|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:4882 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 26-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB-24_8045 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Uitspraak over 1) afwijzing van de aanvraag om kwijtschelding van een openstaande vordering met betrekking tot verstrekte leenbijstand, 2) beslissing van het college om zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van eisers verzoek om herziening, en 3) continuering van het beslag op het inkomen van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ad 1) het college de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding eerst tijdens de zitting voldoende gemotiveerd. Passeert dit gebrek op grond van 6:22 Awb. Het college heeft ad 2) ten onrechte gemeend onbevoegd te zijn. Niet onderkend is dat dit standpunt een primair besluit betreft. En het college had het verzoek moeten doorzenden naar de juiste afdeling. Tot slot is ad 3) het standpunt van het college over het voortduren van het beslag geen besluit, maar een mededeling van feitelijke aard. Hiertegen staat geen bezwaar open. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8045
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. P.L.O. van de Waarsenburg)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, het college
(gemachtigde: D.C.J. Woltering).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om kwijtschelding van een openstaande vordering in het kader van de aan hem verstrekte leenbijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Ook gaat deze uitspraak over de beslissing van het college om zich onbevoegd te verklaren om op het verzoek om herziening te beslissen. Tot slot gaat deze uitspraak over de continuering van het beslag op het inkomen van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag en het gegeven dat het college zich onbevoegd heeft verklaard. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank passeert dit gebrek, omdat het college tijdens de zitting alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor kwijtschelding (onder 5 tot en met 11). Verder heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte gemeend dat het college niet bevoegd is om te beslissen op het verzoek om herziening van eerdere besluiten. Het college heeft niet onderkend dat dit standpunt een primair besluit is. Ook had het college dit verzoek moeten doorzenden naar de juiste afdeling (onder 12). Tot slot oordeelt de rechter dat het standpunt van het college over het voortduren van het beslag op het inkomen van eiser geen besluit is maar een mededeling van feitelijke aard, waartegen geen bezwaar mogelijk is (onder 13). Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend bij het college voor kwijtschelding van de openstaande vordering, die het gevolg is van leenbijstand die eiser moet terugbetalen. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op grond van het dossier en naar aanleiding van de bespreking tijdens de zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Bij besluit van 17 september 2013 heeft het college eiser met ingang van 28 maart 2013 bijstand toegekend in de vorm van een geldlening naar de norm voor een alleenstaande, vermeerderd met een toeslag van 10%. Daarbij heeft het college eiser de verplichting opgelegd om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. De bijstand is verleend in de vorm van een lening omdat eiser volgens het college (juridisch) eigenaar is van een woning en de waarde van de woning minus de erop rustende schuld meer bedraagt dan het vrij te laten vermogen in de eigen woning. Met het besluit van 18 november 2013 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen, voor zover betrekking hebbend op de opgelegde verplichting om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Bij uitspraak van 9 oktober 2014 heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 juni 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
3.2.
Met het besluit van 27 november 2019 is eisers recht op bijstand beëindigd en met ingang van 15 maart 2017 ingetrokken, omdat eiser is verhuisd naar een andere gemeente. De schuld bedraagt € 42.068,75 en betreft de (leen)bijstand die is verstrekt over de periode in de periode van 28 maart 2013 tot 1 april 2018. Dit besluit staat in rechte vast.
3.3.
Met het besluit van 31 augustus 2020 is de lening (op dat moment nog een bedrag van € 41.768.75) omgezet in een vordering omdat eiser niet aflost. Met het besluit van 26 april 2021 is het bezwaar van eiser daartegen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Dit besluit staat in rechte vast.
3.4.
Per 24 juni 2021 heeft het college beslag gelegd op het inkomen van eiser.
3.5.
Bij besluit van 25 juni 2021 is de periode waarover de bijstand wordt teruggevorderd verkort van 28 maart 2013 tot 8 december 2016. Het bedrag aan terugvordering is verlaagd naar € 31.270,70. Ook dit besluit staat in rechte vast.
3.6.
Eiser heeft met zijn e-mail van 30 april 2024 het college verzocht de resterende schuld kwijt te schelden.
3.7.
