|
|
|
| ECLI:NL:OGEAA:2026:156 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-06-2026 | | Instantie | : | Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba | | Zaaknummers | : | AUA202502314 AR | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kinderen van overledene kunnen geen aanspraak meer maken op hun legitieme portie. De termijn die is bepaald in de overgangsregeling bij het nieuwe erfrecht is inmiddels verstreken. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | erfenis | | | erfgenamen | | | erfrecht | | | legitieme portie | | | testament | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | Vonnis van 10 juni 2026
Behorend bij AUA202502314 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
1[Eiser 1],
2. [Eiser 2],
3. [Eiser 3],
te Aruba,
eisers, hierna ook te noemen: [eisers],
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. P.R.C. Brown.
1DE PROCEDURE
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingediend op 30 juli 2025;
- de conclusie van antwoord, ingediend op 19 november 2025;
- de rolbeschikking van 10 december 2025, waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de comparitie van partijen op 3 februari 2026, waarop zijn verschenen:
- alle eisers in persoon ([eiser 1] via een videoverbinding), bijgestaan door mr. Kock;
- [ Gedaagde] in persoon, bijgestaan door mr. Brown en mr. S. Tromp;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigden.
1.2
Na afloop van de comparitie is de zaak enige tijd aangehouden om partijen in staat te stellen om in overleg een oplossing te zoeken. Op 29 april 2026 hebben [eisers] vonnis gevraagd. Het Gerecht leidt daaruit af dat het partijen niet is gelukt om overeenstemming te bereiken.
1.3
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.
2DE VASTSTAANDE FEITEN
2.1
De heer [erflater] (hierna: erflater) is overleden op 4 juli 1993. [Eisers] zijn de kinderen uit het eerste huwelijk van erflater. [Gedaagde] is van 25 november 1983 tot de datum van zijn overlijden met erflater getrouwd geweest. Erflater en [gedaagde] hebben samen twee kinderen gekregen.
2.2
Erflater heeft bij testament van 4 november 1991 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflater (voor zover van belang) [gedaagde] tot zijn enig erfgenaam benoemd.
2.3
Tot de nalatenschap van erflater behoren (onder andere) de woningen aan [adres 1] en [adres 2].
2.4
Na het overlijden van erflater heeft [gedaagde] de goederen van de nalatenschap (waaronder de woningen) gebruikt en de schulden van de nalatenschap afgelost. Tussen [gedaagde] en [eisers] is er nagenoeg geen contact geweest.
3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1 [
Eisers] vorderen dat het Gerecht:
i. voor recht verklaart dat de woningen aan [adres 1] en [adres 2] behoren tot de nalatenschap van erflater;
ii. bepaalt dat [eisers] wegens hun beroep op hun legitieme portie ieder recht hebben op 3/20e deel van de nalatenschap en dus ook op 3/20e deel van de woningen;
iii. bepaalt dat deze uitspraak op grond van artikel 3:17 BW in de openbare registers kan worden ingeschreven;
iv. [Gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, althans bepaalt dat de proceskosten voor rekening van de nalatenschap komen.
3.2 [
Gedaagde] voert verweer.
3.3
Het Gerecht gaat hierna in op de standpunten van partijen, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van de vordering.
4DE BEOORDELING
4.1 [
Eisers] zijn deze procedure begonnen, omdat zij aanspraak willen maken op hun zogenoemde legitieme portie. Dat is het deel van de erfenis waarop een kind van een overledene aanspraak kan maken, ook als erflater iemand anders tot erfgenaam heeft benoemd.
4.2 [
Gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eisers] geen beroep meer kunnen doen op hun legitieme portie, omdat zij hun legitieme aanspraak te laat geldend hebben gemaakt. [Eisers] hebben dat bestreden.
4.3
Het Gerecht overweegt als volgt.
4.4
Toen erflater in 1993 overleed, gold het oude Arubaanse erfrecht. Volgens dit recht kon een kind van de overledene aanspraak maken op de legitieme portie. Bij het inwerkingtreden van het nieuwe erfrecht, op 1 september 2021, is de legitieme portie afgeschaft. Sindsdien kan een erflater zijn kinderen dus volledig onterven, voor die tijd kon dat niet.
4.5
Omdat erflater is overleden onder het nieuwe erfrecht, konden [eisers] na zijn overlijden een beroep doen op hun legitieme portie. Met ingang van 1 september 2021 zijn de regels echter veranderd, en [eisers] hebben voor het eerst in het verzoekschrift van 30 juli 2025 aanspraak gemaakt op hun legitieme portie. De vraag is of dit toen nog kon.
