Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:19660 
 
Datum uitspraak:10-06-2026
Datum gepubliceerd:16-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/694742 / HA ZA 25-10
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Eisers stellen dat zij een bedrag van € 40.000,00 hebben uitgeleend aan gedaagden, waarvan nog € 38.500,00 openstaat dat zij terugvorderen. Een gedaagde is in deze procedure niet verschenen. De rechtbank wijst de vordering tegen hem toe. De vorderingen tegen de andere gedaagde worden afgewezen. Deze gedaagde is naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen partij bij de overeenkomst van geldlening waar eisers zich op beroepen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team handel

zaak- / rolnummer: C/09/694742 / HA ZA 25-1024


Vonnis van 10 juni 2026


in de zaak van




1 [eiseres] ,
te [woonplaats] ,
2. [eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen ook te noemen: [eisers] c.s., en eiseres sub 1 afzonderlijk [eiseres] ,
advocaat: mr. G. Janssen,

tegen




1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,
niet verschenen,
2. [gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.F.I. Derby,
gedaagde partijen,
hierna samen ook te noemen: [gedaagden] c.s., en de gedaagde sub 1 afzonderlijk [gedaagde 1] , en de gedaagde sub 2 afzonderlijk [gedaagde 2] .




1Waar gaat de zaak over?


1.1.

[eisers] c.s. stellen dat zij een bedrag van € 40.000,00 hebben uitgeleend aan [gedaagden] c.s., waarvan nog € 38.500,00 openstaat dat zij terugvorderen. [gedaagde 1] is in deze procedure niet verschenen. De rechtbank wijst de vordering tegen hem toe. De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden afgewezen. [gedaagde 2] is naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen partij bij de overeenkomst van geldlening waar [eisers] c.s. zich op beroepen.



1.2.
Het vonnis is als volgt opgebouwd. De rechtbank noemt eerst welke stukken door partijen zijn ingediend en hoe de procedure is verlopen. Dan volgt een beschrijving van de feiten en omstandigheden die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn en waarover partijen het eens zijn. Vervolgens vat de rechtbank de vorderingen samen die zijn ingesteld. Daarna volgt de beoordeling van die vorderingen en de juridische argumenten die partijen over en weer naar voren hebben gebracht. Het vonnis wordt afgesloten met de beslissingen op de vorderingen.






2De procedure


2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 22 oktober 2025 met producties 1 tot en met 4,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] ,
- de aanvullende producties 5 en 6 van [gedaagde 2] .



2.2.
Op 30 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord.





3De feiten


3.1.

[eisers] c.s. en [gedaagden] c.s. zijn buren van elkaar. [gedaagde 2] is de zoon van [gedaagde 1] .



3.2.
In een document getiteld “lening” is het volgende opgenomen:


[...]


Lening datum: 02-11-2022


Datum: 07-02-2024












Omschrijving: privé rekeningen




Aantal




afgeloste bedrag




Prijs




















T.N.V [eiser]



[rekeningnummer 1]






1




€ 0,00




€ 11.400,00






T.N.V. [eiseres]



[rekeningnummer 2]






1




€ 1.500,00




€ 8.000,00






Contant geld





1




€ 0,00




€ 9.250,00






Renten wat wij samen hebben besproken




1




€ 0,00




€ 11.350,00







[...]




3.3.
Bij brief van 20 juni 2024 heeft incassobureau “Incassocenter” [gedaagde 1] schriftelijk in gebreke gesteld namens [eiseres] . [gedaagde 1] is in deze brief in de gelegenheid gesteld om binnen vijftien dagen na bezorging van de brief over te gaan tot betaling van een bedrag van € 39.197,98 (inclusief wettelijke rente). In deze brief zijn ook de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd.



3.4.
Bij brieven van 8 juli 2024, 16 juli 2024 en 22 juli 2024 heeft Incassocenter [gedaagde 1] namens [eiseres] aangemaand tot betaling van een bedrag van € 27.150,00 en een bedrag van € 11.350,00, vermeerderd met de tot aan de datum van verzending van deze brieven vervallen wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.



