Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:6791 
 
Datum uitspraak:01-07-2026
Datum gepubliceerd:07-07-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:12156355 EA VERZ 26-361
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Ontslag op staande voet. Berusting. Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding toewijsbaar. Billijke vergoeding nihil.
Trefwoorden:arbeidsconflict
arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
AMSTERDAM


Civiel recht
Kantonrechter

Zaaknummer / rekestnummer: 12156355 \ EA VERZ 26-361


Beschikking van 1 juli 2026


in de zaak van



[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M. Heimensem,

tegen


FACT ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: FACT
vertegenwoordigd door: [naam] .




1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 19 maart 2026, met producties;
- het verweerschrift, met producties.



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. [verzoeker] was aanwezig met zijn gemachtigde. Namens FACT is [naam] ( [functie 1] ) verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [verzoeker] mede aan de hand van zittingsaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. [verzoeker] heeft zijn eis ter zitting verminderd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is de beschikking bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 2005, is op 9 december 2024 als [functie 2] bij FACT in dienst getreden. Zijn laatstgenoten salaris was € 1.710,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, op basis van een 24-urige werkweek.



2.2.
Op 31 juli 2025 stuurde FACT [verzoeker] per e-mail onder meer:
“We hebben de volgende aanvullende afspraken gemaakt:
 Het contract dat we nu hebben loopt tot 30 juni 2026
 Ik heb aangegeven dat wij tevreden zij[n] over jou en dat ik de nieuwe overeenkomst per 1 juli 2026 wil omzetten in een contract voor onbepaalde tijd
 Je zult dan vallen onder de autoregeling/mobiliteitsbudget (…)”



2.3.
Vanaf de aanvang van zijn dienstverband bij FACT gebruikte [verzoeker] zijn studenten-OV om naar FACT te reizen. Hij maakte daardoor geen reiskosten.



2.4.
In augustus 2025 heeft [verzoeker] zijn rijbewijs gehaald en een Toyota Aygo gekocht.



2.5.
In oktober 2025 heeft [verzoeker] bij FACT een reiskostendeclaratie ingediend voor in september 2025 gemaakte reiskosten. FACT heeft [verzoeker] gevraagd een kostenopgave te maken van de kosten van zijn auto. [verzoeker] heeft daarop onder meer aangegeven dat zijn auto een verbruik had van 1:9. FACT heeft er op gewezen dat dit verbruik hoger is dan het gemiddelde verbruik van dat type auto en om aanvullende informatie gevraagd.



2.6.
In de maanden daarna heeft [verzoeker] ook reiskosten gedeclareerd voor de maanden tot en met december 2025. FACT heeft die reiskosten niet voldaan.



2.7.
Op 16 december 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] FACT gesommeerd de gedeclareerde reiskosten van september tot en met december 2025 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging daarover.



2.8.
Op 24 december 2025 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. FACT heeft daarvan een gespreksverslag opgemaakt. [verzoeker] heeft dat niet ondertekend. In dat gespreksverslag staat onder meer dat besproken is dat FACT vermoedt dat de door [verzoeker] opgegeven kostenopgave vanwege het hoge brandstofverbruik onjuist is, dat [verzoeker] de gelegenheid is gegeven om de juistheid te onderbouwen door – kort gezegd – aanvullende informatie aan te leveren, dat hij dat niet heeft gedaan en dat FACT daarom vermoedt dat sprake is van een vervalsing. Verder staat er dat is besproken dat het functioneren van [verzoeker] onvoldoende is.



2.9.
Op 14 januari 2026 heeft FACT [verzoeker] geschorst. [verzoeker] heeft daar dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.



2.10.
In een e-mail van 21 januari 2026 schrijft FACT aan [verzoeker] onder meer:

“In ons gesprek van vorige week heb ik je aangegeven dat ik overging tot een schorsing. Ik heb daarvoor de volgende redenen:
 Het zonder enige vorm van overleg declareren van kosten
 Het bewust verstrekken van onjuiste informatie met betrekking tot de kosten van je auto
 Het negeren van aanvullende instructies met betrekking tot de onjuist gedane kostenopgaaf van je auto
 Het bewust onjuist schrijven van je uren en dan met name de interne uren (…)
 Het opstarten van een juridische procedure tegen Fact
 Het volstrekt onvoldoende uitvoeren van werkzaamheden. (…).


