|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:5170 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | C/02/443294 FA RK 25-6611 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Verzoek van bijzondere curator voor vervangende toestemming erkenning afgewezen wegens juridische onmogelijkheid | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/443294 FA RK 25-6611
Datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking over vervangende toestemming erkenning dan wel gerechtelijke vaststelling ouderschap
in de zaak van
mr. L.E. Swart, in de hoedanigheid als bijzondere curator voor de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] .
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de moeder]
,
hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.E. Teusink in Roosendaal,
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
het op 3 december 2025 ontvangen verzoek;
de op 14 januari 2026 ontvangen brief van de man.
het op 6 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen;
het op 16 februari 2026 ontvangen verweerschrift op de zelfstandige verzoeken tevens aanvullend verzoekschrift.
1.2
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 11 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de moeder met haar advocaat en de man. Ook was aanwezig mr. B.P.A. van Beers als waarnemend bijzondere curator namens mr. L.E. Swart.
1.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vinden, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2De feiten
2.1
Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:
De man en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.
Op de geboorteakte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] staat geen vader genoemd.
De moeder heeft het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
De man heeft in de procedure met zaaknummer C/02/404162 / FA RK 22-5537 verzocht om hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dit verzoek heeft hij tijdens de zitting van 19 november 2025 ingetrokken.
De man, de moeder en de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben de Nederlandse nationaliteit.
De man, de moeder en de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.
3De verzoeken
3.1
De bijzondere curator verzoekt namens de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- vervangende toestemming te verlenen voor erkenning van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] door de man;
- kosten rechtens.
3.2
De bijzondere curator voert geen verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder die zien op vaststelling van het vaderschap van de man over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
3.3
De bijzondere curator verzoekt aanvullend het ouderschap vast te stellen van de man over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Althans een zodanige regeling als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
3.4
De moeder verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. op het verzoekschrift van de bijzondere curator:
dit verzoek toe te wijzen:
en voor zover nodig te bepalen bij beschikking dat alleen de moeder belast zal zijn met het ouderlijk gezag over de minderjarigen:
o [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ,
o [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats 1] ,
o [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] ;
II. op het zelfstandig tegenverzoek van de moeder:
bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- het ouderschap vast te stellen van de man [de man] , geboren op [geboortedag 4] 1989, over de minderjarigen:
o [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ,
o [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats 1] ,
o [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] ;
te bepalen dat de vrouw alleen belast zal zijn met het ouderlijk gezag over voormelde minderjarigen;
te wijzigen de beschikking van deze rechtbank van 26 juni 2023, voor zover deze beschikking betreft het daarin bepaalde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige kinderen aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 211,- per maand per kind, zulks bij vooruitbetaling en jaarlijks te vermeerderen met de wettelijke indexering, althans zodanige bedragen mits hoger dan de thans verschuldigde bijdragen, als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,
kosten rechtens.
4De standpunten
4.1
De bijzondere curator legt aan haar verzoek ten grondslag dat in de eerdere procedure (zaaknummer: C/02/404162 FA RK 22-5537) door de man een verzoek is gedaan tot vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De bijzondere curator heeft in die procedure positief geadviseerd over het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning. Tijdens de zitting op 19 november 2025 heeft de man zijn verzoek tot vervangende toestemming erkenning ingetrokken. De bijzondere curator heeft tijdens die zitting het verzoek van de man tot vervangende toestemming erkenning overgenomen namens de minderjarigen en heeft het verzoek later nog op papier gezet.
De bijzondere curator vindt dat de situatie die is ontstaan doordat de man zijn verzoek plotseling heeft ingetrokken uiterst onwenselijk is. De kans bestaat dat de ontstane situatie de band tussen de man en de kinderen nog meer schade toebrengt. De bijzondere curator wenst nogmaals te benadrukken dat het in het belang van de [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is om wel erkend te worden door hun biologische vader. Het feit dat de man nu geen erkenning meer wenst zorgt ervoor dat zij zich wederom afgewezen voelen. De bijzondere curator is en blijft van mening dat de erkenning er dient te komen. Of deze nu via de weg van de vervangende toestemming komt of via de weg die de moeder alsnog kan nemen op grond van artikel 1:207 Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2
De bijzondere curator realiseert zich dat artikel 1:204 BW mogelijk niet de ruimte biedt om de minderjarigen via de bijzondere curator een verzoek tot vervangende toestemming erkenning te laten doen. Echter, het Europese Hof voor de Rechten van de Mens stelt dat op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) rechters bij de beoordeling van het vaderschap speciale aandacht moeten geven aan de vraag wat het meest in het belang van het kind is. In casu is het overduidelijk dat de erkenning in het belang van de kinderen is, dat de moeder instemt met die erkenning en de Raad eveneens de erkenning in het belang van de kinderen acht. Indien wordt vastgehouden aan artikel 1:204 BW wordt in strijd met de belangen van de minderjarigen gehandeld. De bijzondere curator verzoekt dan ook om in het licht van artikel 8 EVRM wel de vervangende toestemming tot erkenning te verlenen.
