Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:6014 
 
Datum uitspraak:16-06-2026
Datum gepubliceerd:09-07-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:C/03/351636 / JE RK 26-72
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Toewijzing verzoek gecertificeerde instelling gedeeltelijke uitoefening gezag.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
 
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Roermond

Zaaknummers: C/03/351636 / JE RK 26-722
C/03/351637 / JE RK 26-723
C/03/351638 / JE RK 26-724
C/03/351639 / JE RK 26-725

Datum uitspraak: 16 juni 2026


Beschikking van de meervoudige kamer over gedeeltelijke gezagsuitoefening


in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd in Roermond,
hierna te noemen de GI,
advocaat mr. A.C.E. van den Hombergh uit Roermond,

over



[de minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:



[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
en


[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
beiden wonende in [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
gezamenlijk te noemen de ouders,
advocaat mr. J. Van Koesveld uit Utrecht.





1Het verloop van de procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:


in de zaak C/03/351636 / JE RK 26-722:

- het verzoekschrift met bijlagen van 21 april 2026, ingekomen op 23 april 2026.


in de zaak C/03/351637 / JE RK 26-723:

- het verzoekschrift met bijlagen van 21 april 2026, ingekomen op 23 april 2026.


in de zaak C/03/351638 / JE RK 26-724:



het verzoekschrift met bijlagen van 15 april 2026, ingekomen op 23 april 2026;


de vermeerdering van het verzoek van 18 mei 2026.




in de zaak C/03/351639 / JE RK 26-725:



het verzoekschrift met bijlagen van 21 april 2026, ingekomen op 23 april 2026;


de vermeerdering van het verzoek van 18 mei 2026.





1.2.
In alle bovenstaande zaken hebben de ouders op 22 mei 2026 een verweerschrift ingediend.



1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Gelijktijdig zijn de zaken met zaaknummer C/03/351405 / JE RK 26-668 (verlenging machtiging uithuisplaatsing), C/03/350/435 / JE RK 26-451 (verzoek vervanging GI en benoeming bijzondere curator) en C/03/352429 JE RK / 26-885 (vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing en vaststelling contactregeling) behandeld. In die zaken wordt afzonderlijk beslist.



1.4.
Tijdens de zitting waren aanwezig:


de ouders, bijgestaan door hun advocaat;


twee vertegenwoordigers van de GI, bijgestaan door hun advocaat.





1.5.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover via een videoverbinding een gesprek gevoerd met mr. Raab in aanwezigheid van de griffier. Tijdens de zitting heeft mr. Raab samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .



2.2.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 3 december 2026.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 december 2025 machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 17 maart 2026, met verwijzing naar de meervoudige kamer en onder aanhouding van de beslissing op de resterende verzochte termijn. Bij beschikking van 4 maart 2026 heeft de meervoudige kamer de resterende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 17 juni 2026. Bij beschikking van heden is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 3 december 2026 verlengd.



2.4.

[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis.










3De verzoeken


in de zaken C/03/351636 / JE RK 26-722 en C/03/351637 / JE RK 26-723



3.1.
Naar de rechtbank uit de desgevraagd ter zitting geven mondelinge toelichting begrijpt, verzoekt de GI te bepalen dat het gezag over [de minderjarige] tot aan het einde van de machtiging tot uithuisplaatsing gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot het geven van toestemming voor medische behandeling, namelijk:


poliklinische controle van de lengte en het gewicht van [de minderjarige] in het [ziekenhuis] ;


bloed- en urineonderzoek van [de minderjarige] in het [ziekenhuis] ;


wond- en littekencontrole bij [de minderjarige] van de insteekopening van de Totale Parenterale Voeding (TPV)-lijn in het [ziekenhuis] ;


een traject psychologische hulpverlening voor [de minderjarige] bij [hulpverlener] .




in de zaken C/03/351638 / JE RK 26-724 en C/03/351639 / JE RK 26-725




3.2.
De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [de minderjarige] tot aan het einde van de machtiging tot uithuisplaatsing gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding van [de minderjarige] bij VSO [school 1] in [plaats 3] en, na vermeerdering, de aanvraag van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV).



3.3.
De GI verzoekt in alle zaken de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en te bevelen dat de gedeeltelijke gezagsuitoefening zal worden aangetekend in het gezagsregister.



