Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:814 
 
Datum uitspraak:08-06-2026
Datum gepubliceerd:25-06-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:26/258 WLZ-PV
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De Svb heeft verzoeker laten weten dat hij vanaf 1 januari 1996 niet verzekerd is geweest voor de Wlz omdat hij niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
Trefwoorden:ingezetene
 
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter


26258 WLZ-PV, 26/884 WLZ-VV-PV









Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2026, 25/4609 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)






Datum uitspraak: 8 juni 2026
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: N. Gios

Verzoeker heeft aan de zitting deelgenomen via videobellen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.




BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep



bevestigt de aangevallen uitspraak;


wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


De voorzieningenrechter doet gelijk uitspraak in de hoofdzaak.



1.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.



1.2.
Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.



1.3.
De onder 1.2 bedoelde situatie doet zich voor. Ook overigens zijn er geen beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.


Feiten en omstandigheden


2. Verzoeker is Portugees en is in december 1995, toen hij 17 jaar was, naar Amsterdam gekomen voor vakantie. Hij is toen naar eigen zeggen in aanraking gekomen met gelegaliseerde cannabis. In januari 1996 is hij weer teruggekeerd naar Portugal. Hij stelt dat hij sinds het gebruik van cannabis ernstige psychische klachten heeft ontwikkeld en daardoor in armoede en sociaal geïsoleerd leeft. Verzoeker houdt Nederland verantwoordelijk voor zijn situatie en vindt dat hij verzekerd moet worden geacht op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).


De besluiten van de Svb




2.1.
Verzoeker heeft de Svb op 12 maart 2025 verzocht te onderzoeken of hij vanaf 1 januari 1996 verzekerd is voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Met een besluit van 4 april 2025 heeft de Svb verzoeker laten weten dat hij vanaf 1 januari 1996 niet verzekerd is voor de Wlz, omdat hij nooit gewoond of gewerkt heeft in Nederland. Met een besluit van 27 juni 2025 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2025 ongegrond verklaard.

De uitspraak van de rechtbank


3. De rechtbank heeft het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


De gronden van verzoeker


4. Volgens verzoeker is er een causaal verband tussen de moeilijke situatie waarin hij nu verkeert en het tolerante softdrugsbeleid van Nederland in 1995. Hij houdt Nederland hiervoor verantwoordelijk en wil dan ook door Nederland financieel gecompenseerd worden. Verzoeker weerspreekt niet dat hij geen ingezetene van Nederland is of is geweest. Ook heeft hij niet in Nederland gewerkt. Volgens verzoeker is zijn arbeidsongeschiktheid in Nederland ontstaan en zou hij op grond van het Unierecht verzekerd moeten worden geacht in Nederland.


Het oordeel van de voorzieningenrechter


5. Met verzoeker is ter zitting besproken dat het in deze procedure uitsluitend gaat om de vraag of verzoeker terecht niet verzekerd is geacht voor de Wlz. In nationale en Europese regelgeving is geen grondslag te vinden voor verzekering van verzoeker voor de Wlz. Als verzoeker de Nederlandse Staat aansprakelijk wil stellen voor zijn situatie zal hij dat in een civiele procedure moeten doen. De Raad is hiervoor niet de bevoegde instantie. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bestaat geen aanleiding, omdat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Er is geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.


Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzieningenrechter

(getekend) N. Gios (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Link naar deze uitspraak