Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHSHE:2026:1362 
 
Datum uitspraak:27-05-2026
Datum gepubliceerd:23-06-2026
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:24/1849
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende verzoekt om materiële en immateriële schadevergoeding wegens vertraagde teruggaaf omzetbelasting tweede kwartaal 2021. Het hof wijst het verzoek af omdat belanghebbende niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast om de schade te specificeren en zij bovendien niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade die toegerekend kan worden aan de inspecteur. Hoger beroep ongegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
motorrijtuigenbelasting
naheffingsaanslag
omzetbelasting
vennootschapsbelasting
wet op de omzetbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1849


Uitspraak op het hoger beroep van




[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 oktober 2024, nummer BRE 23/1898, in het geding tussen belanghebbende en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.




1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 28 juli 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) van € 21.468 opgelegd over de tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2021 (hierna: de naheffingsaanslag) en daarbij bij beschikking € 1.643 belastingrente (hierna: de rentebeschikking) in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.



1.6.
Belanghebbende heeft op 17 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op 18 maart 2026 afgewezen.



1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting heeft belanghebbende laten weten dat zij niet zal verschijnen; daarop heeft ook de inspecteur laten weten dat hij niet zal verschijnen.



1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.





2Feiten


2.1.
Belanghebbende handelt onder de naam [onderneming] . Zij heeft zich in 2018 bij de Belastingdienst gemeld als ondernemer in de zin van de wet. Belanghebbende heeft per kwartaal aangiften OB gedaan. Dat waren vooral nihilaangiften.



2.2.
Over het tweede kwartaal van 2021 heeft belanghebbende om een teruggaaf van € 13.697 gevraagd. Dit betrof de voorbelasting op een factuur voor twee Mercedessen die zij wilde gaan exploiteren door middel van verhuur voor feesten en partijen (hierna: de auto’s).



2.3.
Naar aanleiding van de aangifte over het tweede kwartaal van 2021 heeft de inspecteur op 30 juni 2021 een vragenbrief gestuurd (hierna: de vragenbrief). In deze vragenbrief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Hoe gaat het nu verder?
Ik verzoek u binnen 3 weken na de datum bovenaan deze brief de informatie naar mij toe te sturen.
Nadat ik de informatie heb ontvangen, ga ik verder met de behandeling van uw verzoek. Maximaal 8 weken na de dag waarop ik de informatie van u heb ontvangen, laat ik u mijn beslissing weten. Als ik bij de verdere behandeling van uw verzoek nog vragen heb, neem ik contact met u op.”

Belanghebbende heeft op 7 juli 2021 informatie aan de inspecteur verstrekt. Op 6 december 2021 heeft de inspecteur een onderzoek aangekondigd. Het rapport daarvan is uitgebracht op 22 juli 2022. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd. De teruggaaf over het tweede kwartaal van 2021 is niet verleend.



2.4.
Belanghebbende heeft de auto’s in oktober 2021 verkocht.



2.5.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 19.222 en de rentebeschikking evenredig verminderd. De rechtbank heeft verder – voor zover hier relevant – het verzoek om schadevergoeding van belanghebbende afgewezen, de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333,33 en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 166,67.





3Geschil en conclusies van partijen


3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: heeft belanghebbende recht op een bedrag aan (im)materiële schadevergoeding, omdat de inspecteur niet binnen acht weken op het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2021 heeft beslist?



3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de toekenning van een schadevergoeding en een hoger bedrag aan vergoeding van immateriële schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.



3.3.
De naheffingsaanslag en rentebeschikking zijn niet in geschil.





4Gronden


Vooraf en ambtshalve



4.1.
Bij de onder 1.6 vermelde brief heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting van 1 april 2026. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen. Belanghebbende geeft kort gezegd aan niet in staat te zijn de zitting bij te wonen vanwege de impact op haar van de oorlog in Iran waarin haar familie zou zijn betrokken en waarmee geen contact meer bestaat. Het hof kan zich voorstellen dat de oorlog impact op belanghebbende heeft, maar ziet daarin geen gewichtige reden die uitstel van de zitting rechtvaardigt. Belanghebbende heeft niet aangevoerd waarom zij niet op de vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn, terwijl het hof uit de omstandigheid dat zij gelijktijdig met het uitstelverzoek nadere (inhoudelijke) stukken heeft ingediend afleidt dat zij kennelijk wel met de zaak bezig is.