De grondvereiste [sic] van iedere werknemer van Fact is dat hij integer is en bij jou moet ik helaas constateren dat je dat niet bent. Ik moet dus maatregelen nemen en hoopte dat je met de schorsing tot inzicht zou komen. (…)


Er is geen verdere basis meer voor enig vertrouwen!

In het gesprek van gisteren gaf je aan niet van mening te zijn veranderd. Mij rest dan niets anders als [sic] een verdere maatregel te nemen en dat is dan ontslag op staande voet.

Per gisteren ben je uit dienst (…).”



2.11.

[verzoeker] heeft zijn werklaptop van FACT niet aan FACT teruggegeven, ondanks verzoek daartoe van FACT.



2.12.

[verzoeker] werkt sinds 23 februari 2026 bij een andere werkgever. Hij verdient daar iets meer dan bij FACT (€ 1.800,- per maand voor 24 uur in de week).





3Het verzoek en het verweer


In de hoofdzaak



3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter na eisvermindering om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, FACT samengevat te veroordelen:
I. tot betaling van een billijke vergoeding van € 55.853,00 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
II. tot betaling van € 2.462,40 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging;
III. tot betaling van de transitievergoeding van € 750,00 bruto;
IV. een deugdelijke bruto/netto specificatie te verschaffen van de hiervoor genoemde betalingen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;
V. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel;
VI. tot betaling van de wettelijke rente over de onder I, II en III genoemde bedragen vanaf opeisbaar worden tot voldoening;
VII. tot betaling van € 866,22 aan reiskosten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;
VIII. tot betaling van € 700,00 aan achterstallig loon wegens het niet inleveren van de laptop, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;
IX. tot betaling van € 942,00 aan ingehouden betalingen voor te veel opgenomen verlof, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;
X. tot betaling van € 427,50 aan wegens schorsing ingehouden loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;
XI. tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover;
XII. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnisdatum.



3.2.

[verzoeker] legt hieraan kort gezegd ten grondslag dat er geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet en dat de verschillende inhoudingen onterecht zijn.



3.3.
FACT verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken.


In het incident




3.4.

[verzoeker] verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure onder meer veroordeling tot (i) doorbetaling van het salaris, (ii) verstrekking van salarisspecificaties, (iii) wettelijke verhoging en (iv) buitengerechtelijke incassokosten.





4De beoordeling


In de hoofdzaak:



4.1.

[verzoeker] berust in het ontslag, maar maakt aanspraak op een aantal vergoedingen. Hij heeft zijn verzoekschrift daartoe tijdig ingediend. De vergoedingen kunnen worden toegewezen als het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. In deze procedure moet daarom de vraag worden beantwoord of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.



4.2.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dat wordt als volgt toegelicht.


Juridisch kader ontslag op staande voet



4.3.
In de wet staat dat beide partijen bevoegd zijn om de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden op te zeggen, onder een onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Voor een werkgever worden als dringende reden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Van belang zijn bijvoorbeeld de aard en de ernst van wat er is gebeurd, de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden en de onverwijldheid liggen bij de werkgever.


Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig



4.4.
FACT heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke dringende reden zij ten grondslag heeft gelegd aan het gegeven ontslag op staande voet. Dat had wel op haar weg gelegen. Alleen daarom al is het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.



4.5.
Voor zover FACT in dat kader heeft willen verwijzen naar de door haar op 21 januari 2026 gestuurde e-mail (2.10 hiervoor) geldt het volgende. In die e-mail heeft FACT een aantal redenen gegeven op grond waarvan zij tot schorsing van [verzoeker] was overgegaan. Daargelaten in hoeverre een schorsing op die gronden juridisch toelaatbaar was - dat ligt in deze procedure immers niet voor - geldt dat die gronden niet kwalificeren als dringende reden voor het rechtvaardigen van een ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet is immers een zeer ingrijpend middel, met vergaande consequenties voor de werknemer.



4.6.
Dat [verzoeker] ondanks zijn schorsing volgens FACT ‘niet tot inzicht’ zou zijn gekomen, is evenmin voldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Al is het maar omdat FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht wat zij in dat kader van [verzoeker] verwachtte en evenmin dat het niet voldoen aan die verwachting dit arbeidsrechtelijk zwaarste middel van een ontslag op staande voet rechtvaardigt.



