|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:6142 | | | | | Datum uitspraak | : | 17-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/778537 | | Rechtsgebied | : | Burgerlijk procesrecht | | Indicatie | : | Eiser vordert een verklaring voor recht dat gedaagden jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld (6:162 BW) en verwijzijng naar schadestaatprocedure om de schade vast te stellen. Vorderingen worden afgewezen omdat niet vast is komen te staan dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld en causaaal verband ontbreekt. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | huurovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/778537 / HA ZA 25-1693
Vonnis van 17 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. H.A. Sarolea,
tegen
1
[gedaagde 1],
te [woonplaats 2],2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 3],
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 25 maart 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en
- de mondelinge behandeling van 3 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, die zich in het dossier bevinden, en het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling met de daarin vermelde processtukken. In dit verkorte proces-verbaal wordt verwezen naar spreekaantekeningen, er zijn evenwel geen spreekaantekeningen voorgedragen en dus ook niet aan het procesdossier toegevoegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] huurde van 1990 tot augustus 2021 een woning aan de [adres met toevoeging 1] te [plaats]. [gedaagde 1] woonde van 2017 tot in ieder geval oktober 2020 aan de [adres met toevoeging 2] en was de bovenbuurvrouw van [eiser]. [gedaagde 2] is de vader van [gedaagde 1].
2.2.
De verhuurder van de [adres] heeft in 2018 tegen [eiser] een procedure aanhangig gemaakt en daarin ontbinding van haar huurovereenkomst en ontruiming van haar woning gevorderd op grond van slecht huurderschap door het veroorzaken van overlast. Bij vonnis van 10 maart 2020 heeft de kantonrechter te Amsterdam de huurovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de woning, uiterlijk zes maanden na dat vonnis. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser] is bij dagvaarding van 25 mei 2020 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis en heeft daarbij een incidentele vordering ingesteld strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis zolang het hoger beroep nog loopt.
2.3.
[gedaagde 2] heeft op 29 september 2020, dus tijdens de procedure in hoger beroep, een e-mail aan mr. S.J. Kloosterman, de advocaat van de verhuurder, gestuurd waarin hij zijn zorgen deelde over de situatie op de [adres].
2.4.
Op 9 oktober 2020 heeft er een incident in het trappenhuis van de [adres] plaatsgevonden. [eiser] heeft naar aanleiding van dit incident de volgende dag, dus op 10 oktober 2020, een brief aan [gedaagde 2] gestuurd. [gedaagde 2] heeft deze brief op 11 oktober 2020 aan mr. Kloosterman doorgestuurd met de begeleidende tekst: ‘de intimidatie heeft nu ook [woonplaats 3] bereikt’.
2.5.
[gedaagde 1] heeft op 12 oktober 2020 ook een e-mail aan mr. Kloosterman gestuurd.
2.6.
Op 24 november 2020 heeft het gerechtshof Amsterdam arrest gewezen over de incidentele vordering van [eiser], strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van de kantonrechter. [eiser] is in deze incidentele vordering gedeeltelijk in het gelijk gesteld, doordat zij vier maanden extra de tijd kreeg om haar woning te ontruimen, namelijk tot 1 februari 2021. In augustus 2021 is de woning van [eiser] aan de [adres met toevoeging 1] daadwerkelijk ontruimd.
2.7.
Op 11 april 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam in zijn eindarrest het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en dus bepaald dat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woonruimte terecht is geweest.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht te verklaren dat beide gedaagden onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door de wijze waarop zij mr. Kloosterman vals hebben geïnformeerd over de bedreiging die er op 9 oktober 2020 vanaf de overloop naast haar toenmalige woning heeft plaats gehad en gedaagde [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van alle door haar ten gevolge hiervan geleden schade, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
Aan de vordering legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. Daardoor heeft zij schade geleden. [gedaagde 1] moet die schade aan [eiser] vergoeden.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (artikel 6.162 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) moet voldaan zijn aan vijf vereisten: (i) een onrechtmatige daad, (ii) toerekenbaarheid van de daad aan de dader, (iii) schade, (iv) causaal verband tussen daad en schade en (v) relativiteit.