3.5.
In een e-mail van 31 oktober 2024 van [gedaagde 1] aan Incassocenter is het volgende opgenomen:


“Goedendag,



Ik zou graag ook willen bij vermelden dat mijn advocaat ermee bezig is.


Zodra het geregeld is, laat ik het u weten.



MVG,




[gedaagde 1] ”




3.6.
Op 11 november 2024 heeft [eiseres] [gedaagden] c.s. per exploot een sommatie gestuurd, waarin zij [gedaagden] c.s. verzoekt om betaling van een bedrag van € 38.500,00 binnen zes weken na betekening van het exploot. In dit exploot zijn ook de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd.



3.7.
In een e-mail van 19 januari 2025 van [gedaagde 1] aan Incassocenter is het volgende opgenomen:


“goedendag,



Ik wilde u even laten weten.


We zijn nog bezig met onze zaak.


Tot die tijd zou ik graag een betalingsregeling willen aangaan tot het opgelost is.



Met vriendelijke groet,




[gedaagde 1] ”




3.8.
Partijen hebben elkaar de volgende WhatsApp-berichten (datum onbekend) gestuurd:


[gedaagde 1] schrijft (12:01 uur):

“Hoi met [gedaagde 1] , ik zou vandaag bij je langskomen maar ik heb avonddienst.


Ik ben op hoger beroep, me laatste zitting is binnenkort.


Ik heb een uitstel van de bouw gehad voor een paar maanden en voor die tijd


is alles betaald.


Zodra alles geregeld is kom ik zelf naar je toe. ik weet dat het lang duurt, ik stress mezelf ook kapot, maar het komt goed.




[gedaagde 1] ”



[eisers] c.s. schrijven (12.03 uur):

“Over hoeveel tijd heb ik t


Ik ga geen maanden meer wachten”





[gedaagde 1] schrijft (12:20 uur):

“Het is geen maanden, je begrijpt me verkeerd. Die uitstel is maanden maar die zitting is binnenkort.”



[eisers] c.s. schrijven (12.50 uur):

“Het maakt me niet uit ik wil t zo snel mogelijk liever gister dan vandaag dan kan ik verder”



[gedaagde 1] schrijft (12:56 uur):

“Je krijgt het zo snel mogelijk”



[eisers] c.s. schrijven (12.57 uur):

“Ik hoop t want t word aleen maar duurder”



[gedaagde 1] schrijft (12:58 uur):

“Dat weet ik. Ik ben ermee bezig. Je hoort het van mij”.





4Het geschil


4.1.

[eisers] c.s. vorderen - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank [gedaagden] c.s. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:

a) € 38.500,00 (waarvan € 27.150,00 aan hoofdsom en € 11.350,00 aan contractuele rente),
b) € 1.990,22 aan wettelijke rente over de hoofdsom,
c) € 1.423,01 aan buitengerechtelijke incassokosten,

vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 22 oktober 2025,

d) de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van het vonnis.



4.2.

[eisers] c.s. leggen daaraan - samengevat - ten grondslag dat zij een bedrag van € 40.000,00 aan [gedaagden] c.s. hebben uitgeleend, waarvan nog € 38.500,00 openstaat, bestaande uit € 27.150,00 aan hoofdsom en € 11.350,00 aan contractuele rente. [eisers] c.s. hebben de terugbetaling van dit bedrag opgeëist en [gedaagden] c.s. hebben daar geen gehoor aan gegeven. [gedaagden] c.s. zijn hierdoor in verzuim geraakt. Naast de openstaande hoofdsom, zijn [gedaagden] c.s. ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd, aldus [eisers] c.s.



4.3.

[gedaagde 2] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van [eisers] c.s. in de proceskosten. Hij legt daaraan - samengevat - ten grondslag dat hij geen partij is bij de overeenkomst van geldlening. De overeenkomst van geldlening is uitsluitend gesloten met zijn vader, [gedaagde 1] . Voor zover de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde 2] wel partij is bij de overeenkomst van geldlening, dan kan de gevorderde contractuele rente niet worden toegewezen omdat deze niet schriftelijk is bedongen. [gedaagde 2] betwist daarnaast dat hij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.



