Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:797 
 
Datum uitspraak:09-06-2026
Datum gepubliceerd:25-06-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/501 AOW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Wijziging AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde onterecht. De Svb heeft onvoldoende uitvoering gegeven aan het besluit van 3 september 2024. Uit de resultaten van het ingestelde nader onderzoek blijkt de aard en omvang van de zorg die X aan appellant verleent op geen enkele wijze. De Raad bepaalt dat het AOW-pensioen van appellant vanaf 1 januari 2024 moet worden betaald naar de norm voor een alleenstaande en hij hoeft niets terug te betalen.
Trefwoorden:aow
wettelijke rente
 
Uitspraak
25/501 AOW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (rechtbank) van 18 februari 2025, 25/67 en 25/68 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)






Datum uitspraak: 9 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of de Svb het AOW-pensioen van appellant terecht heeft gewijzigd naar de norm voor een gehuwde. Volgens appellant heeft de Svb geen goede uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 3 september 2024 waarin is geoordeeld dat de wederzijdse zorg niet blijkt uit meldingen van appellant aan diverse organen. Daarin krijgt appellant gelijk. De Raad bepaalt dat het AOW-pensioen van appellant vanaf 1 januari 2024 moet worden betaald naar de norm voor een alleenstaande.




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft de [naam stichting] hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Ook heeft appellant een verzoek om een voorlopige voorziening en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Op 27 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 april 2026. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.
Appellant ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde. Op 14 december 2023 heeft appellant aan de Svb gemeld dat X, zijn dagelijks verzorger wegens gezondheidsredenen, bij hem komt wonen. Op 21 december 2023 heeft appellant over zijn woonsituatie aanvullend doorgegeven dat hij met iemand woont die niet of nauwelijks bijdraagt aan het huishouden (financieel of door voor elkaar te zorgen).


1.2.
Met een brief van 11 januari 2024 heeft de Svb appellant verzocht een vragenformulier “Onderzoek woonsituatie” met eventuele bewijsstukken ingevuld te retourneren. Appellant heeft in zijn reactie hierop gewezen op zijn aanvulling van 21 december 2023 dat hij “met iemand woont die niet of nauwelijks bijdraagt aan het huishouden (financieel of door voor elkaar te zorgen)”. Met een brief van 24 januari 2024 heeft de Svb appellant verzocht om het bijgevoegde formulier “Onderzoek gezamenlijk huishouden” in te vullen. Appellant heeft het formulier geretourneerd en hierin onder meer opgegeven dat X niet bijdraagt in de kosten van het huishouden en dat zij geen gezamenlijke bankrekening hebben. Appellant heeft verder opnieuw verwezen naar zijn aanvulling van 21 december 2023.


1.3.
Op 1 februari 2024 heeft een medewerker van de afdeling dienstverlening van de Svb een opdracht gegeven tot een onderzoek naar een mogelijke gezamenlijke huishouding van appellant en X door een medewerker van de afdeling handhaving van de Svb.


1.4.
Met een besluit van 21 februari 2024 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant per februari 2024 voorlopig aangepast naar dat voor een gehuwde omdat de leefsituatie van appellant niet duidelijk is vast te stellen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.