3.4.
Wat betreft de verzochte gezagsuitoefening voor de medische behandeling en psychologische hulpverlening stelt de GI dat [de minderjarige] sinds zijn uithuisplaatsing in mei 2025 onder controle is bij het [ziekenhuis] . Hier wordt hij verder gemonitord naar aanleiding van het stoppen van de totale parenterale voeding, vindt wondcontrole plaats van de insteekopening van de TPV-lijn en wordt zijn gewicht in de gaten gehouden. De betrokkenheid van een academisch ziekenhuis is volgens het [ziekenhuis] noodzakelijk om multidisciplinair en gespecialiseerde zorg te kunnen verlenen in verband met de zeer uitgebreide voorgeschiedenis van [de minderjarige] met onder andere meerdere darmresecties en veel invasieve ingrepen. Volgens de GI vertragen en belemmeren de ouders voortdurend zaken rondom toestemming. Zij vragen zich af waarom controles in het [ziekenhuis] moeten plaatsvinden. Zij willen ook in iedere medische behandeling meegenomen worden en dan beslissen of zij al dan niet toestemming geven. De GI heeft op basis van informatie van de vertrouwensarts van Veilig Thuis besloten dat de ouders niet aanwezig kunnen en mogen zijn bij de medische afspraken. Naast de medische behandeling in het [ziekenhuis] is ook psychologische hulpverlening voor [de minderjarige] van groot belang. Daarin ontstaat spanning tussen wat door Veilig Thuis voor [de minderjarige] noodzakelijk wordt geacht op basis van de conclusie Kindermishandeling door Falsificatie en de visie van de ouders, die toestemming dienen te verlenen voor deze hulpverlening, maar van mening zijn dat de psychologische hulpverlening uitsluitend gericht dient te zijn op trauma’s van [de minderjarige] die voortvloeien uit de uithuisplaatsing. De GI ervaart dat de ouders hun ouderlijk gezag blijven gebruiken, door middel van het uitoefenen van controle, om noodzakelijke medische behandelingen voor [de minderjarige] te vertragen of te blokkeren.



3.5.
Verder heeft de GI met het samenwerkingsverband en de leerplichtambtenaar gezocht naar passend vervolgonderwijs voor [de minderjarige] . Op basis van een observatie en het leerlingdossier van [de minderjarige] bij zijn voormalige scholen (De [school 2] en [school 3] ) is geconcludeerd dat een zorg- en onderwijstraject bij [school 1] in [plaats 3] aansluit bij de ondersteuningsbehoeften van [de minderjarige] . Hij kan hier aankomend schooljaar na de zomervakantie starten. Het samenwerkingsverband zal hiervoor een nieuwe TLV moeten aanvragen voor cluster 4 (voor leerlingen met psychische stoornissen en gedragsproblemen) waarvoor toestemming van ouders vereist is. Daarnaast is het noodzakelijk dat [de minderjarige] op korte termijn kan worden ingeschreven op VSO [school 1] . De ouders zijn telkens geïnformeerd over de onderzochte mogelijkheden en de voortgang van dit proces.





4Het standpunt van de ouders


4.1.
De ouders willen heel graag betrokken worden bij de beslissingen over [de minderjarige] , maar voelen zich daarbij door de GI niet betrokken. Zij willen meegenomen worden in de controles van [de minderjarige] in het [ziekenhuis] en de schoolkeuze voor [de minderjarige] . De GI stelt weliswaar dat zij bij de ouders in de buurt hebben gezocht naar een gezinshuis, maar dat blijkt nergens uit. [de minderjarige] staat ook niet op een wachtlijst. De ouders vragen zich af waarom [de minderjarige] twee uur van de ouders vandaan moet wonen. De ouders erkennen daarnaast dat de controles voor [de minderjarige] nodig zijn, maar het verzoek ziet op medische behandelingen. Het verbaast de ouders dat [hulpverlener] nog steeds niet is opgestart. Zij hebben een goed gesprek gehad met [hulpverlener] en toestemming gegeven. De ouders hebben gevraagd of [hulpverlener] ook de traumatische ervaringen van [de minderjarige] die verband houden met zijn uithuisplaatsing wilde onderzoeken. Zij willen daarnaast echter ook hulp voor [de minderjarige] voor de problematiek vanwege de twee werelden waarin hij zit. De ouders vinden het moeilijk om iets te vinden van de vraag van de rechtbank of [de minderjarige] voor wat betreft de medische behandelingen in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen.





5De visie van [de minderjarige]


5.1.
staat ervoor open om naar [school 1] te gaan, maar zou het liefste in de buurt van de ouders naar school gaan. [de minderjarige] vindt het daarnaast goed als het [ziekenhuis] de medische controles uitvoert, maar wil wel dat zijn vader daar dan (telefonisch) bij aanwezig is. [de minderjarige] is inmiddels één keer naar therapie geweest. Hij vraagt zich echter af waarom hij therapie nodig heeft.





6De beoordeling


6.1.
De verzoeken van de GI zijn gebaseerd op artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van dit artikel kan de kinderrechter bij de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling die het toezicht houdt bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door deze gecertificeerde instelling, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit, voor zover hier van belang, doen met betrekking tot de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling en het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar en ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen.



6.2.
De rechtbank overweegt op de eerste plaats dat een maatregel tot gedeeltelijke gezagsuitoefening diep ingrijpt in het familie- en gezinsleven van de ouders en [de minderjarige] . Die brengt immers met zich mee dat de GI in plaats van de ouders belangrijke gezagsbeslissingen over [de minderjarige] zoals hier aan de orde, mag nemen, ook als de ouders en/of [de minderjarige] daar niet mee instemmen. Mede gelet op artikel 8 EVRM, dat ziet op de eerbiediging van ieders privé- en familieleven, moet artikel 1:265e BW daarom terughoudend worden toegepast en moet ook worden bezien of met minder ingrijpende alternatieven kan worden volstaan. Met inachtneming van dit uitgangspunt is de rechtbank van oordeel dat de verzoeken van de GI moeten worden toegewezen. In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.



6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is voor de aanmelding bij [school 1] aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 1:265e lid 1 en aanhef BW voldaan. Het is immers zo dat kinderen, en dus ook [de minderjarige] , naar school horen te gaan en onderwijs horen te volgen. Uit de stukken en uit het standpunt op de zitting is de rechtbank gebleken dat de ouders weliswaar ook vinden dat [de minderjarige] naar school moet gaan, maar dat zij geen onvoorwaardelijke toestemming geven voor de inschrijving van [de minderjarige] aan [school 1] in [plaats 3] . De ouders willen vooral dat [de minderjarige] op een school dicht bij hun woonplaats en het liefst opnieuw bij [school 3] wordt ingeschreven. Dat de ouders geen onvoorwaardelijke toestemming kunnen geven voor de inschrijving van [de minderjarige] op [school 1] lijkt daarmee vooral voort te komen uit het feit dat zij nog altijd niet achter een plaatsing kunnen staan van [de minderjarige] bij [gezinshuis] . Die plaatsing is evenwel een gegeven en zal in ieder geval, op basis van de verlengde machtiging tot uithuisplaatsing, in beginsel ook voortduren tot 3 december 2026. [de minderjarige] heeft er, mede gezien zijn didactische en sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand die hij in het verleden heeft opgebouwd, belang bij dat hij zodra mogelijk onderwijs kan volgen. Ook is het in het belang van [de minderjarige] dat hij in de buurt van zijn woonplek naar school kan gaan. [school 1] komt daaraan tegemoet. Aangezien verder niet is weersproken dat inschrijving van [de minderjarige] bij [school 1] ook gezien zijn ontwikkelingsniveau tegemoetkomt aan zijn onderwijsbehoefte en ondersteuningsniveau, zal de rechtbank bepalen dat het gezag over [de minderjarige] gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de inschrijving bij [school 1] , wordt uitgeoefend door de GI. Dat geldt ook voor de aanvraag van de TLV, omdat deze nodig is om [de minderjarige] te kunnen aanmelden bij een school voor speciaal onderwijs als [school 1] en daarmee dus samenhangt met die aanmelding.



6.4.
Omdat [de minderjarige] dertien jaar oud is zal gezien artikel 1:265e lid 1 aanhef en sub b BW beoordeeld moeten worden of [de minderjarige] in relatie tot de verzochte gezagsoverdracht terzake de medische behandeling niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt.



6.5.

[de minderjarige] bevindt zich in een complexe situatie. Enerzijds heeft hij van de GI en de hulpverlening te horen gekregen dat de ouders hem zieker hebben gehouden dan hij daadwerkelijk was. Anderzijds zijn er de ouders die dat ontkennen. [de minderjarige] ervaart nu zelf dat hij een gezonde jongen is wat het moeilijk voor hem maakt daarmee om te gaan. Over die voor [de minderjarige] zeer ingewikkelde situatie wordt nog steeds veel strijd gevoerd tussen de GI en de ouders. [de minderjarige] krijgt dit ook mee wat voor hem heel belastend is en wat hem in een in wezen onmogelijke spagaat plaatst en zorgt voor conflicterende loyaliteitsgevoelens. De voortdurende druk die deze situatie voor [de minderjarige] tot gevolg heeft, is naar het oordeel van de rechtbank schadelijk voor [de minderjarige] en stelt hem niet in staat op het specifieke punt van de medische behandeling (kort gezegd: de betreffende controles en de psychologische hulpverlening) tot een redelijke waardering van zijn belangen.



6.6.
Ook met betrekking tot, kort gezegd, de medische controles van [de minderjarige] in het ziekenhuis en de psychologische hulpverlening voor [de minderjarige] is aan het noodzakelijkheidscriterium voldaan. Ten aanzien van de medische behandelingen van [de minderjarige] in het [ziekenhuis] stellen de ouders dat zij het belangrijk vinden voor [de minderjarige] dat de betreffende controles kunnen plaatsvinden, maar plaatsen zij tegelijkertijd vraagtekens bij waarom deze in het [ziekenhuis] zouden moeten plaatsvinden en zeggen zij natuurlijk te willen meewerken, mits er een reden is voor behandeling en ook dat zij betrokken willen worden bij de behandeling en daarbij - in ieder geval de vader - (telefonisch) aanwezig willen zijn. Daarnaast stellen de ouders achter psychologische hulpverlening voor [de minderjarige] te staan, maar lijken zij zich, ondanks dat zij anders ter zitting hebben gesteld, niet te kunnen vinden in het behandelplan dat daaraan ten grondslag zou moeten liggen. Zo is na een gesprek van [hulpverlener] met de ouders op verzoek van de ouders het behandelplan van [hulpverlener] nog zeer recent (medio april 2026) aangepast van hulp voor “waar [de minderjarige] vandaan komt, wat niet meer is en zijn twee leefwerelden” naar enkel hulp voor de traumatische gebeurtenissen die [de minderjarige] heeft meegemaakt in verband met de machtiging uithuisplaatsing, scheiding van het gezin en verblijf in het gezinshuis. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de ouders ook met betrekking tot de medische behandelingen van [de minderjarige] niet bereid zijn om onvoorwaardelijke toestemming te geven, maar dat zij zich ook op dit punt laten leiden door de zeer forse strijd die zij voeren tegen de GI omdat zij niet kunnen instemmen met de geldende kinderbeschermingsmaatregelen en het daarmee samenhangende toezicht van de GI. Dat maakt dat vooralsnog de hulpverlening van [hulpverlener] niet op gang is gekomen en dat de tot nu plaatsgevonden controles in het [ziekenhuis] voor veel discussie niet alleen met de GI maar ook met het [ziekenhuis] heeft gezorgd. Daarmee zijn de belangen van [de minderjarige] niet gediend. Integendeel, alleen al gezien zijn forse medische verleden is [de minderjarige] gebaat bij psychologische hulpverlening en regelmatige controles in het [ziekenhuis] , dat al een ruim een jaar bij [de minderjarige] is betrokken, zonder dat dit telkens tot (uitvoerige) discussies met de ouders over de reden of noodzaak daarvan en de frequentie en overige vormgeving daarvan leidt.



6.7.
De rechtbank acht het kort samengevat in het belang van [de minderjarige] dat er medische controles kunnen plaatsvinden, dat zijn psychologische behandeling kan starten en dat [de minderjarige] ook kan starten met onderwijs. Dit kan alleen door de strijd die gevoerd wordt weg te nemen en de door de GI verzochte gezagsoverdracht toe te wijzen. Een minder ingrijpend alternatief is niet voorhanden.



6.8.
Nu bij gelijktijdige beschikking met zaaknummer C/03/351405 / JE RK 26-668 de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 3 december 2026, zal de rechtbank de GI gedeeltelijk belasten met het gezag over [de minderjarige] voor de duur van de machtiging uithuisplaatsing, dus tot 3 december 2026, met betrekking tot het geven van toestemming voor:


poliklinische controle van de lengte en het gewicht van [de minderjarige] in het [ziekenhuis] ;


bloed- en urineonderzoek van [de minderjarige] in het [ziekenhuis] ;


wond- en littekencontrole bij [de minderjarige] van de insteekopening van de TPV-lijn;


een traject psychologische hulpverlening voor [de minderjarige] bij [hulpverlener] en het opstellen van het daaraan ten grondslag liggende behandelplan.



Ook zal de rechtbank de GI voor de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing belasten met het gezag over [de minderjarige] met betrekking tot de aanmelding van [de minderjarige] bij onderwijsinstelling [school 1] en voor de aanvraag van de in dit verband benodigde TLV.



6.9.
De rechtbank merkt ter zake de gevoerde discussie over de vraag of de ouders (althans de vader) al dan niet bij de medische behandeling van [de minderjarige] (telefonisch) aanwezig kunnen zijn nog op dat de ouders dan wel de vader daarbij niet aanwezig kunnen dan wel kan zijn, ook niet als [de minderjarige] dat wil, omdat zowel [de minderjarige] als de ouders niet zelf kunnen bepalen wanneer zij contact hebben. Het contact tussen [de minderjarige] en de ouders is een beladen onderwerp. Zeker door alle discussies over dit contact kan de rechtbank zich goed voorstellen dat extra contactmomenten bij [de minderjarige] ook tot extra spanningen kunnen leiden, die de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] vindt. De rechtbank heeft apart beslist wanneer [de minderjarige] en de ouders elkaar kunnen zien en contact tijdens medische behandelingen valt daar niet onder.



6.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



6.11.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



6.12.
Mr. Raab informeert [de minderjarige] namens de meervoudige kamer in een aparte e-mail over de genomen beslissingen. Deze e-mail heeft de volgende inhoud:


“Beste [de minderjarige] ,



Net als vorige keer schrijf ik je om je te vertellen welke beslissingen wij (de twee andere rechters en ik) hebben genomen.



Op de eerste plaats begrijpen wij dat je heel boos bent dat het eetmoment met je familie niet is doorgegaan en dat de gezinsvoogden het contact met je familie hebben beperkt. Wij zien op dit moment geen aanleiding het contact met je familie nog meer te beperken dan al was gebeurd. Wij hebben dan ook beslist dat het contact met je familie blijft zoals het eerder was, dus drie uur per twee weken, waarbij het ook mogelijk moet zijn samen een hapje te eten.



Wij zien dat je heel erg in de knel zit omdat je in twee werelden leeft; van de ene kant is er je leven vroeger thuis waarbij je ziek en klein bent gehouden en anderzijds is er het leven van de gezonde [de minderjarige] in [gezinshuis] . Wij hebben voor jou een “bijzondere curator “benoemd. Dat is mevrouw [bijzondere curator] en zij gaat kijken wat voor jou goed is. We willen haar verslag afwachten voordat we een beslissing nemen over het verzoek je gezinsvoogden te vervangen.



Verder hebben we toestemming gegeven voor inschrijving bij school [school 1] , voor therapie bij [hulpverlener] en voor behandeling in het ziekenhuis [ziekenhuis] . Jij gaf al aan graag naar [school 1] te willen (al wil je liever naar een school in de buurt van thuis). Ook vind jij het goed naar het [ziekenhuis] te gaan, al gaf je aan dat je wilt dat je vader daarbij aanwezig is. Dat laatste is niet mogelijk omdat er bewust voor is gekozen dat jij je vader alleen onder begeleiding ziet tijdens de omgangsmomenten. Ook al vind je dat lastig, wij zijn ervan overtuigd dat dit beter voor je is.


Wij vinden dat je nog niet naar huis kunt. Wij zijn er niet anders over gaan denken. Er is eigenlijk ook niets veranderd ten opzichte van de vorige keer. Je ouders gaan drie hogere rechters vragen om te beslissen of je terug naar huis kunt, maar die beslissing zal pas over enkele maanden komen.



Wij wensen je veel sterkte.



Met vriendelijke groet, ook namens de andere kinderrechters,



Mr. Raab”






7De beslissing

De rechtbank:


in de zaken C/03/351636 / JE RK 26-722 en C/03/351637 / JE RK 26-723:



7.1.
belast voor de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing, dus tot 3 december 2026, de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg gedeeltelijk met het gezag over [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , met betrekking tot:


poliklinische controle van de lengte en het gewicht van [de minderjarige] in het [ziekenhuis] ;


bloed- en urineonderzoek van [de minderjarige] in het [ziekenhuis] ;


wond- en littekencontrole bij [de minderjarige] van de insteekopening van de TPV-lijn;


een traject psychologische hulpverlening voor [de minderjarige] bij [hulpverlener] en het opstellen van het daaraan ten grondslag liggende behandelplan;




in de zaken C/03/351638 / JE RK 26-724 en C/03/351639 / JE RK 26-725:



7.2.
belast voor de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing, dus tot 3 december 2026, de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg gedeeltelijk met het gezag over [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , met betrekking tot de aanmelding van [de minderjarige] bij onderwijsinstelling [school 1] en voor de aanvraag van de in dit verband nodige toelaatbaarheidsverklaring;



7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



7.4.
wijst af het meer of anders verzochte.




Deze beschikking is gegeven door mr. Brandts (voorzitter), mr. Raab en mr. Bregonje, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Bouwens als griffier.


Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:


degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Link naar deze uitspraak