Met het besluit van 28 mei 2024 is het verzoek om kwijtschelding van de openstaande schuld afgewezen. De resterende schuld is op dat moment nog € 17.432,14. Het college legt aan de afwijzing ten grondslag dat de woning inmiddels is verkocht en dat eiser heeft nagelaten om de verkoopopbrengst aan te wenden voor de aflossing van de schuld.
Omdat de bijstand is verleend in de vorm van een lening komt, volgens het college, de schuld niet in aanmerking voor kwijtschelding. De schuld moet volledig worden terugbetaald.
3.8.
Met het besluit van 27 september 2024 is het bezwaar, aangaande het verzoek om kwijtschelding, ongegrond verklaard. In principe moet eiser het gehele bedrag terug betalen, aldus het college. Dat het eiser ontbreekt aan noodzakelijk middelen om in het bestaan te voorzien, is voor het college geen reden om een ander besluit te nemen.
Voor zover eiser (in bezwaar) verzoekt om herziening van eerdere besluiten is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het college stelt niet bevoegd te zijn omdat er geen besluit is genomen op het verzoek om herziening. Eiser dient zijn herzieningsverzoek te richten aan de afdeling Zorg en Inkomen.
Voor zover het bezwaar zich ook richt tegen het beslag is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat, zo stelt het college, zij niet bevoegd is om te oordelen over het op het inkomen van eiser rustende beslag.
3.9.
Tijdens de zitting heeft het college toegelicht dat van de vordering nog € 10.261,27 resteert.
Toelichting bespreking beroepsgronden
4. Het bestreden besluit is een – juridisch gezien – complex besluit. Het college heeft namelijk meerdere beslissingen en een mededeling in het besluit opgenomen. Zoals de rechtbank hierna zal toelichten, bevat het bestreden besluit een beslissing op het bezwaar inzake het verzoek om kwijtschelding, een primair besluit over het verzoek om herziening en een feitelijke mededeling over het loonbeslag. De rechtbank zal deze onderwerpen hierna afzonderlijk bespreken. De rechtbank zal eerst het deel van het bestreden besluit dat gaat over het verzoek om kwijtschelding beoordelen, daarna het verzoek om herziening en tenslotte het beslag op het inkomen van eiser.
Het verzoek om kwijtschelding
Standpunt eiser
5. Eiser stelt dat het verzoek om kwijtschelding van de resterende schuld ten onrechte is afgewezen. Eiser stelt dat hij nooit akkoord is gegaan en nooit heeft getekend voor leenbijstand. Ook stelt eiser dat het college alleen maar in zijn nadeel handelt, waarbij hij verwijst naar procedures uit het verleden over het beëindigen en intrekken van de bijstand vanwege schending van de inlichtingenplicht. Verder betoogt eiser dat een medewerker van de gemeente Nijmegen hem heeft toegezegd dat als het juridisch eigendom van zijn woning over zou gaan op zijn ouders, de leenbijstand zal worden omgezet in bijstand om niet en de al verleende leenbijstand (schuld) zou worden kwijtgescholden. Tot slot heeft eiser tijdens de zitting toegelicht dat zijn financiële situatie slecht is en dat handhaving van de vordering onredelijk is. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
Opmerking vooraf
6. Uit het dossier blijkt dat eiser vindt dat hij in het verleden ten onrechte leenbijstand heeft ontvangen in plaats van bijstand om niet. Ook is eiser het niet eens met het feit dat hij de verstrekte leenbijstand moet terugbetalen. Zoals de rechtbank tijdens de zitting met partijen heeft besproken, staat die eerdere besluitvorming in rechte vast en heeft deze formele rechtskracht gekregen. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat deze eerdere besluiten zowel naar de inhoud als naar de wijze van totstandkoming als rechtmatig hebben te gelden. Met andere woorden, voor deze procedure moet de rechtbank ervan uitgaan dat de eerdere besluiten over bijvoorbeeld het toekennen van leenbijstand juist zijn.
Toetsingskader
7. Voor het beoordelen van verzoeken om kwijtschelding van openstaande vorderingen heeft het college beleidsregels opgesteld. Deze beleidsregels staan in de Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet gemeente Nijmegen 2024 (Beleidsregels). In deze Beleidsregels staat, voor zover relevant, het volgende:
“Artikel 5.1 Vordering niet zijnde schending inlichtingenplicht
(…)
4. Indien een vordering betrekking heeft op teruggevorderde leenbijstand die verstrekt is op grond van artikel 48 van de Participatiewet volgt, in afwijking van de leden 1 tot en met 3, kwijtschelding als voldaan is aan een van de situaties genoemd in artikel 5.2 lid 1 a tot en met d.
