|
|
|
| ECLI:NL:HR:1936:2 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-01-1936 | | Datum gepubliceerd | : | 29-06-2026 | | Instantie | : | Hoge Raad | | Zaaknummers | : | 1486 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Vordering tot verwijdering van de woorden „J. Blitz", althans „en Co" uit den handelsnaam „J. Blitz en Co". Wie belanghebbende is ln den zin van art. 6 H.n vt et. Handeling in strijd met art. 3 H.n wet. In welk geval deze handeling niet onrechtmatig is. Toestemming van den drager van den naam. Overleden zijn van dien drager. Door beide partijen handelen in strijd met art. 4 H.n wet. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | erfgenamen | | | | Uitspraak | H.R. DER NED. INGEKOMEN
den 25 Nov: 1935
NB 14/86/142.
Aan den Hoogen Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[requestrant], wonende te [woonplaats], stellende tot advocaat Mr. E. O. Goldstein en domicilie kiezende te diens kantore aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage; dat requestrant zich op 15 Februari 1935 bij request heeft gewend tot den Kantonrechter te 's-Gravenhage met het verzoek aan [gerequestreerde], wonende te [woonplaats] aan het [b-straat 1] en aldaar handelende onder den naam "Fa. [A]" te bevelen en dezen te veroordeelen in den door dezen gevoerden handelsnaam de woorden [A], althans "[A]" te verwijderen, althans daarin zoodanige wijziging aan te brengen, dat de onrechtmatigheid van den door gerequestreerde gevoerden handelsnaam zou worden opgeheven met veroordeeling van den gerequestreerde tot betaling van een schadevergoeding van vijftig gulden voor elken dag gedurende welken de gerequestreerde na beteekening van de door den Kantonrechter te geven beschikking het door dezen te geven bevel zal overtreden onder meer met uitvoerbaarverklaring van deze beschikking bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoogere voorziening;
dat bedoeld verzoek door den Kantonrechter voornoemd werd afgewezen bij beschikking van 29 Mei 1935; dat requestrant van laatstbedoelde beschikking tijdig is gekomen in hooger beroep bij de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage;
dat bedoelde Rechtbank bij beschikking van 25 October 1935 de voormelde beschikking, waarvan appèl, zonder onderzoek van de door requestrant tegen die beschikking aangevoerde grieven heeft vernietigd en requestrant in zijn oorspronkelijk verzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard op de in het hiernavolgend middel van cassatie opgenomen gronden;
dat requestrant hierbij beroep in cassatie instelt tegen voormelde beschikking der Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage van 25 October 1935, zulks onder overlegging van die beschikking met verzoek deze beschikking als hier geinsereerd te willen beschouwen;
dat requestrant tegen de beschikking waartegen dit beroep zich richt, de eer heeft het navolgende middel van cassatie aan te voeren:
Schending en/ of verkeerde toepassing van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 11 der Handelsnaamwet Staatsblad 1921 No. 842 (hierna kortweg handelsnaamwet te noemen) 48 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1349, 1356, 1374 Burgerlijk Wetboek,
door te overwegen:
dat requestrant's grieven alle de strekking hebben te betoogen, dat gerequestreerde den handelsnaam [A] in strijd met de Handelsnaamwet staatsblad 1921 No. 842 voert en ook gerequestreerdes rechtsvoorganger [betrokkene 1] dit heeft gedaan, doch deze grieven niet tot toewijzing van requestrant's in prima gedaan verzoek kunnen leiden, indien -zooals gerequestreerde beweert - requestrant zelf den door hem gevoerden handelsnaam Ln. [A] niet rechtmatig voert, vermits toch in dat geval requestrant -ook al zouden zijne grieven gegrond zijn - met zijn in prima gedaan verzoek niet-ontvankelijk zoude zijn-, omdat requestrant in bedoeld geval niet als (rechtmatig) belanghebbende in den zin van art. 6 der Handelsnaamwet kan worden beschouwd;
