|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:17582 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 11571615 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | geschil over contractuele beeindigingsvergoeding | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | minimumloon | | | uitkering | | | vertrekvergoeding | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
EiV/DN/c
Rep.nr.: 11571615 RP VERZ 25-50147
19 februari 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,verzoeker,
hierna: [verzoeker] ,gemachtigde: mr. F.A.M. van Bree,
tegen
Het Sultanaat Oman, in het bijzonder zijn Ministerie van Buitenlandse Zaken,
gevestigd te Muscat (Oman),verweerder,
hierna: Oman,gemachtigde: mr. R.M. Berendsen.
1Procedure
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
het verzoekschrift van 4 maart 2025 met producties 1 t/m 22;
de brief van de zijde van [verzoeker] van 29 april 2025 met een vertaling van de Arabische producties;
het verweerschrift met één productie;
de pleitnotitie van de zijde van [verzoeker] .
1.2.
Op 20 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is gelijktijdig behandeld met de dagvaardingsprocedure onder nummer 11613769 RL EXPL 25-5453. Op de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens Oman is de heer [naam 1] (vertegenwoordiger Economische Zaken) verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde en mr. S.W.S. Blom. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.
1.3.
Tot slot is de uitspraak van deze beschikking (nader) bepaald op vandaag.
2Feiten
2.1.
[verzoeker] is vanaf 3 april 1991 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst geweest van de ambassade van Oman te Den Haag in de functie van vertaler. Het salaris bedroeg laatstelijk € 8.137,34 bruto per maand bij een arbeidsduur van 40 uur per week.
2.2.
De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 bevat in artikel 9 een contractuele beëindigingsvergoeding. De contractuele beëindigingsvergoeding is met de lokale medewerkers van Oman overeengekomen als extra arbeidsvoorwaarde omdat Oman geen pensioenregeling in stand hield voor zijn werknemers in Nederland. Artikel 9 onder a. en b. luidt als volgt (van Arabisch vertaald naar het Engels):
9. On termination of service employee shall be entitled to compensation as follows:
Half a months salary for each year of the first five years of actual service.
One months salary for each year of service but not to exceed year and a half (18 months). Compensation is calculated on basis of salary for last month employee worked.
2.3.
In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 september 2007 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
Met betrekking tot de correspondentie over de invoering van het Sociale Verzekeringsregeling voor lokale werknemers en medewerkers van de ambassade, delen wij u mee dat het ministerie heeft ingestemd met de invoering van het zogenoemde “dertiende maandsalaris”.
Dit wordt aan lokale werknemers en medewerkers aan het einde van elk jaar uitgekeerd als
alternatief voor de “einde-diensttijdbeloning”.
De einde-diensttijdbeloning wordt aan alle werknemers uitbetaald over de voorgaande
dienstperiode en de huidige arbeidsovereenkomsten worden beëindigd.
Nieuwe arbeidsovereenkomsten worden opgesteld in samenwerking met de afdeling
Personeelszaken en de Juridische Dienst. Deze afdeling dient op de hoogte te worden gesteld van de kosten van dc eindedienstuitkering, zodat deze na een verzoek om maandelijkse betaling aan de ambassade kunnen worden overgemaakt.
2.4.
Op 23 november 2007 heeft Oman aan de werknemers van de ambassade vervolgens het volgende medegedeeld (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
Wij willen u graag informeren dat de ambassade bezig is met de invoering van het dertiende maandsalaris, waarbij de eindediensttijdbeloning wordt vervangen door het dertiende maandsalaris.
Daarom delen wij u mede dat uw huidige dienstverband op 31 december 2007 wordt beëindigd. Daarmee wordt uw huidige arbeidsovereenkomst voortijdig stopgezet, en worden uw financiële rechten – namelijk de eindediensttijdbeloning (vertrekvergoeding) van de voorgaande jaren en een contante vergoeding voor uw opgebouwde verlofsaldo tot en met 31 december 2007 – aan u uitbetaald.
U wordt aansluitend opnieuw geplaatst bij de ambassade in dezelfde functie, met behoud van uw huidige salaris en toelagen. Per 1 januari 2008 zal hiervoor een nieuwe arbeidsovereenkomst worden aangegaan.
2.5.