4.7.
Daar komt bij dat voorzover FACT aan haar ontslag op staande voet dezelfde gronden ten grondslag heeft willen leggen als aan haar schorsing, FACT onvoldoende over het voetlicht heeft gebracht dat zij het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. Zo heeft FACT niet toegelicht dat zij mede in het licht van de periode van schorsing voldoende voortvarend te werk is gegaan.


Transitievergoeding



4.8.
Een werkgever moet een transitievergoeding aan de werknemer betalen als de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd, behalve als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werknemer. FACT heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd. Niet gebleken is dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in voornoemde zin. Dat hij onvoldoende heeft kunnen uitleggen waarom het in eerste instantie door hem genoemde verbruik van zijn auto afwijkt van het door FACT genoemde gemiddelde van dergelijke auto’s, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Omdat [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet staat vast dat de einddatum van het dienstverband 21 januari 2026 is. De transitievergoeding bedraagt daarom € 689,70. Betaling daarvan wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van deze beschikking.


Gefixeerde schadevergoeding



4.9.
De arbeidsovereenkomst is door een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet geëindigd en is daarmee op onregelmatige wijze opgezegd. Als een werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, moet zij het in geld vastgestelde loon betalen over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Dat wordt de gefixeerde schadevergoeding genoemd. De berekening hiervan door [verzoeker] wordt niet gevolgd, omdat hij daarbij uitgaat van een periode vanaf 14 januari 2026, terwijl het dienstverband liep tot 21 januari 2026. Omdat [verzoeker] per 23 februari 2026 elders in dienst is getreden, loopt de relevante periode tot 23 februari 2026. De periode van 21 januari 2026 tot 23 februari 2026 is 1,07 maanden, zodat als gefixeerde schadevergoeding een bedrag van (1,07 * € 1.710,00 * 1,08 =) € 1.976,08 toewijsbaar is. De daarover verzochte wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot voldoening.


Billijke vergoeding



4.10.
Omdat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen en hij berust in het ontslag, kan hij tegenover FACT aanspraak maken op een billijke vergoeding. Bij de begroting van de hoogte daarvan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het gaat er kort gezegd om dat [verzoeker] wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van FACT. Daarbij kan rekening worden gehouden met de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te beëindigen.



4.11.
De kantonrechter ziet aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarbij weegt mee dat de gevolgen voor [verzoeker] van het verlies van zijn baan in dit geval beperkt zijn. Hij heeft vrij snel een nieuwe baan gevonden en bovendien ter zitting toegelicht dat hij vóór het gegeven ontslag op staande voet zelf al in vergaande gesprekken was met een nieuwe werkgever. Het dienstverband zou daarom naar verwachting hoe dan ook niet al te lang meer hebben geduurd. Ook weegt mee dat hem een transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding toekomt. Verder weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft nagelaten te vermelden dat hij op dat moment (19 maart 2026) al bijna een maand een nieuwe baan had. Dat staat haaks op de in het verzoekschrift door hem beschreven verwachting dat hij nog 18 maanden bij FACT in dienst zou zijn geweest. Ook weegt de kantonrechter mee dat, zoals hierna verder zal blijken, [verzoeker] zelf ook een aandeel in het ontstane arbeidsconflict met FACT heeft gehad.


Reiskosten



4.12.
De door [verzoeker] verzochte veroordeling tot betaling van de gedeclareerde reiskosten wordt afgewezen. Niet in geschil is dat [verzoeker] van meet af aan met zijn studenten-OV naar het werk reisde. Volgens hem is op enig moment besproken dat hij zijn kilometers mocht gaan declareren, maar hij heeft dat standpunt in het licht van de gemotiveerde betwisting door FACT onvoldoende onderbouwd. Zijn verwijzing naar artikel 9 van de arbeidsovereenkomst – waarin kort gezegd staat dat de secundaire arbeidsvoorwaarden van FACT van toepassing zijn – maakt dat niet anders. Niet in geschil is immers dat hij in de praktijk gebruik maakte van zijn studenten-OV en dus geen reiskosten maakte. Ook zijn verwijzing naar in juli 2025 gevoerde onderhandelingen maken dat niet anders. FACT heeft immers onweersproken toegelicht dat die onderhandelingen hebben geleid tot de e-mail van 31 juli 2025 (2.2 hiervoor), waaruit kort gezegd volgt dat [verzoeker] vanaf 1 juli 2026 - en dus niet eerder - onder de autoregeling zou vallen.