4.3
De bijzondere curator heeft kennis genomen van het verweerschrift van de moeder, tevens houdende zelfstandige verzoeken, en kan zich vinden in het verzoek van de moeder om het vaderschap van de man over de [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vast te stellen. Gezien de in artikel 1:207 lid 3 BW vermelde termijn van vijf jaren, dient de bijzondere curator een aanvullend verzoek in aangaande [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ten aanzien van [minderjarige 3] heeft de vrouw het verzoek tot vaststelling vaderschap ingediend binnen de termijn van vijf jaar.
Het is in het belang van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] dat wordt vastgesteld dat de man hun vader is. In de huidige situatie bestaat echter de mogelijkheid dat het verzoek van de vrouw alleen voor wat betreft [minderjarige 3] wordt toegewezen. De situatie dat de man alleen formeel de vader van [minderjarige 3] zou worden en niet van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is een uiterst onwenselijke situatie.
4.4
Ter zitting heeft mr. Van Beers als waarnemend bijzondere curator aangevoerd dat het van belang is dat het ouderschap van de man wordt vastgesteld. Hij is van mening dat een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap meer recht doet aan de zaak, aangezien een vaststelling vaderschap terugwerkt tot de geboorte van de minderjarigen.
4.5
Door en namens de moeder wordt het verzoek van de bijzondere curator voor het verlenen van vervangende toestemming aan de bijzondere curator voor de erkenning door de man van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ondersteund. In de eerdere procedure heeft de man aanvankelijk zelf verzocht om vervangende toestemming voor erkenning van de minderjarigen. Tijdens de zitting op 19 november 2025 heeft de man dit verzoek plotseling ingetrokken. Als gevolg hiervan is het voor de bijzondere curator noodzakelijk geworden om het verzoekschrift strekkende tot vervangende toestemming voor erkenning in te dienen. De moeder zal bij tegenverzoek om gerechtelijke vaststelling van het ouderschap verzoeken. Zij vindt het belangrijk dat komt vast te staan dat de man de juridische vader van de minderjarigen is.
4.6
De moeder verzoekt het ouderschap vast te stellen van de man op de grond dat de man de verwekker van de minderjarigen is. Voor de moeder bestaat er geen enkele twijfel over dat de man de biologische vader van de minderjarigen is. Betreffende [minderjarige 3] dient de moeder het verzoek in nu [minderjarige 3] nog geen vijf jaren oud is, zodat is voldaan aan de termijn ex artikel 1:207 BW. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is de termijn in beginsel verlopen, echter dient ook dan het verzoek van de moeder naar haar oordeel te worden toegewezen. Er zijn namelijk zulke bijzondere omstandigheden dat het vasthouden aan de formele wettelijke termijn ongerechtvaardigde inmenging oplevert in het familie- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM. De rechtbank kan en dient in zo’n geval met beroep op artikel 8 EVRM het verzoek ontvankelijk te verklaren en toe te wijzen. Hierbij is namelijk belangrijk dat de kinderen gelijk worden behandeld en dus voor alle kinderen tegelijkertijd het juridisch vaderschap wordt vastgesteld. De moeder heeft liever niet dat er een DNA-onderzoek wordt gelast, maar wanneer een dergelijk onderzoek wel wordt gelast door de rechtbank zal zij hieraan meewerken indien de man de kosten betaald. De moeder benadrukt nog dat wanneer komt vast te staan dat de man de juridische vader is van de minderjarigen, zij het belangrijk vindt dat wordt vastgesteld dat zij alleen is en blijft belast met het gezag over de minderjarigen.
4.7
De man voert aan dat hij zijn eerdere verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarigen heeft ingetrokken, omdat hij er niet 100% zeker van is dat hij de biologische vader van de minderjarigen is. Hij is erachter gekomen dat de minderjarigen mogelijk een Turks paspoort hebben. Ten tijde van de conceptieperiode van de minderjarigen hadden de man en de moeder een knipperlichtrelatie; zijn woonde niet samen en er werd ook vreemd gegaan. De man wil heel graag de biologische vader van de minderjarigen zijn, maar hij wil hierover wel zekerheid hebben door middel van een DNA-onderzoek. Hij is bereid de kosten van dit onderzoek te betalen.
5De beoordeling
5.1
De rechtbank overweegt als volgt.
Vervangende toestemming erkenning op verzoek van de bijzondere curator
5.2
In artikel 1:204, derde lid, BW staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen. De bijzondere curator is volgens artikel 1:204 BW geen partij die een dergelijk verzoek kan indienen. Dit komt onder andere doordat een erkenning van een kind een rechtshandeling betreft. Al zou het verzoek kunnen worden toegewezen, dan kan de man niet worden gedwongen om de rechtshandeling van erkenning uit te voeren. De man kan immers niet door de rechtbank worden gedwongen om naar de gemeente te gaan om de minderjarigen te erkennen. Vervangende toestemming erkenning op verzoek van de bijzondere curator is dan ook niet juridisch moeilijk (zoals de bijzondere curator beweerd), maar juridisch onmogelijk. De bijzondere curator is derhalve niet ontvankelijk in dit verzoek.