Oman heeft eind 2007 aan [verzoeker] een eenmalige uitkering gedaan ter hoogte van 14,5 maandsalarissen. In 2008 heeft [verzoeker] een dertiende maand ontvangen.
2.6.
Op 1 juni 2009 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. Deze arbeidsovereenkomst bevat geen contractuele beëindigingsvergoeding en geen recht op een dertiende maandsalaris, en bevat in artikel 1 onder b de volgende bepaling:
The Second Party is entitled to vacation allowance which is 8% of his/her salary. The vacation allowance will be paid with the salary of the month May of each year.
2.7.
In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 23 juni 2009 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
Met verwijzing naar ambassadememorandum nr. 421 van 15 juni 2009, betreffende de
implementatie van het socialezekerheidsstelsel voor werknemers en arbeiders per 1 juni 2009 wil het ministerie u graag het volgende meedelen:
1 - Het ministerie heeft een kopie van het nieuwe contract naar de juridische afdeling gestuurd voor juridisch advies. De Juridische afdeling verklaarde dat er geen juridische bezwaren zijn, zolang de contractvoorwaarden volledig in overeenstemming zijn met de Nederlandse lokale wet- en regelgeving, en dat de Omaanse ambassade beter bekend is met deze wet- en regelgeving (een kopie van het memorandum van de juridische afdeling is bijgevoegd).
2 - Aangezien het huidige contract per 1 juni 2009 wordt vervangen door een nieuw contract, conform de Nederlandse wet- en regelgeving, dienen de diensten van medewerkers die onder dit systeem vallen, te worden beëindigd met ingang van 31 mei 2009, als einddatum van het huidige contract.
3 - “De einde-diensttijdbeloning” wordt uitbetaald op basis van het dertiende salaris over de
periode van 01 januari 2009 tot en met 31 mei 2009.
(…)
2.8.
In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 3 augustus 2017 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
Verwijzend naar ambassadememorandum nr. (314) van 09 augustus 2017, waarin
verduidelijkingen zijn opgenomen met betrekking tot de opmerkingen van het ministerie over de concept-arbeidsovereenkomst voor lokale werknemers, die is aangepast aan de Nederlandse arbeidswetgeving.
Het ministerie wil u het volgende meedelen:
1. Het is het eens met de punten in het memorandum van de ambassadeur, mits deze voldoen aan de Nederlandse wetgeving.
2. Er moeten twee contracten worden opgesteld: één voor bestaande lokale werknemers
en één voor nieuwe werknemers (met vermelding van vakantie, zwangerschapsverlof en
contractduur).
3. Verstrek het ministerie, indien mogelijk, de wettelijke bepalingen die de werkzaamheden
van lokale werknemers reguleren, voor zover deze in overeenstemming zijn met de
Nederlandse arbeidswetgeving.
4. (…)
5. Overgangsvergoeding: Graag nadere toelichting. In het antwoord werd aangegeven dat de
kwestie van toepassing was van 2015 tot en met 2020, terwijl elders werd aangegeven dat deze in behandeling is bij het parlement.
Er is sprake van een overlapping tussen de “overgangsvergoeding” en de “einde-
Diensttijdbeloning”. De verwijzing op pagina 3, in de laatste alinea, vermeldt dat indien het
contract op verzoek van de werkgever wordt beëindigd om een andere reden dan een noodgeval of vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, de werknemer recht heeft op een “einde-diensttijdbeloning” en tegelijkertijd op een overgangsvergoeding. Dit is in tegenspraak met artikel 12.2 van het conceptcontract, waarin staat: “Dit artikel is niet van toepassing op een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd in Nederland heeft bereikt.
6. Hoe verplicht is de overgangsvergoeding?
7. Hoe wordt de einde-diensttijdbeloning berekend volgens het Nederlandse recht die in de
arbeidsvoorwaarden wordt opgenomcn?
8. (…)
Bestudeer daarom de opmerkingen en stel het contract volledig op in overeenstemming met
deze, en stuur het vervolgens zo snel mogelijk naar het ministerie.
2.9.