1.5.
De resultaten van het onder 1.3 vermelde onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 11 maart 2024. De Svb heeft dossieronderzoek verricht en gegevens geraadpleegd van onder meer Suwinet, de Bedrijvengids, het Kadaster en openbare bronnen op het internet. Er is telefonisch contact opgenomen met een woningbouwstichting en er zijn bij die stichting stukken opgevraagd. Daarbij is gebleken dat X afkomstig is uit Duitsland, dat zij geen AOW-pensioen ontvangt en dat zij sinds 14 december 2023 in de Basisregistratie personen (BRP) staat ingeschreven op het adres van appellant. De woningbouwstichting [naam] (verhuurder) heeft in december 2023 een verzoek van appellant ontvangen om X als medehuurder aan te merken, omdat zij sinds zes jaar zijn dagelijkse zorgbegeleider/-verlener en vaste levenspartner is. Op 7 maart 2024 hebben twee medewerkers van de Svb een huisbezoek afgelegd in de woning van appellant. Op verzoek van appellant was X niet bij het gesprek aanwezig. Tijdens het huisbezoek is het formulier “Checklist gezamenlijke huishouding” en het formulier “Verklaring omtrent huisbezoek” ingevuld. Appellant heeft verklaard dat X geen zorg aan hem verleent en dat zij niet bijdraagt aan het huishouden. Na confrontatie met de informatie van de verhuurder heeft appellant verklaard dat hij alleen om X medehuurder te maken heeft gezegd dat zij zijn levenspartner is en dat zij een gezamenlijke huishouding voeren op hetzelfde adres.


1.6.
Op 16 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening in verband met het besluit van 21 februari 2024 toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank het besluit van 21 februari 2024 geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar en bepaald dat het AOW-pensioen voorlopig weer moet worden uitbetaald als dat voor een alleenstaande.


1.7.
Met een beslissing op bezwaar van 1 mei 2024 heeft de Svb het besluit van 21 februari 2024 herroepen.


1.8.
Met een besluit van 2 mei 2024, na bezwaar gehandhaafd met een beslissing op bezwaar van 7 juni 2024, heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant met ingang van 1 januari 2024 herzien naar een pensioen voor een gehuwde en het over de maand januari 2024 teveel ontvangen AOW-pensioen van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 443,81. Volgens de Svb voert appellant een gezamenlijke huishouding met X. De wederzijdse zorg blijkt weliswaar niet uit de bevindingen van het huisbezoek, maar wel uit de melding van appellant van 14 december 2023 en de correspondentie met zijn verhuurder.


1.9.
Op 3 september 2024 heeft de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 7 juni 2024 gegrond verklaard. Volgens de rechtbank staat niet vast dat X daadwerkelijk zorg verleent aan appellant, laat staan wat de aard en omvang daarvan is. Appellant heeft tijdens het huisbezoek uitleg gegeven over de berichten aan zijn verhuurder. Hoewel de uitleg van appellant laakbaar is en zijn geloofwaardigheid in twijfel wordt getrokken, is dat onvoldoende om te concluderen dat sprake is van wederzijdse zorg. Het had op de weg van de Svb gelegen om nadere vragen te stellen aan appellant en X om een beter beeld te krijgen wat de aard van de zorg precies is. Ook had de Svb informatie kunnen inwinnen bij de gemeente en appellant kunnen vragen meer informatie te verstrekken over zijn gezondheidstoestand. Hieruit volgt dat er onvoldoende duidelijkheid is om te concluderen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank heeft dus het beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 7 juni 2024 vernietigd en de Svb opdracht gegeven binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.


1.10.
Met brieven van 4 oktober 2024 heeft de Svb nadere informatie opgevraagd bij de afdelingen burgerzaken, Wmo en bijstand van de gemeente Dijk en Waard (gemeente). Verder heeft de Svb nadere informatie gevraagd aan appellant en aan X.


1.11.
De gemeente heeft gegevens aan de Svb verstrekt, waaronder een e-mail van appellant van 14 december 2023 aan de gemeente waarin hij in het kader van een lopende aanvraag om bijzondere bijstand meedeelt dat zijn noodzakelijke dagelijks verzorger in de BRP op zijn adres staat ingeschreven en verder een besluit van 18 december 2023 waarin de gemeente, in reactie op deze email, de huidige vastgestelde draagkracht met ingang van 14 december 2023 heeft gewijzigd omdat sprake is van een samenwoonsituatie. Bij een aanvraag bijzondere bijstand in de toekomst zal de draagkracht van appellant opnieuw beoordeeld en vastgesteld worden. Appellant heeft in zijn reactie aangegeven dat zijn gezondheidssituatie stabiel is, dat hij en X elkaar niet verzorgen bij ziekte en dat X niet bijdraagt aan het huishouden. Hij heeft X inwoning verleend op humanitaire gronden na ongewild verlies van haar woning in Duitsland. X heeft niet gereageerd.


