Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CRVB:2026:780 
 
Datum uitspraak:09-06-2026
Datum gepubliceerd:29-06-2026
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:25/308 PW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Afwijzing aanvraag eenmalige energietoeslag 2022. Inkomen. Beleid. Geen bijzondere omstandigheden. Een bijdrage van de ouders tot het bedrag van de in het kader van de Wsf 2000 berekende ouderlijke bijdrage dient niet op de bijstand in mindering te worden gebracht, omdat deze bij de berekening van de toelage in het kader van de Wsf 2000 reeds in aanmerking is genomen. Deze situatie doet zich hier niet voor. Omdat appellante een bedrag van € 187,50 per maand ontving als inkomen voor het verrichten van arbeid voor haar vader kan dat bedrag niet als ouderlijke bijdrage worden aangemerkt. Met het normbedrag van € 932,87 per maand vermeerderd met het inkomen uit arbeid van € 450,- per maand beschikte of kon appellante redelijkerwijs beschikken over een inkomen van € 1.382,87. Dat bedrag is (€ 125,87) hoger dan de inkomensgrens van 120% van de toepasselijke bijstandsnorm (€ 1.257,-).
Trefwoorden:levensonderhoud
studiefinanciering
 
Uitspraak
25/308 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 december 2024, 22/8586 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)






Datum uitspraak: 9 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een eenmalige energietoeslag 2022. De Raad komt, net als de rechtbank, tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Appellante voldoet namelijk niet aan de voorwaarde in de beleidsregels dat haar inkomen in de referteperiode niet hoger was dan 120% van de voor haar toepasselijke bijstandsnorm. Er waren ook geen bijzondere omstandigheden om van de beleidsregels af te wijken. Het hoger beroep slaagt niet.




PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M.P.V. van Haren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.




OVERWEGINGEN




Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.
Appellante volgde de voltijdsstudie rechtsgeleerdheid en had inkomsten uit arbeid. Op 11 september 2022 heeft appellante een eenmalige energietoeslag op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor het jaar 2022.


1.2.
Met een besluit van 7 oktober 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 24 november 2022 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


Uitspraak van de rechtbank


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. Appellante kan ook bij een nieuwe beoordeling geen aanspraak maken op de energietoeslag, omdat zij ten tijde van de aanvraag over een inkomen beschikte of kon beschikken van meer dan 120 % van de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm. Uit artikel 33, tweede lid, van de PW volgt dat het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) in aanmerking wordt genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag. Dat normbedrag voor levensonderhoud moet als (fictief) inkomen van appellante in aanmerking worden genomen. De tot de studiefinanciering behorende component "rentedragende lening" moet als middel worden beschouwd, waarover in het kader van de voorliggende voorziening, zoals bedoeld in artikel 15 van de PW , wordt beschikt of redelijkerwijs kan worden beschikt. Het niet afsluiten van een rentedragende lening kan niet worden afgewenteld op de bijstand. Het normbedrag voor een student hoger onderwijs bedroeg € 932,87. Daarnaast beschikte appellante in de referteperiode over een gemiddeld inkomen uit arbeid van € 450,- per maand. Omdat appellante kon beschikken over een inkomen dat hoger is dan de uit de beleidsregels voortvloeiende inkomensgrens komt zij niet in aanmerking voor de eenmalige energietoeslag over het jaar 2022.

Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft de rechtbank niet beoordeeld of appellante recht heeft op individuele bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW maar of zij recht heeft op categoriale bijzondere bijstand op de voet van artikel 35, vierde lid, van de PW.


4.2.
Artikel 35, vierde lid, van de PW maakt het mogelijk om categoriaal bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een eenmalige energietoeslag. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de PW in verband met het eenmalig verstrekken van een eenmalige energietoeslag staat dat de eenmalige energietoeslag in het leven is geroepen om snelle ondersteuning te bieden aan huishoudens die in de problemen dreigen te raken als gevolg van de gestegen energiekosten. Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij het vormgeven van de energietoeslag. Colleges mogen onder andere zelf de doelgroep, de hoogte van de toeslag en de inkomensgrens bepalen. Colleges mogen ook bepalen welk inkomen in aanmerking wordt genomen.


4.3.
Het college heeft daartoe de Beleidsregels eenmalige energietoeslag Leiden 2022 (beleidsregels) opgesteld en later gewijzigd. Een huishouden heeft op grond van de beleidsregels een laag inkomen als het inkomen in de referteperiode niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. De referteperiode betreft één maand voorafgaand aan de aanvraag of – bij wisselende inkomsten – de drie maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag. Onder inkomen wordt verstaan: het totale netto inkomen als bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 van de PW. De eenmalige energietoeslag bedraagt € 1.300,-. De gronden van appellante zijn niet gericht tegen het beleid, maar tegen de toepassing daarvan.

Het inkomen van appellante was hoger dan 120% van de bijstandsnorm



4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat haar inkomen lager is dan 120% van de bijstandsnorm. Bij het fictieve norminkomen van € 932,87 van appellante per maand moet niet het hele door appellante ontvangen echte inkomen van € 450,- per maand maar het verschil tussen € 450,- per maand en € 187,50 per maand – € 262,50 per maand – worden opgeteld. Het normbedrag van € 932,87 bestaat uit een basislening van € 513,83 en een maximale aanvullende beurs/lening of een veronderstelde ouderlijke bijdrage van € 419,04. Appellante ontving een arbeidsbeloning van € 187,50 per maand voor werkzaamheden bij haar vader. Deze beloning is vergelijkbaar met en komt deels in de plaats voor de veronderstelde ouderlijke bijdrage van € 419,04. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dit wordt hieronder toegelicht.