dat derhalve eerst moet worden onderzocht of requestrant belanghebbende is in den voormelden zin;
te dien aanzien dat tusschen partijen vaststaat, dat requestrant den handelsnaam Ln. [A] voert voor een aan hem alléén toebehoorenden handelszaak;
dat requestrant stelt, dat die handelszaak en die handelsnaam blijkens een door hem geproduceerde akte d.d. 1 Juli 1934 afkomstig zyn van een tusschen hem en [betrokkene 2] bestaanhebbende, op laatstgenoemden datum ontbonden vennootschap, van welke vennootschap gerequestreerde het bestaan heeft ontkend;
dat echter uit de door den Kantonrechter als vaststaande aangenomen en door partijen in appèl niet nader bestreden feiten voortvloeit, dat laatstbedoelde vennootschap -indien zij heeft bestaan- den thans door requestrant gevoerden handelsnaam Ln. [A] in strijd met de Handelsnaamwet heeft gevoerd;
dat toch, blijkens laatstbedoelde vaststaande feiten:
1e. die handelsnaam in strijd met de waarheid aanduidde, dat de handelszaak dier volgens requestrant bestaan hebbende vennootschap geheel of gedeeltelijk toebehoorde aan [betrokkene 3] en 2e. [betrokkene 3] van wien die handelzaak en die handelsnaam afkomstig waren na de ontbinding op 31 December 1911 van de tusschen hem en [betrokkene 1] bestaan hebbende, te Rotterdam gevestigde vennootschap onder de firma Ln. [A], tot aan zijn dood (16 April 1923) toe een door hem in 1912 of 1913 geopende, hem alléén toebehoorende handelszaak te 's-Gravenhage onder dien naam heeft gedreven, hetwelk in strijd was met de Handelsnaamwet, vermits noch de handelszaak der evengemelde, op 31 December 1911 ontbonden vennootschap onder firma noch haar naam aan voormelden [betrokkene 3] waren overgedragen;
dat derhalve requestrant niet belanghebbende is in den zin van art. 6 der Handelsnaamwet, zoodat hij in zijn in prima gedaan verzoek niet kan worden ontvangen;
ten onrechte:
a. omdat als belanghebbende in den zin van artikel 6 der handelsnaamwet is aan te merken een ieder die belang heeft bij het niet voortduren van het voeren door een ander van een handelsnaam in strijd met deze wet en hieraan niet af kan doen dat hij, die zelf een vordering krachtens dit artikel instelt zelf een handelsnaam in strijd met de wet voert.
b. omdat het feit, dat [betrokkene 3] te 's-Gravenhage een door hem in 1912 of 1913 geopende hem alleen toebehoorende handelszaak onder den naam Ln. [A] heeft gedreven, hetwelk in strijd was met de Handelsnaamwet, vermits die naam niet afkomstig was van een vennootschap, die dien naam heeft gevoerd niet in strijd met de handelsnaamwet, niet in den weg kan staan aan het overdragen of overgaan van dien handelsnaam in verbinding met de handelszaak die onder dien naam wordt gedreven voor zoover betreft het deel van dien handelsnaam "Ln. [A]" indien dat deel van den handelsnaam niet in strijd met bedoelde wet werd gevoerd;
c. omdat het feit, dat de handelsnaam Ln. [A] in strijd met de waarheid zou hebben aangeduid, dat de handelszaak der door de Rechtbank bedoelde volgens requestrant tusschen requestrant en [betrokkene 2] bestaan hebbende op 1 Juli 1934 ontbonden vennootschap gedeeltelijk aan [betrokkene 3] toebehoorde, niet in strijd is met de handelsnaamwet, indien, gelijk in het onderhavige geval zal moeten worden aangenomen, de handelszaak en de handelsnaam door den persoon, wiens naam in den bedoelden handelsnaam voorkomt, of door diens erfgenamen aan die vennootschap is overgedragen, vermits dan het voeren van dien handelsnaam met goedvinden van [betrokkene 3] of diens erfgenamen geschiedt, althans geacht moet worden te geschieden.