4.2.
Omdat [eiser] zich op het in artikel 6.162 BW opgenomen rechtsgevolg (de verbintenis tot schadevergoeding) beroept, rusten de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van onrechtmatig handelen en dat zij hierdoor schade heeft geleden op [eiser]. Dit volgt uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Concreet betekent dit dat [eiser] niet alleen moet aanvoeren dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld en dat [eiser] hierdoor schade heeft geleden, maar ook dat zij haar stellingen op dit punt moet concretiseren, aanvullen en - zo nodig - nader moet onderbouwen: met algemeenheden kan niet worden volstaan.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar stellingen dat sprake is van een onrechtmatige daad en dat zij hierdoor schade heeft geleden onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat [gedaagden] een onrechtmatige daad hebben gepleegd jegens [eiser] en dat zij daardoor schade heeft geleden. Dit wordt hierna toegelicht, waarbij eerst wordt ingegaan op de verwijten jegens [gedaagde 2] en daarna op de verwijten richting [gedaagde 1].
Geen onrechtmatige daad van [gedaagde 2]
4.4.
In de dagvaarding wordt ter onderbouwing van de onrechtmatige daad door [gedaagde 2] in de eerste plaats verwezen naar een ‘weinig verheffende’ e-mail die hij op 29 september 2020 ‘zonder enig hoor en wederhoor’ aan mr. Kloosterman heeft gestuurd. De gevorderde verklaring voor recht ziet echter alleen op het incident van 9 oktober 2020. Aangezien deze e-mail voor het incident van 9 oktober 2020 is gestuurd, kan deze e-mail niet geleid hebben tot het vals informeren van mr. Kloosterman over het incident in het trappenhuis op 9 oktober 2020.
4.5.
In de tweede plaats stelt [eiser] dat [gedaagde 2] onrechtmatig zou hebben gehandeld doordat hij de brief van [eiser] van 10 oktober 2020 op 11 oktober 2020 aan mr. Kloosterman heeft doorgestuurd met de begeleidende tekst: ‘de intimidatie heeft nu ook [woonplaats 3] bereikt’. Desgevraagd heeft eisende partij ter zitting niet kunnen uitleggen waarom dit een onrechtmatige gedraging is geweest. Niet valt in te zien waarom [gedaagde 2] de brief die [eiser] aan hem stuurde met daarin beschuldigingen over zijn dochter [gedaagde 1] niet met deze begeleidende tekst aan de advocaat van de verhuurder van het appartement van zijn dochter mocht doorsturen. Dat [gedaagde 2] de brief van [eiser] kennelijk als intimiderend heeft opgevat terwijl [eiser] stelt dat deze brief niet intimiderend was bedoeld, maakt dit niet anders. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat [gedaagde 2] met deze twee gedragingen niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.
Geen onrechtmatige daad van [gedaagde 1]
4.6.
[eiser] stelt dat de gehele inhoud van de e-mail die [gedaagde 1] op 12 oktober 2020 aan mr. Kloosterman heeft gestuurd onrechtmatig is.
4.7.