4.4.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een bijdrage van de ouders tot het bedrag van de in het kader van de Wsf 2000 berekende ouderlijke bijdrage niet op de bijstand in mindering dient te worden gebracht, omdat deze bij de berekening van de toelage in het kader van de Wsf 2000 reeds in aanmerking is genomen. Deze situatie doet zich hier niet voor. Omdat appellante het hierboven genoemde bedrag van € 187,50 per maand ontving als inkomen voor het verrichten van arbeid voor haar vader kan dat bedrag niet als ouderlijke bijdrage worden aangemerkt.


4.4.2.
Uit 4.4 en 4.4.1 volgt dat appellante met het normbedrag van € 932,87 per maand vermeerderd met het inkomen uit arbeid van € 450,- per maand beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een inkomen van € 1.382,87. Dat bedrag is € 125,87 hoger dan de inkomensgrens van 120% van de op appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm, te weten een bedrag van € 1.257,-.



4.5.
Het oordeel van de rechtbank dat appellante niet in aanmerking komt voor de eenmalige energietoeslag over het jaar 2022 is daarom in overeenstemming met de beleidsregels.

Er was geen aanleiding om van de beleidsregels af te wijken



4.6.
Appellante heeft aangevoerd dat hier sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de beleidsregels had moeten afwijken. De optelling van het echte en fictieve inkomen levert haar een groot nadeel op terwijl de optelling tot gevolg heeft dat appellante met een gering bedrag boven de inkomensgrens komt. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende belangrijk.

4.6.1.
Op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogen de voor appellante nadelige gevolgen van de afwijzing van de aanvraag om energietoeslag niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zoals al eerder is overwogen, is de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet zozeer het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodige nadelige gevolgen. Bij artikel 4:84 van de Awb gelden dezelfde maatstaven als bij de toetsing van het besluit (rechtstreeks) aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De gehandhaafde rechtsgevolgen van het bestreden besluit hebben geen onnodig nadelige gevolgen voor appellante. Daarvoor is het volgende van belang.


4.6.2.
Zoals volgt uit 4.3 verstaan de beleidsregels onder inkomen: het totale netto inkomen als bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 van de PW. Het complementaire karakter van de bijstand brengt mee dat in de PW een ruime definitie van het begrip middelen wordt gehanteerd. Dit uitgangspunt wordt geëxpliciteerd door in artikel 31 te bepalen dat alle vermogens- en inkomensbestanddelen tot de middelen worden gerekend. Daarbij is, gelet op de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, tevens aangegeven dat, naast de middelen waarover de belanghebbende feitelijk de beschikking heeft, mede in aanmerking worden genomen de middelen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. Daaruit volgt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, en door overname van deze bepalingen uit de PW in de beleidsregels, dus ook van het college is dat voor de vaststelling van de hoogte van het inkomen én het door appellante ontvangen inkomen uit arbeid én de mogelijke inkomsten uit studiefinanciering volledig in aanmerking worden genomen.


4.6.3.
Bij het wetsvoorstel over de eenmalige energietoeslag heeft de regering voor ogen gehad dat het onvermijdelijk is dat er huishoudens zijn die (net) niet in aanmerking komen voor de toeslag en dit voor deze huishoudens buitengewoon nadelig uitpakt. In die gevallen kan het college afwijken en ook bestaat daarvoor de mogelijkheid om een aanvraag voor individuele bijzondere bijstand in te dienen. Dat betekent dat maatwerk kan worden geleverd via een aanvraag om individuele bijzondere bijstand. In dit geval bestaat ook beleid voor personen vanaf 21 jaar tot een inkomensgrens van 150% om bijzondere bijstand aan te vragen. Appellante heeft geen individuele bijzondere bijstand aangevraagd. Appellante verkeert daarmee in de situatie van vele mensen die een inkomen hebben even boven de inkomensgrens en die ook geen energietoeslag ontvangen. Appellante heeft ook verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de beleidsregels zou moeten worden afgeweken.





Conclusie en gevolgen


4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door mr. O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.





(getekend) O.L.H.W.I. Korte





(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls









Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels


Algemene wet bestuursrecht


Artikel 3:4

1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.


Participatiewet


Artikel 35, eerste lid

De alleenstaande of het gezin heeft recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Artikel 35, vierde lid (zoals dit luidde bij invoering van de Wet van 22 augustus 2022 tot wijziging van de Participatiewet in verband met het eenmalig categoriaal verstrekken van een energietoeslag aan huishoudens met een laag inkomen, Stb. 2022, 321.)

In afwijking van het eerste lid kan tot en met 30 juni 2023 bijzondere bijstand ook aan een alleenstaande of een gezin worden verleend in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of die alleenstaande of dat gezin in dat jaar een sterk gestegen energierekening had.
(…)


Beleidsregels eenmalige energietoeslag Leiden 2022


Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaand onder:
(…)
c. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2021 Leiden;
(…)
e. referteperiode: één maand voorafgaand aan de aanvraag of - bij wisselende inkomsten - de drie maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag.


Artikel 2: Doelgroep eenmalige energietoeslag 2022

1. De eenmalige energietoeslag 2022 van €1300 is bedoeld voor een huishouden met een laag inkomen en wordt ambtshalve of op aanvraag als bijzondere bijstand verleend;
(…)
3. Een huishouden (alleenstaande of gezin) heeft een laag inkomen als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm;(…).


Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de bijzondere bijstand


Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a. de wet: de Participatiewet;
b. inkomen: het totale netto inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn
ten laste komende kinderen of het gezin als bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 van de wet;
(…).



Kamerstukken II 2021/22, 36 057, nr. 3, p. 4.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1880.


Vergelijk de uitspraak van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.


Zie de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.9.1.1.


Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 56.


Vergelijk de uitspraak van 21 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1595.
Link naar deze uitspraak