1.12.
Met een nieuwe beslissing op bezwaar van 7 januari 2025 (bestreden besluit) heeft de Svb de herziening van het AOW-pensioen van appellant per 1 januari 2024 naar dat voor een gehuwde opnieuw gehandhaafd en een bedrag van € 515,69 van appellant teruggevorderd. Omdat appellant sinds het besluit van 18 december 2023 van de gemeente met ingang van 14 december 2023 voor de Participatiewet (PW) staat geregistreerd als een gezamenlijke huishouding moet ook voor de AOW worden uitgegaan van een gezamenlijke huishouding. Verder is ten overvloede overwogen dat sprake is van wederzijdse zorg tussen appellant en X. De Svb hecht meer waarde aan de melding van 14 december 2023 aan de Svb en de correspondentie met de verhuurder dan aan de door appellant later verstrekte informatie dat X niet financieel dan wel actief bijdraagt aan het huishouden en dat X geen zorg verleent aan appellant. Ook hecht de Svb waarde aan de e-mail van appellant van 14 december 2023 aan de gemeente en de verklaring van appellant ter zitting bij de rechtbank van 16 april 2024 dat X al 5 á 6 jaar zorg verleent vanwege de slechte gezondheidstoestand van appellant.


Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant zelf rond 1 januari 2024 bij drie verschillende organen dan wel instanties heeft gemeld dat X bij hem komt wonen en dat X zijn vaste dagelijks verzorger is. De rechtbank volgt de Svb dat hieruit een meer dan een louter marginale of incidentele wederzijdse betrokkenheid blijkt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt waarom niet van deze verklaringen kan worden uitgegaan en heeft ook niet met concrete verifieerbare gegevens aangetoond dat zijn eerdere verklaringen onjuist zijn. Hoewel appellant later op de aan hem toegezonden formulieren en tijdens het huisbezoek heeft verklaard dat zij elkaar niet helpen bij ziekte, heeft de Svb meer waarde mogen hechten aan de verklaringen van appellant dat X zijn dagelijks verzorger is aangezien dit zijn eerste verklaringen betreffen. De ter zitting ingenomen stelling dat appellant daarbij is vergeten te verklaren dat X zijn dagelijks verzorger “is geweest” acht de rechtbank niet geloofwaardig. Niet valt in te zien waarom appellant dit pas voor het eerst in beroep heeft verklaard.


Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening van het AOW-pensioen van dat voor een alleenstaande naar een gehuwdenpensioen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2024 tot en met 2 mei 2024 (datum van het herzieningsbesluit).


4.2.
Ter zitting van de Raad heeft de Svb zich niet langer op het standpunt gesteld dat, vanwege een registratie van appellant voor de PW als gezamenlijke huishouding, ervan uit moet worden gegaan dat appellant ook voor het AOW-pensioen een gezamenlijke huishouding voert met X.


4.3.
Niet in geschil is dat appellant zorg verleent aan X. Het geschil is beperkt tot de vraag of X zorg verleent aan appellant.


4.4.
Wat appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft toegelicht begrijpt de Raad zo dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of de Svb op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de in rechte vaststaande uitspraak van de rechtbank van 3 september 2024, waarin de rechtbank heeft geconcludeerd dat uit de melding van 14 december 2023 aan de Svb en de correspondentie met de verhuurder onvoldoende blijkt dat sprake is van wederzijdse zorg. De Svb is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, omdat niet vaststaat dat X daadwerkelijk zorg verleent aan appellant, en zo ja, wat de aard en omvang van die zorg is. Hierin is de Svb niet geslaagd, omdat uit het daarna door de Svb ingestelde nader onderzoek volgens appellant niet alsnog kan worden afgeleid dat sprake is van wederzijdse zorg. Deze grond slaagt.