d. omdat het feit, dat de handelsnaam Ln. [A] in strijd met de waarheid zou hebben aangeduid, dat de handelszaak der door de Rechtbank bedoelde volgens requestrant tusschen requestrant en [betrokkene 2] bestaan hebbende op 1 Juli 1934 ontbonden vennootschap gedeeltelijk aan [betrokkene 3] toebehoorde, tegenover gerequestreerde niet onrechtmatig is, zoodat dit feit aan de toewijzing der oorspronkelijke vordering niet in den weg kan staan;
e. omdat, waar vaststaat, althans door de Rechtbank niet is weerlegd, dat de bedoelde vennootschap tusschen requestrant en [betrokkene 2], die onder den naam Ln. [A] handel dreef, in leven is geroepen in of na 1930 ( nadat [gerequestreerde] in dat jaar zijne zaak was gaan voeren), terwijl door de Rechtbank is overwogen, dat [betrokkene 3] reeds op 16 April 1923 is overleden, de handelsnaam van bedoelde in of na 1930 gestichte vennootschap niet in den zin van art. 3 der handelsnaamwet kon aanduiden, dat haar handelszaak geheel of gedeeltelijk aan [betrokkene 3] zou toebehooren, vermits deze ingevolge van het bezigen van diens naam door bedoelde vennootschap in 1930 of daarna niet aangemerkt kon worden als eigenaar of mede-eigenaar der bedoelde handelszaak;
dat requestrant ter toelichting van opgemeld middel de eer heeft aan te voeren:
Betreffende onderdeel a van het middel.
Nergens stelt de Wet den algemeenen regel, dat degene, die van een recht gebruik wil maken, zelf geen inbreuk op de Wet mag hebben gemaakt.
In de handelsnaamwet is ook geen byzondere bepaling te vinden, waaruit zou blijken, dat slechts hem, die zelf "vrij van zonden" is de actie uit art. 6 dier wet toekomt. Het onderzoek naar de vraag of requestrant den naam Ln. [A] rechtmatig voert, kan nimmer van belang zijn en zeker niet van peremptoir belang voor de beoordeeling van de vraag of hij belanghebbende is in den zin der handelsnaamwet.
Iets anders is of een onderzoek naar de vraag of requestrant bedoelden handelsnaam rechtmatig voert van belang kan zijn voor de beoordeling van de vraag of gerequestreerde den naam Fa. [A] rechtmatig voert. Requestrant kan zeer goed, zelfs al voert hij den naam [A] niet eens, belang hebben bij het verwijderen van den handelsnaam Fa. [A] of het wijzigen daarvan b.v. in "[A]" zonder meer, zooals trouwens requestrant subsidiair ook heeft gevorderd, om de eenvoudige reden, dat requestrant en gerequestreerde concurrenten zijn, die in papierwaren in dezelfde straat handeldrijven en requestrant het zich van zijn concurrent niet wil laten welgevallen, dat deze zich met een naam tooit, die bij het publiek den meer wijdschen indruk vestigt, dat de zaak van gerequestreerde toebehoort aan een vennootschap onder firma of en commandite, Indien men aan wil nemen, dat de Rechtbank aan requestrant het recht wilde ontzeggen als eischer op te treden, omdat de handelsnaam, dien requestrant zou mogen voeren, niet het woord [A] zou mogen bevatten, dan nog zou het systeem der Rechtbank niet opgaan, omdat dan b.v. in dit systeem moeilijk een geval denkbaar ware, dat iemand belanghebbende zou zijn bij het doen wijzigen van een handelsnaam, die in strijd met de waarheid de woorden "[A]" bevat, zoodat wijziging van zoodanigen handelsnaam niet gevorderd zoude kunnen worden. Er bestaat echter geen enkele reden om het systeem van de Rechtbank in dien engeren zin te interpreteeren.
Tenslotte zou de consequentie van het systeem der Rechtbank moeten zijn, dat zelfs al is de grootste verwarring tusschen beide zaken te duchten, geen van beide partijen zich daar iets van aan zou behoeven te trekken, als zij beiden hun handelsnaam onrechtmatig voeren, omdat er dan volgens de Rechtbank geen belanghebbende volgens art. 6 der handelsnaamwet te vinden zoude zijn. Dit gevolg kan door den Wetgever zeker niet gewild zijn.