Ten aanzien van het geschil




4.2.
Belanghebbende betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor materiële en immateriële schade heeft toegekend. Volgens haar had de inspecteur, zoals vermeld in de vragenbrief, binnen de gestelde termijn van acht weken moeten reageren op haar verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, uiterlijk op 1 september 2021. Doordat de inspecteur pas op 6 december 2021 – bij de aankondiging van het boekenonderzoek – reageerde, heeft belanghebbende schade geleden. Had de inspecteur tijdig gereageerd, dan had zij de auto’s eerder en met minder verlies kunnen verkopen. Daarnaast stelt belanghebbende dat de vertraging psychologische en emotionele schade heeft veroorzaakt. De inspecteur betwist dat belanghebbende recht heeft op deze schadevergoeding.



4.3.
Op grond van het overgangsrecht van artikel V Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is de regeling voor schadevergoeding bij onrechtmatig overheidshandelen, zoals neergelegd in titel 8.4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), (nog) niet van toepassing op besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst, met uitzondering van besluiten betreffende de vennootschapsbelasting en lokale heffingen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 8:73 (oud) Awb.



4.4.
Artikel 8:73, lid 1, Awb luidde tot 1 juli 2013 als volgt: “Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.”



4.5.
Nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en de naheffingsaanslag heeft verminderd, en deze naheffingsaanslag in hoger beroep niet in geschil is, is de belastingkamer van het hof bevoegd het bestuursorgaan te veroordelen tot schadevergoeding. Op grond van de gebruikelijke regels van stelplicht en bewijslast is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij schade heeft geleden als gevolg van het vernietigde besluit en daarnaast om de omvang van deze schade te specificeren.



4.6.
Ten aanzien van de materiële schade stelt belanghebbende in hoger beroep dat haar schade € 24.311 bedraagt. Dit bedrag omvat het verlies bij de gedwongen verkoop van de auto’s, exclusief bijkomende kosten zoals verzekeringen en motorrijtuigenbelasting. Omdat belanghebbende niet eerder dan in december 2021 kennisnam van het ingestelde boekenonderzoek en daarmee van de mogelijke afwijzing van het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, was zij reeds in oktober 2021 niet meer in staat de onderneming voort te zetten. Ter onderbouwing heeft zij aankoop- en verkoopfacturen van de auto’s overgelegd, waaruit blijkt dat de verkoopprijs lager is dan de aankoopprijs. Uit deze stukken blijkt dat belanghebbende op 7 april 2021 een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] heeft gekocht voor € 28.450 die is verkocht op 23 oktober 2021 voor € 25.780 (inclusief OB), en dat zij op 3 juni 2021 een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 2] heeft gekocht voor € 43.276,15 plus € 7.723,85 OB die op 16 oktober 2021 is verkocht voor € 35.500 (inclusief OB). Het hof overweegt dat belanghebbende met de aankoop- en verkoopfacturen heeft aangetoond dat een verlies is geleden tussen de aankoop- en verkoopmomenten. Dit betekent echter nog niet dat zij heeft gekwantificeerd wat de schade is die voortvloeit uit het feit dat de verkoop in oktober 2021 plaatsvond in plaats van op 1 september 2021, de uiterste datum waarop de inspecteur de beslissing op het teruggaafverzoek volgens de informatiebrief zou geven. De bijkomende kosten zijn bovendien geheel niet gekwantificeerd.



4.7.
Ten aanzien van de immateriële schade stelt belanghebbende in hoger beroep dat zij psychologische en emotionele schade heeft geleden. Zij geeft te kennen dat de langdurige onzekerheid een negatieve invloed heeft gehad op haar gezondheid, waaronder paniekaanvallen, huilbuien en lichamelijke klachten, en op haar persoonlijke situatie. Door de stress en financiële problemen is zij de afgelopen jaren niet in staat geweest volledig te werken. In een van de nadere stukken heeft zij een bedrag van € 10.000 aan immateriële schade begroot. Het hof merkt allereerst op dat voor zover het verzoek om immateriële schadevergoeding betrekking heeft op de invordering van de belastingschuld naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, het hof zich onbevoegd verklaart. De belastingrechter is in dit geval niet bevoegd te oordelen over een besluit dat is genomen op grond van de Invorderingswet 1990. Belanghebbende dient zich hiervoor tot de civiele rechter te wenden. Voor zover het verzoek betrekking heeft op hetgeen waarvoor de belastingrechter wel bevoegd is, is het hof van oordeel dat belanghebbende haar verzoek tot immateriële schadevergoeding onvoldoende heeft onderbouwd en gekwantificeerd. Voor zover het genoemde bedrag van € 10.000 ziet op de procedure rondom de teruggaafbeschikking, ontbreekt elke nadere toelichting en is onduidelijk waarop dit bedrag is gebaseerd. Het enkele stellen dat zij psychologische en emotionele schade heeft geleden is onvoldoende voor het toewijzen van het verzoek om schadevergoeding.



4.8.
Het hof wijst het verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade reeds daarom af, omdat belanghebbende gelet op het voorgaande niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Anders dan belanghebbende in hoger beroep betoogt, brengt het feit dat haar beroep door de rechtbank gegrond is verklaard niet automatisch mee dat zij aanspraak maakt op een schadevergoeding. Het hof is van oordeel dat de rechtbankuitspraak, anders dan belanghebbende betoogt, ook voldoende is gemotiveerd wat betreft de afwijzing van de schadevergoeding.



4.9.
Naast de omstandigheid dat belanghebbende niet is geslaagd in haar bewijslast om de omvang van de schade te specificeren, overweegt het hof als volgt. De op grond van artikel 8:73 Awb toe te kennen schadevergoeding heeft betrekking op alle schade die een partij als gevolg van het door de inspecteur onrechtmatig genomen besluit heeft geleden en waarvoor wordt voldaan aan de vereisten voor de toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van artikel 6:162 BW komt slechts die schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met het vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geclaimde schade aan de inspecteur kan worden toegerekend. Het hof sluit zich aan bij de rechtbank in haar oordeel dat het niet begrijpelijk is dat de onderneming geen doorgang kon vinden zonder een snelle teruggaaf van de voorbelasting. Het feit dat de auto’s zijn aangeschaft en de onderneming kennelijk is gestart in afhankelijkheid van een snelle teruggaaf wijst op een niet goed onderbouwd en niet realistisch ondernemingsplan. Het is aannemelijker dat het verlies eerder daaraan is toe te rekenen dan aan de vertraagde besluitvorming en het gebrek aan communicatie door de inspecteur. Bovendien mag van een ondernemer worden verwacht dat hij over een financiële reserve beschikt om een (korte) periode van tegenslag te kunnen overbruggen. Indien belanghebbende geen financiële reserve had, komen de gevolgen daarvan voor haar eigen risico.



4.10.
Het hogerberoepschrift is door het hof ontvangen op 8 december 2024. Omdat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, is de redelijke termijn in de hoger beroepsfase niet overschreden. Belanghebbende heeft daarom geen recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade.


Tussenconclusie




4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.


Ten aanzien van het griffierecht




4.12.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.


Ten aanzien van de kosten van het bezwaar




4.13.
Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van bezwaar wijst het hof af. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar voordat de inspecteur op bezwaar heeft beslist.


Ten aanzien van de proceskosten




4.14.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.





5Beslissing

Het hof:


verklaart het hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank.



De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

S.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen


Het aanwenden van een rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;


Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:




de naam en het adres van de indiener;


de dagtekening;


een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


e gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.


Artikel 7 Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).



Stb. 2013, 50.


HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:559.


Artikel 7:15, lid 3, Awb.
Link naar deze uitspraak