4.5.
De Raad is met appellant van oordeel dat de rechtbank de vraag voorop had moeten stellen of de Svb op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 3 september 2024. De Svb heeft ter uitvoering van deze uitspraak nadere informatie opgevraagd en verkregen zoals weergegeven onder 1.10 en 1.11. Ter zitting heeft de Svb toegelicht dat de onderbouwing voor het standpunt dat er ook sprake is van zorg van X aan appellant, bestaat uit meldingen van appellant op 14 december 2023 aan diverse instanties en bestuursorganen. De Svb heeft in het bestreden besluit daarmee op grond van soortgelijke meldingen van appellant, die hij al had tegengesproken en uitgelegd, opnieuw geconcludeerd dat X zorg verleent aan appellant, terwijl de rechtbank al in de uitspraak van 3 september 2024 had geoordeeld dat deze meldingen onvoldoende waren om wederzijdse zorg aan te nemen. Ook na het in opdracht van de rechtbank uitgevoerde onderzoek is de aard en omvang van de zorg onduidelijk gebleven. De Svb heeft daarom op onjuiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van 3 september 2024. De rechtbank heeft dit niet onderkend.




Conclusie en gevolgen


4.6.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover aangevochten.


4.7.
Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil over de vraag of sprake is van wederzijdse zorg ziet de Raad – mede gelet op het tijdsverloop – aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De Svb is na de uitspraak van 3 september 2024 in de gelegenheid gesteld nader onderzoek te verrichten naar de vraag of X zorg verleent aan appellant. Uit de resultaten van het door de Svb ingestelde nader onderzoek blijkt de aard en omvang van de zorg die X aan appellant verleent op geen enkele wijze. De Svb heeft geen aanleiding gezien om hierna nog aanvullend onderzoek te verrichten. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding het besluit van 2 mei 2024 te herroepen omdat dit besluit berust op een gebrekkige motivering en onzorgvuldig onderzoek en dit niet kan worden hersteld. Dit heeft tot gevolg dat appellant vanaf 1 januari 2024 het recht op een AOW-pensioen voor een ongehuwde heeft behouden en niets hoeft terug te betalen.

Schadevergoeding



4.8.
Het verzoek van appellant om schadevergoeding wordt toegewezen. De Svb zal worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De Svb dient over de nabetaling van het AOW-pensioen vanaf 1 januari 2024 de verschuldigde wettelijke rente te vergoeden. Voor de wijze waarop het college de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012. Eventuele overige schade heeft appellant niet onderbouwd.

Proceskosten

5. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de door de [naam stichting] verleende rechtsbijstand. Appellant is voorzitter van deze stichting, waardoor de door de stichting verleende rechtsbijstand niet kan worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De door de [naam stichting] verleende rechtsbijstand komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Omdat het door appellant betaalde griffierecht van € 51,- in de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2024 al is vergoed en omdat appellant in de andere beroepen en in dit hoger beroep geen griffierecht heeft betaald, hoeft de Svb geen griffierecht aan hem te vergoeden.


5.1.
Er bestaat aanleiding om de Svb te veroordelen in de reiskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 21,60 voor in beroep en € 43,20 voor in hoger beroep gemaakte reiskosten, in totaal dus € 64,80.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep



vernietigt de aangevallen uitspraak;


verklaart het beroep tegen het besluit van 7 januari 2025 gegrond en vernietigt dat besluit;


herroept het besluit van 2 mei 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 7 januari 2025;


veroordeelt de Svb tot vergoeding aan appellant van schade zoals onder 4.8 is vermeld;


veroordeelt de Svb in de reiskosten van appellant tot een bedrag van € 64,80.




Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.A. Timmer en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.





(getekend) O.L.H.W.I. Korte





(getekend) A.T. Dannenberg



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.


Zie de uitspraak van 27 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:886.


Uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
Link naar deze uitspraak