Ten aanzien van onderdeel b. van het middel.
De Rechtbank baseert de onrechtmatigheid van het voeren van den naam Ln. [A] door [betrokkene 3] op de omstandigheid, dat hij alleen zijne zaak dreef, terwijl deze naam niet afkomstig was van een vennootschap. De onrechtmatigheid van het voeren van dien naam betrof dus volgens de Rechtbank alleen de woorden "[A]". Requestrant is van meening, dat zulks niet in den weg kan staan aan het overgaan van het kenmerkende deel van dien handelsnaam, n.l. Ln. [A] op de bedoelde vennootschap. Het is niet aan te nemen, dat de wetgever zou hebben willen verbieden het overgaan van een handelsnaam voor zoover die rechtmatig wordt gevoerd uitsluitend wegens een futiel toevoegsel van dien naam, dat onrechtmatig zoude zijn.
Daarvoor is ook het systeem van den wetgever, dat wijzigingen van een handelsnaam door den Rechter mogelijk maakt, te soepel.
Wanneer de Rechter een handelsnaam kan wijzigen, dan sluit dit systeem der wet ook in zich, dat een deel van den handelsnaam die wijziging kan overleven en dus rechtmatig gevoerd of overgedragen kan worden.
Ten aanzien van de onderdeelen c. en d. van het middel.
Als belanghebbende in den zin der handelsnaamwet, wanneer iemands naam in een handelsnaam wordt gebezigd, is aan te merken degene wiens naam in zoodanig geval gebezigd wordt (H.R. 13 Aug. 1923 N.J. 1923 blz. 1219).
Wanneer echter zoodanige belanghebbende zijn zaak en den handelsnaam waarin zijn naam voorkomt, overdraagt, moet hij geacht worden goed te vinden, dat zijn naam door den opvolger gebezigd wordt, ook al kan de overdracht van den handelsnaam geen effect sorteeren. Requestrant is van meening dat, indien in het geval van art. 3 der handelsnaam wet de belanghebbende het bezigen van zijn naam door den opvolger goed vindt, mits aan het bezigen van dien naam geen andere wettelijke bezwaren zijn verbonden, van een onrechtmatig voeren van dien naam geen sprake kan zijn.
Zoo is omgekeerd ook geoorloofd bij het overdoen van een handelsnaam den tijdsduur, gedurende welken die naam door den opvolger mag worden gevoerd te beperken: H.R. 6 Nov. 1933 N. J. 1934 blz. 1052. De wil van de partijen is dus in deze materie van beslissend belang. Waar slechts [betrokkene 3] belanghebbende zoude kunnen zijn bij het doen verbieden van het voeren van diens naam in den firmanaam van requestrant, zou het voeren van diens naam slechts tegenover hem en dus niet tegenover gerequestreerde onrechtmatig kunnen zijn. Gerequestreerde kan zich hierover dus niet beklagen, zoodat deze
kwestie tegenover gerequestreerde in dit geding niet relevant kan zijn.
Ten aanzien van onderdeel e van het middel.
Vaststaat en in ieder geval zal als vaststaande moeten worden aangenomen, dat de bewuste firma tusschen requestrant en [betrokkene 2] een zevental of meer jaren na den dood van [betrokkene 3] den naam Ln. [A] is gaan voeren, zoodat [betrokkene 3] niet als mede-eigenaar van de zaak van bedoelde firma kan worden aangemerkt, en mitsdien art 3 der handelsnaamwet in deze niet toepasselijk is. De memorie van toelichting op bedoeld art. 3 geeft een voorbeeld dat in meer dan een opzicht op het onderhavige geval toepasselijk is:
"Overigens is het geenszins de bedoeling, het bezigen van de namen van andere personen te verbieden: het voeren van een handelsnaam, die aan persoonsnaam bevat, zal geoorloofd zijn, zoo slechts die persoon daardoor niet aangemerkt kan worden als de eigenaar der zaak; zoo zal bijv. de handelsnaam "Fabriek van bliksemafleiders, Benjamin Franklin" niet in strijd zijn met het artikel, ook al bestaat thans nog ergens een zekere heer Benjamin Franklin." In casu is [betrokkene 3] dood en niemand kan dezen dus als mede-eigenaar van bedoelde zaak aanmerken, evenmin als men Benjamin Franklin, die ook dood is, of diens naamgenoot ergens in Amerika als eigenaar van de in de memorie van toelichting bedoelde fabriek van bliksemafleiders zou kunnen beschouwen.