In deze e-mail beschrijft [gedaagde 1] eerst hoe zij de gebeurtenissen die in haar eigen appartement op de [adres met toevoeging 2] hebben plaatsgevonden, heeft ervaren. Hier is [eiser] niet bij geweest en zij heeft dus ook niet kunnen onderbouwen waarom de beschrijving van specifiek deze gebeurtenissen feitelijk onjuist zou zijn, laat staan onrechtmatig. Vervolgens staat in de e-mail dat [gedaagde 1] zelf niet bij het trapincident van 9 oktober 2020 aanwezig is geweest en slechts beschrijft wat een van de personen die er wel bij was aan haar heeft verteld. [eiser] heeft niet kunnen aantonen dat die persoon dat niet aan haar verteld zou hebben en het enkel beschrijven van wat iemand anders haar heeft verteld, ook al zou het niet waar zijn wat die ander haar heeft verteld, is niet onrechtmatig. Ten slotte bevat deze e-mail een beschrijving van wat er op een filmpje van het trapincident op 9 oktober 2020 te zien zou zijn. De rechtbank begrijpt uit het betoog van [eiser] dat er in de procedure tussen [eiser] en de verhuurder van haar appartement meerdere versies van dit filmpje in omloop zijn geraakt en dat er tussen die partijen discussie is ontstaan over welke versie van dit filmpje de echte is. In de procedure tussen [eiser] en [gedaagden] is echter niet gebleken dat [gedaagde 1] dit filmpje vervalst zou hebben of op onjuiste wijze zou hebben beschreven. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat [gedaagde 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld door haar e-mail van 12 oktober 2020 aan mr. Kloosterman te sturen.
Geen causaal verband
4.8.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zelfs als er wel sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagden] zou zijn, hetgeen niet het geval is, er geen causaal verband bestaat tussen de schade die [eiser] heeft geleden en de gedragingen van [gedaagden]
4.9.
De rechtbank begrijpt en kan het zich goed voorstellen dat [eiser] aanzienlijke schade heeft geleden doordat zij haar huurwoning heeft moeten verlaten, geen vervangende huurwoning in [plaats] kan vinden en niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. [eiser] heeft in deze procedure echter niet aangetoond dat die schade het gevolg is van de gedragingen van [gedaagden]
4.10.
Zowel in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 november 2020 over de incidentele vordering van [eiser] als in het eindarrest van dit hof van 11 april 2023 wordt met geen woord gerept over het incident in het trappenhuis van 9 oktober 2020. Kennelijk is dit dus ook niet de reden geweest dat [eiser] haar huurappartement moest verlaten. In het arrest van 24 november 2020 staat slechts, nadat het hof tot de conclusie is gekomen dat het belang van [eiser] niet opweegt tegen het belang van de verhuurder, het zinnetje: “Dat die rust in de zeven maanden na het bestreden eindvonnis is teruggekeerd, is het hof geenszins gebleken.” Dat het hof hierbij specifiek op het incident in het trappenhuis van 9 oktober 2020 doelt is niet gebleken, laat staan dat het hof oordeelt dat dit incident de schuld van [eiser] zou zijn en dat dit redengevend voor de arresten van het hof is geweest.
4.11.
Ter zitting heeft partij [eiser] nog gesteld dat het hof wel onbewust beïnvloed zou kunnen zijn doordat mr. Kloosterman de onjuiste verklaringen van [gedaagden] in het geding heeft gebracht en dat dit doorslaggevend voor de uitkomst van deze procedure kan zijn geweest. Dit standpunt is echter betwist en in het geheel niet onderbouwd waardoor de rechtbank hieraan voorbij gaat.
4.12.
Het voorgaande betekent dat zelfs als de berichten van [gedaagden] aan mr. Kloosterman onrechtmatig zouden zijn er niet is aangetoond dat [eiser] daardoor haar huurwoning is kwijtgeraakt en daardoor schade heeft geleden. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste causale verband om tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad te komen. De gevorderde verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld en de vordering om [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van alle door [eiser] ten gevolge hiervan geleden schade nader op te maken bij staat wordt daarom afgewezen.
4.13.
Gezien het voorgaande hoeft op de meest verstrekkende verweren van [gedaagden] over de verjaring en rechtsverwerking van de vorderingen van [eiser] niet meer ingegaan te worden.
Proceskostenveroordeling
4.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagden] betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden in totaal begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.826,00
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en
5.4.
verklaart de kostenveroordelingen onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Versteeg en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|