behandeling van de bezwaren met betrekking tot de jaren 2014 en 2015 enerzijds en de jaren 2016 en 2017 anderzijds (pagina 1, zie 2.3). Verder is onder het kopje ‘Beslissing op uw bezwaren’ voor de jaren 2014 en 2015 expliciet vermeld dat de brief onderdeel is van een uitspraak die kort daarop via een geautomatiseerd systeem volgt (pagina 18). Voor de jaren 2016 en 2017 ontbreekt deze verwijzing, terwijl ook op het bezwaar is beslist. Hierdoor is het niet duidelijk of voor 2016 en 2017 ook een geautomatiseerde brief zou volgen.



4.11.
Ten tweede is de in de brief van 29 juli 2021 vermelde rechtsmiddelverwijzing niet duidelijk. In die rechtsmiddelverwijzing staat dat het beroepschrift binnen zes weken na de datum op die uitspraak door de rechtbank moet zijn ontvangen, en dat een aanvullende toelichting en/of cijfermatige uitwerking na de uitspraak die termijn niet opschort (pagina 19-21). Voor de jaren 2014 en 2015 is echter nog een uitspraak op bezwaar gedaan, voorzien van een eigen rechtsmiddelverwijzing met een termijn van zes weken na die dagtekening (zie 4.8).



4.12.
Belanghebbende heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de beroepschriften met dagtekening 28 september 2021 (jaar 2016) en 29 september 2021 (jaar 2017) zo spoedig mogelijk als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon worden verlangd zijn ingediend. Op 21 september 2021 vond een hoorgesprek plaats tussen belanghebbende en de ontvanger over een afgewezen verzoek om uitstel van betaling met betrekking tot een ander jaar (2013). Uit het verslag van dat gesprek volgt dat belanghebbende zou uitzoeken of inmiddels uitspraak op bezwaar voor de jaren 2016 en 2017 was gedaan. Volgens belanghebbende begreep hij toen pas van de ontvanger dat de brief van 29 juli 2021 al de uitspraak op bezwaar was voor de jaren 2016 en 2017. Belanghebbende heeft vervolgens de beroepschriften voor die jaren opgesteld met dagtekening 28 en 29 september 2021, die beide op 29 september 2021 door de rechtbank zijn ontvangen. Belanghebbende heeft deze gang van zaken ook zo toegelicht in de betreffende beroepschriften en daarna nader uitgelegd in zijn brieven van 2 november 2021 aan de griffie van rechtbank. Belanghebbende heeft in die brieven geschreven dat de titel ‘uitspraak op bezwaar’ in de drie verschillende brieven van de inspecteur aanleiding gaf tot verwarring over het aanvangsmoment van de beroepstermijn en dat hij, zodra hij op het voorgaande werd gewezen, op een zo kort mogelijke termijn alsnog beroep heeft ingesteld.



4.13.
Het feit dat belanghebbende werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde leidt niet tot een ander oordeel. De onduidelijkheid in de brief van 29 juli 2021 en het op basis daarvan (niet) handelen is niet aan belanghebbende toe te rekenen. Al zou hierover anders moeten worden geoordeeld omdat belanghebbende werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde, dan nog geldt het volgende. De term ‘redelijkerwijs’ in artikel 6:11 Awb biedt enige ruimte om ook in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het verzoek gering is, die termijnoverschrijding niet aan belanghebbende toe te rekenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft de beroepschriften met dagtekening 28 en 29 september 2021 ingediend en beide beroepschriften zijn op 29 september 2021 ontvangen door de rechtbank, dat is binnen één week na de dag waarop hem duidelijk werd dat de brief van 29 juli 2021 de uitspraak op bezwaar betrof voor de jaren 2016 en 2017. Op dat moment was de beroepstermijn voor het jaar 2015 nog niet verstreken. De brief van 29 juli 2021 gold ook voor het jaar 2015, maar die beroepstermijn liep, door de nadere uitspraak op bezwaar, tot 1 oktober 2021 (zie 4.8).


4.14.
De inspecteur heeft tijdens de zitting bij het hof verwezen naar Kamerstukken die zien op uitspraken op bezwaar ‘in twee afleveringen’, maar in dit geval gaat het om onduidelijkheid in uitspraken op bezwaar in één brief (jaren 2016 en 2017) en zijn daarin ook nog uitspraken op bezwaar ‘in twee afleveringen’ opgenomen (jaren 2014 en 2015). Uit de Kamerstukken blijkt bovendien dat zou worden onderzocht hoe de programmatuur kan worden aangepast zodanig dat, wanneer een beslissing op bezwaar in twee delen aan belastingplichtige wordt medegedeeld, geen onduidelijkheid ontstaat over de aard en strekking van het bericht.


Tussenconclusie




4.15.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De termijnoverschrijding is in dit geval verschoonbaar. De rechtbank heeft de beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.


4.16.
Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank, omdat de beroepen ontvankelijk zijn.


Ten aanzien van het griffierecht




4.17.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 276 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep ontvankelijk had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de proceskosten




4.18.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.



4.19.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 934.



4.20.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.





5
5. Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de niet-ontvankelijkheid van de beroepen;


verklaart het beroep ontvankelijk en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 276 vergoedt;


veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 934.



De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J. Wessels, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

R.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.



Artikel 6:6, 6:7, 6:9 en 6:11 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).


Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469, onder 3.4.


Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, onder 4.2.


Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, onder 3.2.5.


Kamerstukken II, 2002/03, nr. 1219.


Artikel 8.115, lid 1, letter a, Awb.


1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.


Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, zie de bijlage bij gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
Link naar deze uitspraak