4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


Ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde 2]



5.1.
Buiten discussie is dat [eisers] c.s. een mondelinge overeenkomst van geldlening hebben gesloten met [gedaagde 1] . De vraag die partijen verdeeld houdt is of ook [gedaagde 2] partij is bij deze overeenkomst. [eisers] c.s. stellen dat dit het geval is. Omdat [eisers] c.s. zich beroepen op het rechtsgevolg van de door hen gestelde overeenkomst (met daaruit volgend de verplichting tot betaling van [gedaagde 1] én [gedaagde 2] ), rusten de stelplicht en zo nodig de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat ook [gedaagde 2] partij is bij de overeenkomst van geldlening op hen. Dit volgt uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Concreet betekent dit dat [eisers] c.s. niet alleen moeten aanvoeren dat [gedaagde 2] partij is bij de overeenkomst van geldlening, maar ook dat zij hun stellingen op dit punt moeten concretiseren, aanvullen en - zo nodig - nader moeten onderbouwen: met algemeenheden kan niet worden volstaan.



5.2.
Ter onderbouwing van hun stelling dat [gedaagde 2] partij is bij de overeenkomst van geldlening overleggen [eisers] c.s. een document met daarop een omschrijving van de lening. Op dit document staat zowel de naam van [gedaagde 1] , als die van [gedaagde 2] vermeld. Daarnaast wordt verwezen naar het sommatie-exploot, dat ook aan [gedaagde 2] is gericht. [eisers] c.s. overleggen ten slotte bankafschriften waaruit volgt dat er bedragen aan [gedaagde 2] zijn overgemaakt. Ter zitting hebben [eisers] c.s. nog toegelicht dat [gedaagde 2] aanwezig is geweest bij alle gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen [gedaagde 1] en [eisers] c.s. Daartegenover staat de betwisting van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] voert aan dat hij nooit heeft ingestemd met het verstrekken van een geldlening aan hem. De overeenkomst van geldlening is uitsluitend aangegaan met [gedaagde 1] . Het doel hiervan was het verstrekken van financiële steun aan [gedaagde 1] in een voor hem moeilijke periode. Weliswaar is daarbij ook een bedrag naar de bankrekening van [gedaagde 2] overgeboekt, maar die overboeking is in opdracht en ten behoeve van [gedaagde 1] verricht. De reden voor deze overboeking was gelegen in het feit dat [gedaagde 1] bang was dat zijn uitkering zou worden stopgezet als het bedrag op zijn eigen bankrekening zou worden overgemaakt, aldus [gedaagde 2] . [gedaagde 2] voert daarnaast aan dat het document met omschrijving van de geldlening eenzijdig is opgesteld door [eisers] c.s. en dat hij ook nooit aanmaningen heeft ontvangen.



5.3.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde 2] , had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [eisers] c.s. gelegen om hun stelling dat de overeenkomst van geldlening ook met [gedaagde 2] is gesloten, nader te onderbouwen. Het enkele feit dat [gedaagde 2] aanwezig is geweest bij de gesprekken met [eisers] c.s. en het feit dat één of meerdere betalingen via zijn bankrekening zijn verlopen, leidt niet automatisch tot de conclusie dat sprake is van een overeenkomst van geldlening met [gedaagde 2] . Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, feiten en omstandigheden volgen die juist wijzen op een overeenkomst van geldlening met [gedaagde 1] . De door [eisers] c.s. overgelegde brieven van 20 juni 2024, 8 juli 2024, 16 juli 2024 en 22 juli 2024 zijn uitsluitend aan [gedaagde 1] gericht. Ook de overgelegde correspondentie met Incassocenter en de WhatsApp-correspondentie worden uitsluitend met [gedaagde 1] gevoerd. Daarbij komt dat [eisers] c.s. ter zitting hebben toegelicht dat het doel van de onderhavige overeenkomst van geldlening was om [gedaagde 1] te ondersteunen bij het betalen van zijn vaste lasten. Dit duidt niet op een overeenkomst van geldlening met [gedaagde 2] . Gelet hierop, is de door [eisers] c.s. gestelde overeenkomst van geldlening met [gedaagde 2] niet vast komen te staan. Concreet betekent dit dat de vordering van € 38.500,00 en de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten jegens [gedaagde 2] worden afgewezen.