4.6
In artikel 83 van de overgangsbepalingen bij het nieuwe Burgerlijk Wetboek (AB 2021, no. 43) is het volgende bepaald:
1. Is de nalatenschap voor het in werking treden van [het nieuwe erfrecht] opengevallen, dan kan een legitimaris zijn bevoegdheden overeenkomstig het tevoren geldende recht uitoefenen.
2. Degene die tot aan het tijdstip van het in werking treden van [het nieuwe erfrecht] volgens het tevoren geldende recht zijn bevoegdheden als legitimaris kon uitoefenen, behoudt die bevoegdheden gedurende een jaar nadien, indien de erflater ten minste vier jaren vóór dat tijdstip is overleden. Is de nalatenschap later, doch vóór het in werking treden van die landsverordening opengevallen, dan behoudt de legitimaris zijn bevoegdheden totdat sedert het overlijden van de erflater vijf jaren zijn verstreken.
4.7
Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze bepaling moet worden uitgelegd. [Eisers] menen dat het nieuwe recht geen verandering heeft gebracht in hun mogelijkheden: in artikel 83 lid 1 van de overgangsbepalingen is immers bepaald dat zij hun bevoegdheden kunnen uitoefenen, zoals zij dat onder het oude recht ook konden. [Gedaagde] wijst echter op artikel 83 lid 2 en trekt daaruit de conclusie dat [eisers] hun aanspraak te laat geldend hebben gemaakt.
4.8
Het Gerecht is het met [eisers] eens, en wel om de volgende reden.
In artikel 83 lid 1 van de overgangsbepalingen staat dat iemand die onder het oude recht een legitieme aanspraak had gekregen, dat recht ook na de inwerkingtreding van het nieuwe recht behield. Erfgenamen die bij het inwerkingtreden van het nieuwe erfrecht een legitieme aanspraak hadden verkregen, verloren die dus niet.
In artikel 83 lid 2 van de overgangsbepalingen is er echter wel een limiet verbonden aan de periode waarbinnen een legitimaris zijn aanspraak geldend moet maken. Voor “oude” nalatenschappen, die waren opengevallen vóór 1 september 2017, gold dat de legitimaris nog een jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe recht (dus tot 1 september 2022) de tijd had om een beroep te doen op zijn legitieme portie. Voor “nieuwere” nalatenschappen, die waren opengevallen tussen 1 september 2017 en 1 september 2021, gold dat de legitimaris zijn aanspraak binnen vijf jaar na het overlijden van erflater geldend moest maken.
4.9
In dit geval is sprake van een “oude” nalatenschap: erflater is immers overleden op 4 juli 1993. Dit betekent dat [eisers] op grond van artikel 83 leden 1 en 2 van de overgangsbepalingen, tot 1 september 2022 de tijd hadden om aanspraak te maken op hun legitieme portie. Dat hebben zij niet gedaan: gesteld noch gebleken is dat zij ooit contact hebben opgenomen met [gedaagde] voordat zij deze procedure aanhangig maakten, en het verzoekschrift in deze procedure is ingediend op 30 juli 2025. Dat is te laat.
4.10
Dit betekent dat [eisers] geen aanspraak meer kunnen maken op hun legitieme portie en dat hun vorderingen worden afgewezen. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of [eisers] hun aandeel in de woning goed hebben berekend (dat hangt af van de vraag of erflater en [gedaagde] binnen of buiten gemeenschap van goederen met elkaar waren getouwd) en wat precies de omvang was van de nalatenschap, nu [gedaagde] tijdens de zitting heeft verteld dat de nalatenschap nagenoeg failliet was.
4.11
In procedures als deze, waarin partijen (aangetrouwde) familie van elkaar zijn, wordt vaak bepaald dat ieder van partijen de eigen proceskosten betaalt. In dit geval ziet het Gerecht echter aanleiding om van dit gebruik af te wijken. Gebleken is dat [eisers] hun vordering hebben ingesteld, zonder dat zij ooit aan [gedaagde] hebben laten weten dat zij aanspraak wilden maken op hun legitieme portie. Daardoor heeft [gedaagde] niet de gelegenheid gehad om [eisers] te laten weten dat zij meende dat [eisers] te laat waren om hun legitieme aanspraak nog geldend te maken, en kon deze discussie pas in deze procedure worden gevoerd. Om die reden bepaalt het Gerecht dat [eisers] de proceskosten van [gedaagde] moeten betalen. Die worden begroot op Afl. 2.500,- aan kosten van de gemachtigde (2 punten x tarief 5 van het liquidatietarief).
5DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de kosten van de procedure van [gedaagde], die tot de datum van deze uitspraak worden begroot op Afl. 2.500,- aan salaris van de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag waarop alles zal zijn betaald;
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de nakosten, die worden begroot op Afl. 250,- zonder betekening en te vermeerderen met Afl. 150,- als dit vonnis wordt betekend;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|