Overige verzoeken



4.13.
FACT heeft € 700,00 ingehouden in verband met het niet inleveren van de laptop. Zij heeft echter niet toegelicht op welke grondslag zij daarvoor geld op het loon heeft mogen inhouden, noch dat dit een bedrag van € 700,00 rechtvaardigt. Dat had wel op haar weg gelegen. Betaling van dit bedrag is dus toewijsbaar. Het voorgaande laat onverlet dat [verzoeker] is gehouden om de laptop aan FACT terug te geven, aangezien het dienstverband is geëindigd. FACT heeft hierover echter geen tegenverzoek ingediend, zodat de kantonrechter daar verder niet op kan beslissen. Omdat niet in geschil is dat FACT [verzoeker] eerder heeft gevraagd de laptop in te leveren, hetgeen hij zonder goede onderbouwing niet heeft gedaan, zal over dit bedrag geen wettelijke verhoging worden toegekend. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf heden tot betaling.



4.14.
Het verzoek tot betaling van € 942,00 aan ingehouden verlofsaldo wordt afgewezen. [verzoeker] heeft namelijk niet gesteld dat dit bedrag op zichzelf onterecht is berekend, maar uitsluitend aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst niet geëindigd is en dat het daarom niet zou mogen worden ingehouden. Hiervoor is echter gebleken dat de arbeidsovereenkomst geëindigd is. Ook het verzoek tot betaling van € 427,50 wegens aan tijdens schorsing ingehouden loon wordt afgewezen. FACT heeft immers gemotiveerd aangevoerd dat gedurende de schorsing het loon is doorbetaald. FACT heeft dat onderbouwd met een loonstrook. [verzoeker] heeft dat vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.



4.15.
Het verzoek tot betaling van € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, is toewijsbaar, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover. Zelfs als het zo zou zijn dat [verzoeker] onjuiste uurcodes heeft gebruikt, of meer uren op een bepaalde code heeft geschreven dan zijn collega’s, maakt dat nog niet dat FACT daarvoor loon in mindering mag brengen. FACT heeft ook geen (bedrijfs)documentatie overgelegd waaruit iets anders blijkt. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf heden tot volledige betaling.



4.16.
De verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld dat méér werkzaamheden zijn verricht dan verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.



4.17.
Het verzoek tot afgifte van de salarisspecificatie wordt in die zin toegewezen, dat FACT wordt veroordeeld tot het verstrekken een deugdelijke bruto/netto specificatie van de betalingen van de transitievergoeding en de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging, binnen een maand na de datum van beschikking. Als FACT daar niet tijdig aan voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00.


Proceskosten



4.18.
Omdat FACT overwegend ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.



4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.


In het incident:



4.20.
Omdat in de hoofdzaak wordt beslist, bestaat geen belang meer bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Deze worden dus afgewezen. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van FACT begroot op nihil.





5De beslissing

De kantonrechter:


In de hoofdzaak:



5.1.
veroordeelt FACT om aan [verzoeker] te betalen:

I. € 689,70 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;

II. € 1.976,08 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;

III. € 700,00 bruto aan ingehouden loon voor de laptop, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;

IV. € 229,78 aan ten onrechte ingehouden loon wegens vermeend verkeerde uurcodes schrijven, te vermeerderen met 25% wettelijke verhoging daarover, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking tot voldoening;



5.2.
veroordeelt FACT om binnen een maand na heden een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken van de betalingen genoemd onder 5.1 sub I en II, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verbeurt van € 50,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00;



5.3.
veroordeelt FACT in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als FACT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;



5.4.
veroordeelt FACT tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,



5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders verzochte af;


In het incident




5.7.
wijst het verzochte af;



5.8.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van FACT begroot op nihil.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.









Artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 7:678 lid 1 BW.


Artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW.


Artikel 7:672 lid 11 BW.


Vakantiegeld.


Artikel 7:681 lid 1 sub a BW.


Vgl. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878.
Link naar deze uitspraak