Mitsdien het den Hoogen Raad der Nederlanden behage te vernietigen de beschikking, waartegen dit beroep zich richt, met zoodanige verdere voorziening, als de Hooge Raad zal vermeenen te behooren.
's Gravenhage, 25 November 1935. 't Welk doende enz.
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het vorenstaand verzoekschrift zoomede de conclusie van den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging der bestreden beschikking en tot verwijzing der zaak naar de Arrondissements-Rechtbank, om, met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest, te worden berecht en beslist;
Gezien de stukken;
Overwegende dat onderdeel a van het middel van cassatie aldus is toegelicht, dat requestrant, - voor zoover het inleidend verzoekschrift steunt op een handelen van gerequestreerde in strijd met artikel 4 der Handelsnaamwet Staatsblad 1921 No 842, - in den zin van artikel 6 dier wet is belanghebbende, vermits hij en gerequestreerde concurrenten zijn en in dezelfde straat ieder een handel in papierwaren drijven en requestrant derhalve recht en belang heeft den gerequestreerde te doen verbieden zich met een naam te tooien, die bij het publiek den meer weidschen indruk vestigt, dat zijn zaak aan een vennootschap onder firma of en commandite toebehoort, terwijl, - voor zoover voornoemd verzoekschrift steunt op een handelen van gerequestreerde in strijd met artikel 5, - requestrant evenzeer, al voert ook hijzelf een handelsnaam in strijd met de wet, als belanghebbende is aan te merken, vermits dit begrip omvat ieder, die er belang bij heeft, dat een ander niet een handelsnaam in strijd met de wet voert, en de wet geen byzondere bepaling behelst, dat slechts aan hem, die zelf "vrij van zonden "is, de actie uit artikel 6 toekomt;
Overwegende wat eerstgemelde stelling betreft, dat blijkens artikel 6 belanghebbende in den zin van dat artikel is degene, te wiens opzichte het voeren door een ander van een handelsnaam in strijd met de voornoemde wet een onrechtmatigheid oplevert;
dat, - in het midden gelaten, of het in strijd met artikel 4 in den handelsnaam de woorden "[A]" voeren, een onrechtmatige daad oplevert jegens een concurrent, - dit zeker niet het geval is, indien deze concurrent, - gelijk de Rechtbank ten opzichte van verzoeker heeft vastgesteld, - zelf zich aan gelijke overtreding van artikel 4 schuldig maakt;
Overwegende dat van een onrechtmatigheid ten opzichte van verzoeker op grond van artikel 5 alleen sprake zou kunnen zijn, wanneer, - hetgeen almede zich ten deze niet voordoet, - de door gerequestreerde gevoerde handelsnaam te voren door verzoeker rechtmatig gevoerd werd;
dat dit onderdeel mitsdien niet opgaat;
Overwegende dat onderdeel b opkomt tegen de op artikel 3 der Handelsnaamwet Staatsblad 1921 No 842 steunende beslissing der Rechtbank, dat het voeren door requestrant van den handelsnaam Ln. [A] reeds hierom onrechtmatig is, wijl [betrokkene 3] van wien de door hem gedreven handelszaak en gevoerde handelsnaam afkomstig zijn, na de ontbinding in 1911 der tusschen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] te Rotterdam onder den naam Ln. [A] bestaan hebbende vennootschap, bij welke ontbinding nòch de handelszaak nòch de handelsnaam op hem waren overgegaan, de door hem in 1912 of 1913 te 's-Gravenhage geopende zaak tot zijn dood onrechtmatig onder dien naam heeft gedreven, - stellende requestrant hiertegenover, dat dit alleen onrechtmatig kan zijn geweest, voor zoover het blijven voeren van den naam Ln. [A] betrof, daar [betrokkene 3] in elk geval gerechtigd was onder zijn eigen naam den voornoemden handel te drijven;