Artikel 5.2 Vordering schending inlichtingenplicht
1. Artikel 58 lid 7 geeft het college de bevoegdheid om in een aantal situaties af te zien van terugvordering of verdere terugvordering van fraudevorderingen. Het college maakt van deze bevoegdheid gebruik door in de volgende situaties ambtshalve af te zien van (verdere) terugvordering:
a. de belanghebbende heeft gedurende 120 maandelijkse termijnen volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan;
b. de belanghebbende heeft gedurende 120 maandelijkse termijnen niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan, maar betaalt alsnog het achterstallige bedrag inclusief rente en kosten;
c. de belanghebbende heeft gedurende 120 maandelijkse termijnen geen betalingen verricht en het is niet aannemelijk dat hij deze nog op enig moment zal gaan verrichten;
d. de belanghebbende heeft gedurende 60 maandelijkse termijnen aan zijn betalingsverplichting voldaan lost 50% van het restbedrag in één keer af.”
Is op de juiste wijze getoetst?
8. Het college heeft tijdens de zitting erkend dat eisers verzoek om kwijtschelding ten onrechte niet is getoetst aan de voorwaarden voor kwijtschelding uit de Beleidsregels. Ook heeft het college tijdens de zitting erkend dat, gelet op de Beleidsregels, het standpunt in zowel het primaire als bestreden besluit dat eiser sowieso het gehele bedrag moet terugbetalen omdat sprake is van leenbijstand, niet juist is. Dat betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent. De rechtbank zal om hierna beoordelen of er aanleiding bestaat om toepassing te geven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.1.
Tijdens de zitting heeft het college toegelicht dat eiser aan geen van de in artikel 5.2, eerste lid, van de Beleidsregels genoemde situaties voldoet. Eiser voldoet daaraan alleen al niet, omdat hij ten tijde van het bestreden besluit pas vier jaar aan het aflossen was (de afbetaling is gestart per augustus 2020). Eiser heeft tijdens de zitting erkend dat hij niet voldoet aan de voorwaarden uit de Beleidsregels voor kwijtschelding van de vordering. De rechtbank is van oordeel dat het college met de tijdens de zitting gegeven toelichting de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding alsnog toereikend heeft gemotiveerd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Eiser heeft tijdens de zitting kunnen reageren op de aanvullende motivering van het college. Ook als dit gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen.
Mocht eiser er op vertrouwen dat de schuld zou worden kwijt gescholden?
9. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent echter niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.
9.1.
Het college heeft tijdens de zitting desgevraagd aangegeven geen weet te hebben van een toezegging, ook omdat het al zo lang geleden is. Eiser heeft zijn stelling niet verder kunnen onderbouwen anders dan dat het zijn herinnering is dat in het verleden een toezegging is gedaan. De gestelde toezegging is volgens eiser in 2013 gedaan tijdens een mondeling gesprek met een medewerker van gemeente Nijmegen. De rechtbank acht het té onduidelijk wat en in welke context precies is gezegd voor de conclusie dat eiser de toezegging is gedaan dat de (gehele) schuld als gevolg van terugvorderde leenbijstand kwijtgescholden zou worden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
Is de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
10. Het is vaste jurisprudentie dat de bevoegdheid tot terugvordering ook de (discretionaire) bevoegdheid omvat om af te zien van verdere terugvordering, dus om het restant kwijt te schelden. Bij de toetsing van deze discretionaire bevoegdheid kan dus de evenredigheid van de voortgezette tenuitvoerlegging van de terugvordering beoordeeld worden. Dat betekent dat op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel de voor eiser nadelige gevolgen van de afwijzing van zijn kwijtscheldingsverzoek niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gesteld dat de Beleidsregels op zichzelf onevenredig zijn, maar dat de continuering van de vordering en het daarmee gepaard gaande beslag op zijn inkomen maken dat hij in een moeilijke financiële situatie blijft verkeren. Ook heeft het college in het verleden veel fouten gemaakt, bijvoorbeeld door hem niet bijstand om niet toe te kennen maar leenbijstand, zodat de vordering niet klopt en het niet evenredig is om de vordering te blijven innen, aldus eiser.