Op 1 november 2021 heeft een groep van werknemers van de ambassade een brief gestuurd aan de ambassadeur van Oman, waarin zij onder meer het volgende schrijven:
Met deze brief verzoeken wij Uwe Excellentie om de juridische status van onze
arbeidsovereenkomsten als lokale medewerkers bij de ambassade te verduidelijken, vooral
omdat sommigen van ons de wettelijke pensioenleeftijd naderen en de status van onze
arbeidscontracten en uitkeringen aan het einde van het dienstverband voor ons onduidelijk
blijft. We vragen al lange tijd om deze situatie aan te pakken.
Om het u gemakkelijker te maken, presenteren wij u hieronder een vereenvoudigde uitleg van
de huidige stand van zaken van ons werk op de ambassade met betrekking tot
arbeidsovereenkomsten, vanaf 2008, het jaar waarin de contractstatus veranderde, tot nu.
1. In 2007 werden wij schriftelijk door het toenmalige Hoofd Financiële Administratie van de
ambassade op de hoogte gesteld van het voornemen van de ambassade om ons op te nemen in
het Nederlandse belastingstelsel, om nieuwe arbeidsovereenkomsten aan te gaan ter
vervanging van de oude en om de einde-diensttijdbeloning te vervangen door het dertiende
salarissysteem, dat aan het einde van elk jaar wordt uitbetaald.
2. De nieuwe arbeidsovereenkomsten werden in 2009 opgesteld en naar de Nederlandse
belastingaccountant van de ambassade gestuurd. Deze heeft de contracten aan de ambassade
terug gestuurd en haar schriftelijk via een officiële brief nr. (7947/701 D) van 09 november
2009 laten weten dat enkele clausules in dc overeenkomst niet in overeenstemming waren met
het Nederlands recht. De accountant deed aanbevelingen over de vorm van deze posten,
waaronder de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer en de wet op
het ziekteverlof. Naar aanleiding van deze brief heeft de ambassade kopieën van de contracten
van de medewerkers ingetrokken, zodat er nieuwe contracten konden worden opgesteld die aan
de Nederlandse wet voldoen. Maar zoals later bleek, bewaarde ze een kopie in haar
personeelsdossier.
3. Er vond een aantal correspondentie plaats tussen de ambassade en het Omaanse ministerie
van Buitenlandse Zaken over het opstellen van een arbeidsovereenkomst conform Nederlands
recht, zoals aanbevolen door de accountant. Deze correspondentie resulteerde begin 2017 in de
goedkeuring van het ministerie om een Nederlands advocatenkantoor te machtigen uitsluitend
juridische arbeidsovereenkomsten op te stellen, zonder verdere juridische diensten in dit
verband aan te vragen.
4. Op basis hiervan sloot de ambassade in 2017 een contract met Russel Advocaten, een
gerenommeerd advocatenkantoor in Amsterdam, dat de overeenkomst opstelde. Vervolgens
vond er een ronde van discussie, overleg, navraag, uitleg en wijzigingen plaats met betrekking
tot de context en voorwaarden van het contract, zonder af te wijken van de oorspronkelijke
tekst, via correspondentie (waarvan kopieën beschikbaar zijn tussen de ambassade, het
ministerie en het advocatenkantoor). Het ministerie verzocht bovendien om overlegging van de Nederlandse wetgeving waarop het contract was gebaseerd en om vertaling van de relevante teksten in het Arabisch. Dit is gebeurd. Eind 2018 was een definitieve versie van de contracten bereikt. Er werden twee versies
opgesteld: één voor huidige medewerkers die hun dienstverband voortzetten en één voor
eventuele toekomstige nieuwe medewerkers.
5. Zijne Excellentie Ambassadeur [ambassadeur] ,
destijds de ambassadeur van het Sultanaat in Den Haag, overhandigde in september2019
kopieën van deze contracten aan de Adviseur, dhr. [naam 2] , de zaakgelastigde
die hem opvolgde, om de zaak verder te onderzoeken. Dhr. [naam 2] stuurde de contracten
vervolgens terug naar het ministerie en vroeg of ze goedgekeurd konden worden ter
ondertekening.
