|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:805 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-06-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/895 ZW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Er is geen aanleiding om de bij de WIA-beoordeling vastgestelde medische beperkingen te wijzigen en appellante is per 19 oktober 2023 terecht geschikt geacht de geselecteerde functies. | | Trefwoorden | : | nabestaandenuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | 25/895 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2025, 24/4776 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om appellante met ingang van 19 oktober 2023 een ZW-uitkering toe te kennen. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIAbeoordeling geselecteerde functies te vervullen. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. el Ouath, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 april 2026. Voor appellante is mr. El Ouath verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster voor gemiddeld 15,21 uur per week. Op 8 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten en klachten van het botspierstelsel. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 1 mei 2023 geweigerd aan appellante met ingang van 6 juni 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als schoonmaakster, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies.
1.2.
Het Uwv heeft appellante per 6 juni 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Appellante heeft zich op 19 juni 2023, vanuit de WW, opnieuw ziekgemeld met pijnklachten en psychische klachten. In verband hiermee heeft zij op 21 november 2023 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat er geen aanleiding is om de bij de WIA-beoordeling vastgestelde medische beperkingen te wijzigen en appellante per 19 oktober 2023 onverminderd geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Daarom heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2023 geweigerd appellante per 19 oktober 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 28 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uw het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 maart 2024 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3.1
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is haar medische situatie in oktober 2023 verslechterd. Zij lijdt aan fibromyalgie en heeft ernstige psychische klachten. Deze klachten zijn volgens haar progressief en leiden tot aanzienlijke beperkingen in de belastbaarheid. Volgens appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking is aangenomen, terwijl zij door vermoeidheid en pijn slechts beperkt inzetbaar is. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nagelaten de aanvullende medische informatie van de behandelend specialisten op juiste wijze in de beoordeling te betrekken.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaande aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
4.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer heeft ziekgemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak was aangenomen – een weigering van een ZWuitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk tenminste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, en
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIAbeoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van tenminste 65%.
4.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
4.4.
De beroepsgrond van appellante dat haar medische situatie in oktober 2023 is verslechterd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom meer medische beperkingen had moeten aannemen dan bij de WIA-beoordeling, slaagt niet.
4.4.1.
Het onderzoek door de verzekeringsarts is gebaseerd op dossierstudie en eigen medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de dossiergegevens bestudeerd en de van de huisarts op 11 maart 2024 ontvangen medische informatie, waaronder de brieven van MDL-arts Kuiper van 1 mei 2023 en 4 december 2023 en van neuroloog Moll van 24 juni 2022, alsmede haar eigen bevindingen bij het medisch onderzoek van 2 februari 2024 bij de beoordeling betrokken. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest.
4.4.2.
Er bestaat geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. De door appellante genoemde klachten rond de datum in geding (fibromyalgie en psychische klachten) zijn meegewogen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van toegenomen medische beperkingen ten opzichte van de WIA-beoordeling. Met betrekking tot de urenbeperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 20 september 2024, aan de hand van de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid, nader toegelicht waarom er, in aanvulling op de medische beperkingen die al zijn aangenomen, geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Niet gebleken is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld had van de medische situatie van appellante op de datum in geding. Appellante heeft haar stelling dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen niet aan de hand van objectief medische gegevens onderbouwd. Het feit dat appellante subjectief een toename van haar medische beperkingen ervaart is onvoldoende om aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.
4.5.
Appellante heeft er ter zitting nog op gewezen dat zij vanaf 1 april 2025 van de Sociale Verzekeringsbank een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet ontvangt omdat haar partner is overleden en zij tenminste 45% arbeidsongeschikt is. Dit kan echter niet leiden tot een ander oordeel in de onderhavige zaak, reeds omdat het in dit geding gaat om de aanspraken van appellante op een ZWuitkering per 19 oktober 2023.
Conclusie en gevolgen
4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellante per 19 oktober 2023 geen ZW-uitkering krijgt.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) J. Bonnema
CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|