10.2.
In het bestreden besluit heeft het college met betrekking tot de financiële situatie van eiser in relatie tot de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding enkel opgemerkt dat in het feit dat het eiser ontbreekt aan noodzakelijke middelen om in zijn bestaan te voorzien geen reden wordt gezien om een ander besluit te nemen. De rechtbank oordeelt dat het college met dit (botte) standpunt te kort door de bocht gaat en geen blijk geeft van een deugdelijke belangenafweging waarbij acht is geslagen op de belangen van eiser. Ook op dit punt kent het bestreden besluit dus een motiveringsgebrek. De rechtbank passeert echter ook dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het college heeft het standpunt tijdens de zitting namelijk alsnog toereikend gemotiveerd en eiser heeft daar op kunnen reageren en het is aannemelijk dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. De rechtbank licht dat hierna toe.
10.3.
De rechtbank overweegt allereerst dat, zoals ook is overwogen onder 6, in deze procedure de juistheid van de eerdere besluiten niet voorligt, zodat geen oordeel kan worden gegeven over de vraag of en, zo ja, in welke mate fouten in die eerdere procedures over de band van de evenredigheid tot kwijtschelding nopen.
10.4.
De rechtbank twijfelt er niet aan dat eisers financiële positie lastig is. De rechtbank ziet echter in hetgeen eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregels te dienen doelen. Het belang van het college dat publieke middelen zorgvuldig worden besteed is een legitiem doel waaraan belangrijke betekenis toekomt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Beleidsregels (lees: de afwijzing van het kwijtscheldingsverzoek) onevenredig nadelig voor hem uitpakken. De rechtbank betrekt daarbij dat de financiële positie van eiser ook wordt veroorzaakt door het gegeven dat hij minder uren is gaan werken. Eiser heeft namelijk tijdens de zitting toegelicht dat hij bewust minder is gaan werken omdat hij de extra inkomsten ‘kwijt’ zou zijn vanwege het loonbeslag. Verder is van belang, zoals het college tijdens de zitting terecht heeft betoogd, dat bij het beslag rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet, zodat eiser kan voorzien in zijn levensonderhoud. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Conclusie
11. Het voorgaande betekend onder de streep dat, hoewel het college het verzoek om kwijtschelding niet op de juiste wijze heeft beoordeeld en de motivering in het besluit onvoldoende en onvolledig was, het college het verzoek om kwijtschelding wel terecht heeft afgewezen.
Het verzoek om herziening
12. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ook een verzoek heeft gedaan om eerdere besluiten te herzien. Eiser heeft dit verzoek eerst in bezwaar gedaan.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft miskend dat er geen bezwaar voorlag inzake het verzoek om herziening, zodat het ‘bezwaar’ alleen daarom al ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzoek om herziening heeft eiser namelijk eerst in bezwaar gedaan, zodat de beslissing daarop van het college in het bestreden besluit heeft te gelden als een primair besluit. Dat betekent dat de rechtbank het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb als bezwaarschrift ter behandeling moet doorsturen aan het college. Dat leidt er in deze procedure echter toe dat eiser wordt benadeeld. Het college heeft namelijk niet inhoudelijk beslist op het verzoek om herziening, zodat bij doorzending als bezwaarschrift eiser een ‘ronde’ aan besluitvorming misloopt. De rechtbank zal daarom bepalen dat het college alsnog moet beslissen op het herzieningsverzoek. De beslissing op dit verzoek geldt dan als primair besluit.
12.2.
Aanvullend overweegt de rechtbank nog het volgende. In het bestreden besluit heeft het college ten onrechte gesteld niet bevoegd te zijn en ten onrechte gesteld dat eiser een (nieuw) verzoek om herziening moet richten aan de afdeling Zorg en Inkomen. De reden waarom de rechtbank het bestreden besluit op dit punt onjuist vindt, is omdat het college een doorzendplicht heeft. Artikel 2:3, eerste lid, van de Awb verplicht een bestuursorgaan namelijk om aanvragen waarvoor een ander bestuursorgaan bevoegd is door te sturen naar dat andere bestuursorgaan. Deze doorzendplicht geldt ook voor het doorzenden binnen een bestuursorgaan naar de juiste afdeling. Dat betekent dat als het college er vanwege organisatorische redenen voor kiest dat de afdeling Juridische Zaken niet zelf beslist op herzieningsverzoeken, het college dit verzoek zelf had moeten doorsturen naar de afdeling Zorg en Inkomen. Het college heeft dit tijdens de zitting ook erkend.