6. Gezien het bovenstaande en de aanhoudende onzekerheid sinds 2009 tot nu hebben
werknemers te maken gehad met psychische stoornissen en angsten in die mate dat het
hun mentale en praktische activiteiten heeft beïnvloed. Sinds 2009 hebben ze namelijk
het dertiende salaris niet ontvangen dat hen schriftelijk was beloofd als alternatief voor
de eindedienstregeling. Bovendien zijn er geen nieuwe contracten afgesloten waarin de
einde-diensttijdbeloning, het dertiende salaris of het pensioenstelsel zijn vastgelegd,
evenals eventuele contractuele rechten of wettelijke aanspraken bij het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd bij beëindiging van de dienstbetrekking.
7. Ik verzoek u daarom vriendelijk de bevoegde autoriteiten van het geachte ministerie opdracht
te geven deze kwestie op te lossen en een einde te maken aan de psychologische druk en
onzekerheid over de toekomst van hun werk bij de ambassade — een situatie die al twaalf jaar
voortduurt door arbeidsovereenkomsten te sluiten waarin hun rechten zijn vastgelegd,
waaronder het recht op een dertiende maand en een eind-diensttijdbeloning.
2.10.
In een verzameldocument met het onderwerp ‘Aanpak van de situatie van lokaal personeel bij de ambassade van het Sultanaat in Den Haag worden de volgende relevante stukken genoemd (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
Opmerking
Bron van Opmerking
Datum
Aan het hoofd van de afdeling
Ter beoordeling en begeleiding
De ambassade stelt dat alle medewerkers van wie de contracten moeten worden gewijzigd conform Nederlands recht geen bezwaar hebben tegen de voorlopige berekening van beëindiging van de bestaande contracten.
(…)
1809, Financiële afdeling,
Missies begrotingsbureau
03-07-2022
09:51:50 uur
Aan: Afdeling Financiën/Interne Audit/Ambassade van het Sultanaat in Den Haag
Ter informatie zoals hierboven vermeld, zin de bijgevoegde bedragen een voorlopige schatting en kunnen ze worden gewijzigd basis van de datum van beëindiging van het dienstverband (…)
Wij verzoeken de ambassade daarom de lokale medewerkers op de hoogte te stellen van de kwestie, hun initiële goedkeuring te verkrijgen en, indien zij akkoord gaan, de bijgevoegde verklaring te ondertekenen. Vervolgens overleggen we met een advocaat om een overeenkomst met de werknemers op te stellen, en hun situatie juridisch te regelen.
1685, Afdeling Personeelszaken, Bureau Lokaal Personeel in Missies
16-06-2022
16:06:25
Aan de Ambassade van het Sultanaat Oman in Den Haag
Wij bevestigen hierbij de kosten met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van lokale
medewerkers. Wij verzoeken u de betreffende medewerkers te informeren en hun voorlopige instemming
te verkrijgen met de beëindiging van hun contract op
basis van de vermelde bedragen. Houd er rekening mee dat
de berekeningen zijn gebaseerd op de situatie per 31 mei
2022.
(…)
Wij verzoeken u de nodige stappen te ondernemen in
overleg met de lokale medewerkers en in aanwezigheid
van de advocaat van de ambassade tot het bereiken van
een overeenkomst. Dit ter afronding van de juridische
procedures, het afsluiten van nieuwe arbeidsovereenkomsten en het correct rapporteren van het
volledige salaris aan de bevoegde autoriteiten.
1685, Afdeling Personeelszaken, Bureau Lokaal Personeel in Missies
24-05-2022
14:46:05 uur
2.11.
In een overzicht van 12 mei 2022 ‘Voorbereid door de eerste secretaris van de ambassade Abeer Al Siyabi’ wordt de eindediensttijdbeloning van [verzoeker] vastgesteld op
€ 50.424,00 (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
2.12.
In juni 2024 hebben Oman en [verzoeker] met elkaar gesproken over het naderende pensioen van [verzoeker] en de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door [verzoeker] voort te zetten. [verzoeker] heeft naar aanleiding van dit gesprek op 2 oktober 2024 de volgende brief gestuurd aan Oman (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
“[…]. Daarnaast wil ik mijn oprechte interesse uitspreken in een tijdelijke verlenging van mijn ambtstermijn. Met betrekking tot het voorstel van het ministerie betreffende het sluiten van een nieuwe tijdelijke arbeidsovereenkomst, verwelkom ik dit voorstel, mits het geen invloed heeft op de rechten en aanspraken die ik in mijn voorgaande diensttijd heb verworven,
Ik wil tevens benadrukken dat deze tijdelijke overeenkomst de rechten en aanspraken die voortvloeien uit eerdere contracten, inclusief eindedienstbonus of uitkering, niet tenietdoet. Het betreft een tijdelijk contract voor bepaalde tijd, los van eerdere arbeidsovereenkomsten en brengt geen andere financiële of juridische verplichtingen met zich mee dan na het maandsalaris.