Gerechtelijke vaststelling ouderschap
5.3
In artikel 1:207, eerste lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, het ouderschap van een persoon, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van:
de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
het kind.
5.4
In het tweede lid van dit artikel staat dat vaststelling van het ouderschap niet kan geschieden, indien:
het kind twee ouders heeft;
tussen de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon en de moeder van het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen worden gesloten of krachtens artikel 80a, zesde lid, geen partnerschap zou mogen worden geregistreerd;
de in de aanhef van het eerste lid bedoelde persoon een minderjarige is die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden.
Verzoek door de moeder
5.5
In het derde lid van dit artikel staat dat het verzoek door de moeder wordt ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden.
5.6
Omdat [minderjarige 3] op [geboortedag 3] 2021 is geboren en de moeder het verzoek heeft ingediend op 6 februari 2026, is het verzoek ten aanzien van [minderjarige 3] tijdig ingediend en kan de moeder worden ontvangen in dit verzoek. Omdat [minderjarige 2] op [geboortedag 2] 2013 is geboren en [minderjarige 1] op [geboortedag 1] 2012 en de moeder het verzoek heeft ingediend op 6 februari 2026, is het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet tijdig ingediend en zal de moeder niet worden ontvangen in het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
Verzoek door kind
5.7
Aan het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap wordt door de wet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als kind geen termijn verbonden. Het verzoek van de bijzondere curator namens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dan ook tijdig ingediend.
DNA-onderzoek
5.8
De rechtbank vindt het belangrijk dat op korte termijn duidelijk wordt of de man ook daadwerkelijk de biologische vader van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is. Zij zal daarom een DNA-onderzoek gelasten waarin wordt gevraagd of de man ook daadwerkelijk de biologische vader is van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De rechtbank zal Verilabs als deskundige benoemen om dit DNA-onderzoek te doen. De moeder en de man moeten voor het maken van een afspraak voor dit onderzoek zelf telefonisch contact opnemen met de deskundige. Hiervoor moeten zij bellen met telefoonnummer 085-105 1415. Zij moeten dit binnen één maand na het geven van deze beschikking doen.
Betaling voorschot
5.9
De rechtbank zal bepalen dat het voorschot vooralsnog zal worden betaald uit ‘s Rijks kas.
5.10
De rechtbank overweegt dat de beslissing ten aanzien van het voorschot nog niets zegt over de uiteindelijke beslissing over de definitieve kosten van het deskundigenonderzoek. De definitieve kosten van voormeld DNA-onderzoek en de verdeling van die kosten tussen partijen, zal de rechtbank op een later moment vaststellen, mede aan de hand van de uitkomst van het DNA-onderzoek en aan de hand van de alsdan bekende feiten en omstandigheden. Op grond van artikel 244 lid 2 Rv., geldt als uitgangspunt dat de rechter vaststelt welk deel van de kosten van de deskundige ieder van de partijen dient te dragen. De wet laat in principe geen ruimte om die kosten voor ’s Rijks kas te laten komen.
5.11
De verdere behandeling van de zaak zal in afwachting van het rapport van de deskundige worden aangehouden. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.
Kinderalimentatie
5.12
Op 6 februari 2026 is door en namens de moeder een zelfstandig verzoek betreffende kinderalimentatie ingediend. De rechtbank zal het verzoek van de moeder betreffende kinderalimentatie alsnog afsplitsen van de aangehouden verzoeken die zien op de afstamming en zal zorgdragen dat dit verzoek door het cluster familie van dit team wordt behandeld.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
verklaart de bijzondere curator niet-ontvankelijk in het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning;
5.2
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling ouderschap ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
5.3
gelast een DNA-onderzoek met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader is van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2021 te [geboorteplaats 2] ;
5.4
benoemt Verilabs, Oxfordlaan 70, 6229 EV Maastricht, als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag;
5.5
bepaalt het voorschot op € 1.560,= (duizend vijfhonderd zestig euro) (inclusief BTW)
5.6
bepaalt dat voornoemd voorschot vooralsnog ten laste komt van ’s Rijks kas;
5.7
bepaalt dat de benoemde deskundige zijn werkzaamheden zal aanvangen en -zo mogelijk- binnen drie maanden daarna schriftelijk aan de rechtbank zal rapporteren;
5.8
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;
5.9
houdt iedere verdere beslissing aan tot 7 juli 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van de deskundige;
5.10
splitst het verzoek van de moeder ten aanzien van de kinderalimentatie af van deze procedure en stuurt deze door naar cluster familie van dit team voor verdere behandeling;
5.11
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026, in aanwezigheid van Van Diepen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:
In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|