Overwegende dat ook deze bewering is ongegrond, daar het voeren door requestrant van den naam In. [A], waardoor in strijd met de waarheid wordt aangeduid, dat de zaak geheel of gedeeltelijk aan een ander zou toebehooren, slechts dan niet onrechtmatig is, indien de volledige handelsnaam en de handelszaak afkomstig zijn van een koopman, die die naam niet in strijd met de wet heeft gevoerd, en deze laatste omstandigheid zich ten deze niet voordoet, vermits [betrokkene 3], ook al zou hij bevoegd zijn geweest na de meergenoemde ontbinding opnieuw een handel onder zijn eigen naam te beginnen, in elk geval, ware de wet reeds toen van kracht geweest, niet gerechtigd zou zijn geweest dit onder den niet op hem overgegaan zijnden handelsnaam Ln. [A] te doen;
Overwegende dat onderdeel c de mede op artikel 3,1 steunende overweging der Rechtbank, dat requestrant ook daarom den handelsnaam Ln. [A] onrechtmatig voert, wijl, - indien al tusschen hem en [betrokkene 2] een vennootschap mocht hebben bestaan, aan welke vennootschap requestrant den genoemden handelsnaam zou hebben ontleend, - ook die vennootschap den meergenoemden naam onrechtmatig zou hebben gevoerd, vermits die naam dan in strijd met de waarheid zou hebben aangeduid, dat de door die vennootschap gedreven zaak geheel of ten deele aan [betrokkene 3] toebehoorde, bestrijdt met de stelling, dat het voeren van meergenoemden. naam door voorzegde vennootschap niet onrechtmatig was, wijl zulks met goedvinden van [betrokkene 3] of diens erfgenamen is geschied;
Overwegende dat ook deze stelling niet juist is, daar artikel 3.1 der Handelsnaamwet Staatsblad 1921 No 842 ten doel heeft er tegen te waken, dat bij het publiek niet de onjuiste indruk wordt gevestigd, dat een zaak geheel of gedeeltelijk aan een ander, dan door den handelsnaam wordt aangeduid, zou toebehooren, en het daarbij onverschillig is, of die ander al dan niet met dit onrechtmatig gebruik van zijn naam instemt;
Overwegende dat ten slotte ook de onderdeelen d en e, eveneens tegen die laatstgenoemde overweging der Rechtbank gericht, niet tot cassatie kunnen leiden; onderdeel d niet, wijl daarbij wordt voorbijgezien, dat voor de ontvankelijkheid van verzoekers vordering, - gelijk hierboven bij onderdeel a is overwogen, - beslissend is, of gerequestreerde onrechtmatig handelde jegens verzoeker, en niet of hetgeen verzoeker deed al dan niet onrechtmatig is ten opzichte van gerequestreerde;
en onderdeel e niet, wijl de omstandigheid, dat een zekere drager van een naam, welke door den eigenaar eener handelszaak in zijn handelsnaam wordt gebezigd, overleden is, geenszins uitsluit, dat de gebezigde naam in strijd met de waarheid zou kunnen aanduiden, dat de zaak geheel of gedeeltelijk aan een ander zou toebehooren;
Overwegende dat het middel dus in zijn verschillende onderdeelen ongegrond is;
Verwerpt het beroep.
Gedaan en gewezen den vier en twintigsten Januari 1936 bij de Heeren Jhr. Feith, President, Van Gelein Vitringa, de Menthon Bake, Nypels en Servatius, Raden, in tegenwoordigheid van den Griffier Kist. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|