De proceskosten




5.4.

[eisers] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom hoofdelijk de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 2] betalen. Dit betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. Omdat [gedaagde 2] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [eisers] c.s. niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:









- griffierecht





90,00







- salaris advocaat





2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





2.859,00










Ten aanzien van de vorderingen jegens [gedaagde 1]




5.5.
Tegen [gedaagde 1] is verstek verleend. Omdat [gedaagde 2] wel in de procedure is verschenen heeft dit vonnis, gelet op artikel 140 Rv, ook jegens [gedaagde 1] te gelden als een vonnis op tegenspraak. Artikel 139 Rv bepaalt dat ingeval van verstekverlening de vordering van eiser wordt toegewezen, tenzij deze de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.



5.6.
De grondslag van de vordering van [eisers] c.s. jegens [gedaagde 1] is nakoming van de overeenkomst van geldlening. Het gevorderde bedrag van € 27.150,00 komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen. [eisers] c.s. vorderen ook een bedrag van € 11.350,00 aan contractuele rente. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan als volgt. Artikel 7:129c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de particulier die geld uitleent aan een andere particulier alleen recht heeft op contractuele rente als dit schriftelijk is bedongen. Daarbij is niet vereist dat een schriftelijk beding is vastgelegd in een onderhandse akte; een mededeling van de rentebetalingsverplichting door één van de partijen (gevolgd door een al dan niet stilzwijgende instemming door de andere partij) in een brief of e-mail is voldoende. De rechtbank constateert dat de contractuele rente in dit geval is opgenomen in het document getiteld “lening” (zie ook hiervoor onder randnummer 3.2). Dit is een schriftelijk stuk. Nu [gedaagde 1] hier geen verweer tegen heeft gevoerd, stelt de rechtbank op grond hiervan vast dat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. De gevorderde contractuele rente komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen.



5.7.

[eisers] c.s. vorderen de wettelijke rente over een bedrag van € 38.500,00 vanaf 23 december 2024 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank overweegt dat een contractuele rente, die vanaf het begin van de overeenkomst loopt, moet worden onderscheiden van de verplichting om wettelijke rente te betalen als sprake is van verzuim. Op grond van artikel 6:119 lid 1 BW is de schuldenaar immers een schadevergoeding verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaande uit de wettelijke rente over die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen.



5.8.

[eisers] c.s. vorderen ook buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank begrijpt dat [eisers] c.s. ter onderbouwing van deze vordering naar het sommatie-exploot van 11 november 2024 verwijzen, waarbij zij ervan uitgaan dat het verzuim vervolgens is ingetreden op 23 december 2024. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde 1] in verzuim verkeerde met het (terug)betalen van de geldlening toen de brief van 11 november 2024 werd verstuurd, terwijl artikel 6:96 lid 6 BW dat wel verlangt. Pas daarna moet blijken dat sprake is van een aanmaning waarbij de schuldenaar de volle veertien dagen de gelegenheid heeft om alsnog te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden. Er is dus niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW voldaan. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom als ongegrond worden afgewezen.


De proceskosten




5.9.

[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisers] c.s. betalen. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding





73,90


(helft kosten dagvaarding)




- griffierecht





1.374,00







- salaris advocaat





1.290,00


(1 punt × € 1.290,00)




- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





2.926,90











5.10.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals gevorderd.






6De beslissing

De rechtbank:


6.1.
wijst de vorderingen tegen [gedaagde 2] af,



6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eisers] c.s. van € 38.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 december 2024 tot de dag van volledige betaling,



6.3.
veroordeelt [eisers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 2.859,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [eisers] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eisers] c.s. van € 2.926,90, te betalen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis,



6.6.
verklaart het bepaalde onder 6.2, 6.4 en 6.5 uitvoerbaar bij voorraad,



6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Povel, rechter, bijgestaan door mr. Stigter, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Link naar deze uitspraak