12.3.
Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Het college heeft zich ten onrechte niet bevoegd verklaard en het dictum niet-ontvankelijkheid gebruikt. Ook heeft het college in strijd met artikel 2:3, eerste lid, van de Awb (de doorzendplicht) gehandeld. De rechtbank zal daarom bepalen dat het college alsnog moet beslissen op het herzieningsverzoek. Eiser hoeft daarvoor niet eerst (nogmaals) een herzieningsverzoek in te dienen.
Het beslag
13. De rechtbank leidt uit het bestreden besluit af dat het college het bezwaar van eiser ook heeft opgevat als een verzoek om het beslag op zijn inkomen op te heffen. Het college heeft gesteld niet bevoegd te zijn om hierover te oordelen omdat een dergelijke kwestie aan de civiele rechter moet worden voorgelegd. Het bezwaar is op dit punt niet-ontvankelijk verklaard.
13.1.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, Awb wordt onder een aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
13.2.
Op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb kan tegen een besluit bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld.
13.3.
De rechtbank oordeelt dat het leggen en continueren van loonbeslag een privaatrechtelijke rechtshandeling is. Dat betekent dat het verzoek van eiser om te stoppen met het loonbeslag niet is gericht op een publiekrechtelijk rechtsgevolg, waardoor de reactie van het college op dit verzoek niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. De rechtbank zal de passage in het bestreden besluit die gaat over het beslag om die reden verbeterd lezen en aanmerken als een mededeling van feitelijke aard. Hiertegen staat geen bezwaar of beroep open. Hoewel het college dus ten onrechte heeft gemeend dat er op dit punt sprake was van een bezwaargrond – eiser heeft het verzoek namelijk eerst in de bezwaarfase gedaan en juridisch was er geen sprake van een aanvraag waar met een besluit op kon worden beslist – zal de rechtbank er gelet op het voorgaande geen gevolgen aan verbinden, ook omdat eiser in beroep geen opmerkingen over het beslag heeft gemaakt.
13.4.
De rechtbank merkt voor de volledigheid nog op dat eiser voor de vraag of er (nog) een executoriale titel voor het beslag aanwezig is, desgewenst, een executiegeschil bij de civiele rechter aanhangig dient te maken.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond. Zoals de rechtbank onder 12.1 tot en met 12.3 heeft geoordeeld is het bestreden besluit in strijd met artikelen 2:3 en 7:12, eerste lid, van de Awb onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd genomen. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd. Voor wat betreft het verzoek om herziening bepaalt de rechtbank dat het college alsnog op het verzoek om herziening moet beslissen. Eiser hoeft daar dus niet eerst een verzoek voor in te dienen bij de afdeling Zorg en Inkomen. Voor het overige is het beroep ongegrond.
15. Omdat het beroep gegrond is en vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen proceskosten die vergoed moeten worden. Weliswaar heeft zich een dag voor de zitting een professionele rechtsbijstandverlener gesteld, maar deze heeft geen proceshandelingen verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Eiser heeft namelijk zelf het beroepschrift ingediend en de gemachtigde heeft niet deelgenomen aan de zitting.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 september 2024 voor zover het bezwaar inzake het verzoek om herziening niet-ontvankelijk is verklaard;
- bepaalt dat het college alsnog beslist op het verzoek om herziening, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51 aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer 13/7974 (niet gepubliceerd).
ECLI:NL:CRVB:2016:2348.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1655, r.o. 4.3.
Zie de uitspraken van de CRvB van 31 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4351), 4 maart 2020, (ECLI:NL:CRVB:2020:559) en 3 augustus 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1911).
Uitspraak van de CRvB van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:196.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 24 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5672.
Uitspraak van de CRvB van 4 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5562.
Als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|