Ik kijk ernaar uit mijn eindediensttijdbeloning te ontvangen, zowel vóór als na afloop van het nieuwe contract.”
2.13.
In een interne memo van 11 november 2024 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Oman aan de ambassade bericht dat goedkeuring wordt verleend om [verzoeker] met ingang van 3 januari 2025 te ontslaan vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daarnaast geeft het ministerie aan de ambassade mee welke (procedurele) stappen doorlopen moeten worden om een vervanger te benoemen.
2.14.
Oman heeft vervolgens op 11 november 2024 de volgende brief gestuurd aan [verzoeker] (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):
“De ambassade wil u graag meedelen dat uw arbeidsovereenkomst met de ambassade eindigt op 2 januari 2025, aangezien u op 3 januari 2025 de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
Bij deze gelegenheid wil ik mijn oprechte dank en waardering uitspreken voor uw jarenlange trouwe dienst en grote toewijding. U bent een voorbeeld van toewijding en betrokkenheid geweest en hebt tijdens uw hele carrière bij de ambassade een blijvende indruk achtergelaten. De ambassade wenst u het allerbeste en veel geluk in uw toekomst. […].”
2.15.
[verzoeker] heeft vanaf 3 januari 2025 geen werkzaamheden meer voor Oman verricht. Oman heeft aan [verzoeker] een eindafrekening uitbetaald, maar zonder een vergoeding wegens beëindiging van het dienstverband toe te kennen.
3Verzoek, grondslag en verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt (verkort en anders weergegeven) dat de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Oman in de proceskosten:
primair
- Oman veroordeelt tot betaling van de contractuele beëindigingsvergoeding van € 131.475,28 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, althans een in goede justitie te bepalen bedrag voor de contractuele beëindigingsvergoeding of de dertiende maand, vermeerderd met voornoemde verhoging en rente;
subsidiair
- Oman veroordeelt tot betaling van de op 12 mei 2022 overeengekomen beëindigingsvergoeding van € 50.424,- netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en met een bedrag van € 24.412,02 bruto voor de dertiende maand over de jaren 2022, 2023 en 2024;
zowel primair als subsidiair
- Oman veroordeelt tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 26.364,98 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
3.2.
Oman concludeert tot afwijzing van de verzoeken met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
3.3.
Op de door partijen over en weer ingenomen standpunten en weren wordt, voor zover relevant, hierna ingegaan.
4Beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
Omdat Oman een buitenlandse staat is, bevat deze procedure een internationaal element, zodat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of zij bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De vorderingen vinden hun grondslag in een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. De overeengekomen arbeid werd gewoonlijk verricht op de ambassade in Den Haag. De kantonrechter is daarom in deze procedure bevoegd op grond van artikel 1 jo. 6 sub b Rv.
4.2.
De kantonrechter dient ook ambtshalve vast te stellen welk recht op het geschil van toepassing is (art. 10:2 BW). Partijen hebben niet gesteld dat een uitdrukkelijk rechtskeuzebeding is overeengekomen. De arbeidsverhouding tussen partijen is tot stand gekomen vóór 17 december 2009, zodat het toepasselijk recht wordt beheerst door het Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO-verdrag). Op grond van artikel 6 lid 2 sub a van dat verdrag is het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht van toepassing. In dit geval is dat Nederland. De kantonrechter zal de vorderingen daarom naar Nederlands recht beoordelen. De kantonrechter stelt vast dat partijen ook zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.
De arbeidsovereenkomst van 3 april 1991
4.3.
