Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:4905 
 
Datum uitspraak:22-06-2026
Datum gepubliceerd:26-06-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB-26_2519
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Voorlopige voorziening, Participatiewet, intrekking uitkering omdat niet langer woonachtig binnen gemeente, verblijf buiten gemeente was bekend en is jarenlang oogluikend toegestaan, plotsklaps intrekken van uitkering zonder overleg of nader onderzoek is in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
ingezetene
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/2519
uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen
(gemachtigde: mr. N.A. van Wingerden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college van 6 mei 2026 om het recht van verzoekster op een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) in te trekken per 2 april 2026. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.


1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop

2. Verzoekster ontvangt een uitkering op grond van de Pw van de gemeente Nijmegen.


2.1.
Bij besluit van 6 mei 2026 heeft het college het recht op uitkering van verzoekster per 2 april 2026 ingetrokken, omdat zij niet langer woonachtig zou zijn binnen de gemeente Nijmegen. Het recht op uitkering kan daarom niet worden vastgesteld.



2.2.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.



2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het college. De gemachtigde van verzoekster, mr. J.H.M. Verstraten, heeft zich voor de zitting onttrokken.






Beoordeling door de voorzieningenrechter


Toetsingskader

3. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Op grond van het tweede lid van dit artikel verleent de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.


3.1.
Artikel 40, eerste lid, van de Pw luidt als volgt. Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres in de basisregistratie personen wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel schort het college de betaling van bijstand op, indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen is ingeschreven.


Heeft het college terecht de uitkering van verzoekster ingetrokken?

4. Verzoekster voert aan dat het college ten onrechte haar uitkering heeft ingetrokken. Zij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en heeft een briefadres van de gemeente Nijmegen gekregen. Verzoekster heeft de gemeente geïnformeerd dat zij regelmatig buiten de gemeente verblijft. De gemeente heeft de lijst met verblijfadressen buiten Nijmegen sinds 2024 zonder problemen goedgekeurd en telkens de uitkering aan verzoekster uitbetaald. De laatste controle en goedkeuring heeft plaatsgevonden in maart 2026. Door plotsklaps zonder overleg of nader onderzoek de uitkering in te trekken, handelt de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekster heeft geen inkomen meer, hetgeen resulteert in een acute noodsituatie.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op zitting heeft het college erkend dat al jaren bekend is dat verzoekster het merendeel van haar tijd buiten [plaats] verblijft, maar dat de gemeente deze situatie oogluikend heeft toegestaan. Recent heeft het college besloten dat de huidige situatie niet kon voortduren en dat verzoekster vanwege haar verblijf buiten [plaats] geen recht meer had op een uitkering van de gemeente Nijmegen. De voorzieningenrechter kan het college in dit standpunt volgen, maar is wel van oordeel dat na deze situatie jarenlang oogluikend te hebben toegestaan een dergelijke abrupte intrekking van de uitkering niet zorgvuldig is. Het college had eerst in een gesprek of schriftelijk aan verzoekster duidelijk moeten maken dat het vanaf dat moment gevolgen zou hebben voor de uitkering van verzoekster als zij geheel of grotendeels buiten [plaats] zou verblijven. Het betoog van verzoekster slaagt.




Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 6 mei 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.


6.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt € 934,-. Daarnaast krijgt verzoekster de reiskosten op basis van openbaar vervoer (retour) van € 17,04 vergoed.



Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 6 mei 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten en reiskosten van € 17,04 aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.











griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak