|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:5447 | | | | | Datum uitspraak | : | 29-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 09-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB-25_86 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Mondelinge uitspraak. Het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn ouderdomspensioen op grond van de AOW is gegrond. De SVB heeft ten onrechte aangenomen dat sprake was van een van een gezamenlijke huishouding. De SVB had daarom niet mogen overgaan tot de herziening en terugvordering van eisers ouderdomspensioen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat eiser in de te beoordelen periode recht had op een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande | | Trefwoorden | : | aow | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/86
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
29 juni 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H.H. Jansen),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: drs. W. van den Berg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met de herziening en terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van eisers ouderdomspensioen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB ten onrechte heeft aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De SVB had daarom niet mogen overgaan tot de herziening en terugvordering van eisers ouderdomspensioen. De rechtbank verklaart om die reden het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 25 juli 2024 heeft de SVB het AOW-pensioen van eiser vanaf 1 mei 2020 herzien en gewijzigd naar een pensioen voor een gehuwde (waaronder iemand die een gezamenlijke huishouding voert). Het te veel ontvangen AOW-pensioen over de periode van 1 mei 2020 tot 1 juli 2024 is met dit besluit tevens van eiser teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 11 december 2024 is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en is de terug te vorderen periode gewijzigd van 1 mei 2020 tot 1 december 2023.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de SVB.
2.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt sinds 21 maart 2014 een AOW-uitkering naar de norm van een alleenstaande.
3.1.
In het kader van een risicogericht onderzoek (op aselecte wijze) naar AOW-gerechtigden die een alleenstaandenpensioen ontvangen en zich na de pensioenleeftijd hebben ingeschreven bij derden, hebben toezichthouders van de afdeling Preventie en Handhaving van de SVB onderzoek gedaan naar de feitelijke woon- en leefsituatie van eiser. Het vermoeden bestond namelijk dat eiser zou samenwonen met mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). In dat kader hebben de toezichthouders onder meer dossieronderzoek gedaan en zijn eiser en [naam] op 8 juni 2023 tijdens een loketbezoek afzonderlijk gehoord. Op 12 en 20 december 2022 is tevergeefs gepoogd om een onaangekondigd huisbezoek plaats te laten vinden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de handhavingsrapportage van 30 augustus 2023.
3.2.
Op grond van de onderzoeksresultaten heeft de SVB geconcludeerd dat eiser sinds 25 april 2020 een gezamenlijke huishouding voert met [naam] . Met het (primaire) besluit van 25 juli 2024 heeft de SVB daarom het AOW-pensioen van eiser met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2020 tot 1 augustus 2024 herzien naar een AOW-pensioen voor een gehuwde. Ook heeft de SVB aangegeven dat eiser € 15.772,63 te veel aan AOW-pensioen heeft ontvangen en dat hij dit bedrag moet terugbetalen.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft de SVB het primaire besluit herroepen en beslist dat eiser van 1 mei 2020 tot 1 december 2023 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam] en over die periode daarom recht heeft op een pensioen voor een gehuwde. De terugvordering van te veel ontvangen AOW-pensioen is daarbij vastgesteld op € 11.609,49.
4. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 1 mei 2020, de datum met ingang waarvan het AOW-pensioen is herzien, tot 1 december 2023.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bij een besluit tot herziening en terugvordering van een AOW-pensioen gaat om een belastend besluit. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het aan verweerder om de nodige kennis over relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dit betekent in dit geval dat de SVB feiten moeten aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat eiser en [naam] een gezamenlijke huishouding voerden in de te beoordelen periode.
6. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (huisvestingscriterium) en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (wederzijdse zorg). Volgens vaste rechtspraak van de CRvB dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat is voldaan aan het huisvestingscriterium. De vraag die voorligt, is of is voldaan aan het zorgcriterium.
8. Volgens de SVB is voldaan aan het zorgcriterium, omdat 1) eiser en [naam] in de te beoordelen periode meermaals gezamenlijk op vakantie zijn gegaan en 2) geen sprake was van een zuiver commerciële huurrelatie.
9. De rechtbank is van oordeel dat de SVB niet aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het zorgcriterium zodat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding in de te beoordelen periode. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
9.1.
Het gegeven dat eiser en [naam] in de te beoordelen periode gezamenlijk op vakantie zijn gegaan, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van wederzijdse zorg. Uit vaste rechtspraak volgt dat het ondernemen van gezamenlijke activiteiten, zoals op vakantie gaan, niet noodzakelijkerwijs gepaard hoeft te gaan met enige vorm van verzorging. Op deze in de rechtspraak neergelegde hoofdregel zijn uitzonderingen. De rechtbank is echter van oordeel dat de SVB niet aannemelijk heeft gemaakt dat van een dergelijke uitzondering sprake is. Dat eiser en [naam] elk bepaalde delen van de kosten van de gezamenlijke vakanties voor hun rekening namen maakt dat niet anders. Het is immers niet ongebruikelijk dat mensen die samen gedurende kortere of langere tijd op vakantie gaan de kosten onderling verdelen. Dat staat geheel los van de eventuele verdeling van de kosten van de huishouding in de woning waar zij hun hoofdverblijf hebben.
9.2.
Op basis van zijn huurcontract was eiser verplicht maandelijks € 350 aan huur te betalen aan [naam] . Eiser heeft tijdens het loketbezoek op 8 juni 2023 aangegeven dat de huur niet op regelmatige momenten werd betaald. Eiser keek gedurende de maand wat hij aan huur kon missen en maakte vervolgens geld over naar [naam] . Hij betaalde de huur meestal contant. De SVB heeft tijdens de zitting toegelicht dat dit indicaties zijn, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat er geen sprake was van een zuiver commerciële huurrelatie. Deze bevinding wordt echter niet ondersteund door relevante feiten en omstandigheden. Zo is uit het onderzoek van de SVB niet gebleken welke bedragen aan huur eiser per maand betaalde. Ook is uit het onderzoek niet gebleken op welke momenten de huur door eiser is betaald. Gelet op het belastende karakter van het bestreden besluit, had het op de weg van de SVB gelegen om hier nader onderzoek naar te doen.
9.3.
Eiser heeft tijdens de zitting aangegeven incidenteel een klusje uit te voeren voor [naam] , zoals het knippen van de heg. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser deze klusjes uitvoerde, ter compensatie van het (af en toe) niet volledig voldoen van de huur en merkt dit niet aan als enige vorm van verzorging.
10. Wat is overwogen onder rechtsoverweging 9 tot en met 9.3, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de SVB een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 1, vierde lid van de AOW. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd wegens strijd met de wet. Eiser had in de te beoordelen periode recht op een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande. De SVB heeft het recht van eiser op een AOW-pensioen dan ook ten onrechte herzien en ten onrechte een bedrag aan ontvangen pensioen teruggevorderd. Het beroep is gegrond.
11. Omdat het bestreden besluit geen stand kan houden, behoeven de overige gronden van eiser geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat eiser in de te beoordelen periode recht had op een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande.
12.1.
Omdat beroep gegrond is moet de SVB het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De SVB moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
13. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 december 2024;
- bepaalt dat eiser in de te beoordelen periode recht had op een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de SVB tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026 door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3019.
Artikel 1, vierde lid, van de AOW.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2284.
Hoge Raad 15 juni 2016, ECLI:NL:HR:2012:BV1924. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|