Aan het verzoek tot betaling van een bedrag van € 131.475,28 aan contractuele beëindigingsvergoeding heeft [verzoeker] primair de arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 ten grondslag gelegd. [verzoeker] verzoekt dus nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 en meer in het bijzonder van de contractuele beëindigingsvergoeding in artikel 9. Daartoe heeft [verzoeker] aangevoerd dat Oman de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009, waarin noch de beëindigingsvergoeding noch de dertiende maand is opgenomen, heeft ingetrokken. Partijen hebben vervolgens geen nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten, zodat de initiële arbeidsovereenkomst uit 1991 is blijven gelden. Daarnaast heeft [verzoeker] aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 door bedreiging tot stand is gekomen en – zo begrijpt de kantonrechter – moet worden vernietigd. Volgens [verzoeker] is hij namelijk onder dreiging van ontslag gedwongen deze arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Oman heeft dit alles, kort gezegd, betwist.
4.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Niet in geschil is dat partijen op 1 juni 2009 een gewijzigde arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Dit betekent dat de rechtsverhouding tussen partijen in beginsel wordt beheerst door hetgeen in deze arbeidsovereenkomst is bepaald. De ondertekende arbeidsovereenkomst levert tussen partijen dwingend bewijs op.
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] er niet in is geslaagd de rechtsgeldigheid van deze arbeidsovereenkomst aan te tasten. [verzoeker] heeft zijn stelling, dat Oman de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 heeft ingetrokken, niet met concrete feiten onderbouwd. Omdat [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, wordt aan deze stelling voorbij gegaan. Ook de stelling van [verzoeker] , dat de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 door bedreiging tot stand is gekomen, kan hem niet baten. Op grond van artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Een overeenkomst kan in dat geval worden vernietigd, omdat sprake is van een gebrek in de wilsvorming. Volgens de Hoge Raad kan ook een arbeidsovereenkomst worden vernietigd op grond van een wilsgebrek. Artikel 3:49 BW bepaalt dat vernietiging van een vernietigbare rechtshandeling plaatsvindt door hetzij een buitengerechtelijke verklaring, hetzij een rechterlijke uitspraak. Dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 buitengerechtelijk heeft vernietigd, is gesteld noch gebleken. Evenmin heeft [verzoeker] vernietiging van de arbeidsovereenkomst verzocht.
4.5.
[verzoeker] heeft geen andere stellingen ingenomen die de rechtsgeldigheid van de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 aantasten. Dit betekent dat partijen een bindende overeenkomst hebben gesloten, waarvan [verzoeker] de inhoud in beginsel jegens zich moet laten gelden.
De gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009
4.6.
[verzoeker] heeft aangevoerd dat partijen bij het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 niet de bedoeling hebben gehad het contractuele recht op een beëindigingsvergoeding ‘weg te contracteren’. De beëindigingsvergoeding in de gewijzigde arbeidsovereenkomst is enkel vervangen door een vakantietoeslag van 8% in de veronderstelling dat deze wijziging conform de Nederlandse wet was. Nu dit niet het geval bleek te zijn, mocht [verzoeker] erop vertrouwen dat zijn recht op de contractuele beëindigingsvergoeding bij het einde van de arbeidsovereenkomst zou worden geëerbiedigd al dan niet in de vorm van een dertiende maand.
4.7.
Volgens Oman is met de overeengekomen vakantietoeslag van 8% aan de verplichting tot betaling van een contractuele beëindigingsvergoeding dan wel een dertiende maand voldaan. [verzoeker] is door het overeenkomen van een jaarlijkse vakantietoeslag van 8% namelijk feitelijk bevoordeeld, omdat in de jaren voor 2009 geen vakantietoeslag werd uitgekeerd. Oman betwist verder dat [verzoeker] aanspraak kan maken op de contractuele beëindigingsvergoeding uit de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 dan wel op een dertiende maand. Volgens Oman heeft [verzoeker] door ondertekening van de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 afstand gedaan van zijn rechten uit eerdere overeenkomsten.
4.8.
De kantonrechter overweegt het volgende. Oman heeft niet weersproken dat partijen bij het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 niet de bedoeling hebben gehad het contractuele recht op een beëindigingsvergoeding ‘weg te contracteren’. De kantonrechter begrijpt uit hetgeen Oman heeft aangevoerd, dat Oman van mening is dat met de overeengekomen vakantietoeslag van 8% aan deze bedoeling is voldaan. Dit is niet juist. Op basis van de Nederlandse wetgeving heeft iedere werknemer namelijk recht op een vakantietoeslag gelijk aan (minimaal) 8% van het brutoloon. Voor zover Oman heeft bedoeld dat het opheffen van zijn eigen wanprestatie op dit punt (namelijk het niet voldoen aan de verplichting om jaarlijks een vakantietoeslag van (minimaal) 8% uit te keren) als vervanging van de contractuele beëindigingsvergoeding kan worden aangemerkt, gaat die vlieger dus niet op. Bovendien geldt dat zowel Oman als [verzoeker] er vanwege onwetendheid over de Nederlandse wet niet van op de hoogte waren dat [verzoeker] reeds bij aanvang van het dienstverband recht had op een vakantietoeslag, hetgeen een omstandigheid is die voor rekening en risico komt van Oman als werkgever.
4.9.
Uit de door [verzoeker] overgelegde ambtelijke stukken blijkt dat Oman kort na het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst ermee bekend is geworden dat de gewijzigde arbeidsovereenkomst niet in overeenstemming was met de Nederlandse wetgeving en de contractuele beëindigingsvergoeding opnieuw onderwerp van gesprek was (zie 2.7). Tevens blijkt daaruit dat op verschillende momenten (tegen de achtergrond van het aangaan van een gewijzigde arbeidsovereenkomst die wél voldoet aan de Nederlandse wetgeving) werd gesproken over uitbetaling van de beëindigingsvergoeding aan de lokale werknemers over de periode vanaf 1 januari 2009, hetgeen uiteindelijk ook heeft geleid tot het overzicht van 12 mei 2022 (zie 2.8, 2.10. en 2.11.). [verzoeker] heeft bovendien onderbouwd gesteld dat Oman in ieder geval na 1 juni 2009 aan twee medewerkers bij het einde van hun arbeidsovereenkomst de beëindigingsvergoeding heeft voldaan.
4.10.
Dit alles duidt er naar het oordeel van de kantonrechter op dat de contractuele beëindigingsvergoeding nog steeds onderdeel uitmaakt van de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden. Oman heeft de inhoud van de overgelegde stukken onvoldoende betwist en heeft nagelaten feiten en omstandigheden aan te voeren die nopen tot een andere uitleg. Het verweer van Oman dat de met de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 [verzoeker] afstand heeft gedaan van zijn recht op de contractuele beëindigingsvergoeding, faalt dan ook.
4.11.
Het primaire verzoek van [verzoeker] tot betaling van de beëindigingsvergoeding volgens de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst uit 1991 is daarmee toewijsbaar. Het subsidiaire verzoek behoeft daarom geen bespreking meer.
De hoogte van de beëindigingsvergoeding
4.12.
[verzoeker] heeft op de zitting erkend dat het door hem verzochte bedrag verkeerd is berekend. Oman heeft ten aanzien van de berekening van de vergoeding namelijk terecht aangevoerd dat na aftrek van de uitkering van 14,5 maandsalarissen in 2007 en één heel maandsalaris in 2008 aan vergoeding resteert een bedrag gelijk aan 2,5 maal het laatstgenoten maandsalaris van [verzoeker] . Uitgaande van het laatstgenoten maandsalaris van € 8.137,34 bruto wordt daarom een beëindigingsvergoeding van € 20.343,35 bruto toegewezen.
De verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.13.
Het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW over de beëindigingsvergoeding wordt afgewezen. De beëindigingsvergoeding valt niet onder het begrip ‘loon’ in de zin van die bepaling. De verzochte wettelijke rente over de beëindigingsvergoeding wordt als onbetwist toegewezen.
De gefixeerde schadevergoeding
4.14.
[verzoeker] verzoekt verder betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 26.364,98 bruto wegens onregelmatige opzegging. Oman betwist een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd te zijn. Oman stelt dat partijen overeen zijn gekomen dat de arbeidsovereenkomst na het bereiken van [verzoeker] van de pensioengerechtigde leeftijd eenmalig zou worden verlengd voor de periode van één jaar. De brief van Oman van 11 november 2024 moet volgens Oman daarom niet als een opzegging gelezen worden, zodat geen sprake kan zijn van een onregelmatige opzegging. [verzoeker] betwist dat partijen een verlenging van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen. De kantonrechter overweegt als volgt.
4.15.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij in juni 2024 met elkaar hebben gesproken over de mogelijkheid van (tijdelijke) voortzetting van de arbeidsovereenkomst na het bereiken van [verzoeker] van de pensioengerechtigde leeftijd. Oman stelt zich op het standpunt dat de brief van [verzoeker] van 2 oktober 2024 in het licht van die besprekingen gelezen moet worden als een aanvaarding van [verzoeker] van het aanbod tot tijdelijke verlenging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter volgt Oman niet in dat standpunt en licht dit als volgt toe.
4.16.
In de brief van [verzoeker] valt niet te lezen dat hij akkoord gaat met enig (concreet) aanbod van Oman tot verlenging van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] wijst er terecht op dat hij in die brief juist nadrukkelijk aangeeft slechts onder bepaalde voorwaarden interesse te hebben in het voortzetten van zijn dienstverband. Het is niet gesteld of gebleken dat Oman vervolgens aan [verzoeker] heeft laten weten met die voorwaarden akkoord te gaan. Integendeel, Oman heeft blijkens de overgelegde interne memo van 11 november 2024 op die brief gereageerd door toestemming aan het Ministerie te vragen voor het ontslag van [verzoeker] , welk ontslag het vervolgens met de brief van dezelfde datum aan [verzoeker] heeft aangezegd. De kantonrechter ziet niet in hoe die brief van Oman redelijkerwijs anders kan worden gelezen dan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst, te meer nu Oman daarna is overgaan tot het uitbetalen aan [verzoeker] van een eindafrekening en [verzoeker] na 3 januari 2025 ook niet meer voor Oman heeft gewerkt. Dat de ambassadeur na die datum en naar aanleiding van een brief van de advocaat van [verzoeker] met hem heeft gebeld om te vragen of hij alsnog bereid was om voor Oman te komen werken, doet niets af aan het feit dat de arbeidsovereenkomst op dat moment al was beëindigd door de opzegging van Oman.
4.17.
In deze procedure staat op grond van het voorgaande vast dat Oman de arbeidsovereenkomst tussen partijen met de brief van 11 november 2024 heeft opgezegd per 3 januari 2025. Het beroep van Oman op artikel 7:669 lid 4 BW, namelijk dat het de arbeidsovereenkomst na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd mocht opzeggen met een opzegtermijn van één maand, behoeft daarom geen bespreking. Oman heeft verder niet betwist dat het daarmee de tussen partijen geldende opzegtermijn van vier maanden niet heeft nageleefd.
4.18.
Oman heeft zich verder nog verweert met de stelling dat partijen er beide vanuit gingen dat de arbeidsovereenkomst door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van rechtswege zou eindigen en daarom geen opzegging nodig was. Nog los van het feit dat deze stelling niet strookt met het gegeven dat Oman het Ministerie om toestemming voor het ontslag heeft gevraagd en vervolgens op 11 november 2024 een opzegbrief aan [verzoeker] heeft gestuurd, dient een eventuele onterechte veronderstelling over de noodzaak van een tijdige opzegging voor rekening en risico van Oman als werkgever te komen. Oman is daarom aan [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd (artikel 7:672 lid 11 BW). Oman heeft de hoogte van de door [verzoeker] verzochte schadevergoeding van € 26.364,98 bruto niet betwist. Dat bedrag wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt als onweersproken toegewezen zoals in de beslissing weergegeven. De wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat geen sprake is van loon in de zin van artikel 7:625 BW.
Proceskosten
4.19.
Oman is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(WWZ tegenspraak complex)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals in de beslissing vermeld)
Totaal
€
2.030,00
5Beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt Oman om aan [verzoeker] de contractuele beëindigingsvergoeding te betalen van € 20.343,35 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat alles is betaald;
5.2.
veroordeelt Oman om aan [verzoeker] de gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 26.364,98 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat alles is betaald;
5.3.
veroordeelt Oman in de proceskosten van € 2.030,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Oman niet tijdig aan één van de veroordelingen voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Nobel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2026.
ECLI:NL:PHR:2019:1067.
Artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
2,5 x € 8.137,34 bruto. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|